Dansje

Laatst verkochten wij onze bank. De katten hadden een paar keer onderaan de voering gehangen en ook hadden ze in de linkeronderhoek hun nagels gezet waardoor de strakke stof linksonder wat pukkelig oogde, verder zat ie lekker en zag de bank er picobello uit.

Maar we kregen een nieuwe, dus moest de oude weg. Eerlijk vertelde ik op Marktplaats van de voering en de pukkels en maakte ik wat foto’s van de bank: een foto met gezellige kussentjes, één zonder en ja, ook één met de linkeronderhoek erop want je wil de mensen niet beduvelen.

Al gauw had ik contact met een meisje of vrouw uit Utrecht. Zij wilde de bank graag hebben. ‘Mag ik uw telefoonnummer?’, mailde ze, ‘Dan komt een vriend van mij de bank ophalen.’ Ik gaf haar mijn nummer en even later kreeg ik de vriend aan de telefoon.

‘Ik moet een bankje ophalen voor T.’, sprak hij gemoedelijk, ‘Komt het uit als ik vanavond langskom?’

Ik dacht even aan de hele week dat wij bankloos zouden zijn. De nieuwe arriveerde pas de week daarop. Maar ach, nu waren we de bank snel en gemakkelijk kwijt dus ‘Ja, dat is prima’, zei ik en ik gaf hem mijn adres.

‘Ik kom rond 20.00 uur langs’, verzekerde de vriend van de koper. Om 20.00 uur precies arriveerde een busje met opdruk in onze straat. Even later ging de bel. Mijn man deed open. Een stevige heer kwam de kamer binnen.

‘Ik kom de bank halen’, zei hij tegen mij. ‘Ik doe dat voor T., wij hadden vanochtend contact erover…?’

‘Ja, dat klopt’, antwoordde ik. ‘Hier staat ie, hij is wel erg zwaar en we moeten kijken of de bank de draai naar de gang kan maken.’

‘O, dat gaat lukken, mevrouw’, zei de stevige man. ‘Hij ziet er nog puik uit, ze zal er blij mee zijn.’

De man had iets vertederends; zijn grote en stevige voorkomen gingen vast gepaard aan een klein hartje.

‘Wil u misschien een kopje koffie?’, informeerde ik nadat we gedrieën met veel pijn en moeite en wat loslatend stucwerk de bank met vereende krachten de draai naar de gang hadden laten maken en de voordeur door hadden gedrukt.

‘Nou, dat sla ik niet af’, zei het kleine hartje en hij ging zitten aan de eettafel. Hij paste maar net op de stoel, zijn grote handen lagen op het tafelblad.

‘Waar komt u vandaan?’, vroeg mijn man.

‘Ik kom uit Houten’, zei de man. En ik zag het koffiekopje verdwijnen in zijn beide handen.

‘Op uw busje staat iets over het leggen van dansvloeren, doet u dat zelf?’, informeerde ik.

‘Ja, ik leg overal vloeren, vooral voor de salsa’, legde de man uit. Opeens zat hij rechtop, zijn ogen gingen stralen. Het kopje koffie zette hij neer.

‘Ik houd zelf ook van salsadansen’, vertelde hij, ‘Sterker nog, ik ben er dol op.’

Ik keek naar de grote, zware man. Zag zijn handen waar net het koffiekopje in was verdwenen. En combineerde dit met salsa: lichtvoetig en sensueel bewegen op zoete Midden-Amerikaanse klanken.

‘Ja, ik ben er dol op’, herhaalde hij. En hij keek door ons raam naar buiten. Daar stond zijn busje met de bank voor zijn goede vriendin. ‘Niet mijn vriendin hoor’, had hij ons toevertrouwd, ‘Ze woont samen met een andere vrouw. Wat zullen ze blij zijn met dit bankje…’

‘Heel lief dat u dat voor haar doet’, had ik gezegd maar daar reageerde hij niet op.

‘Ik ga er weer eens vandoor’, zei hij, terwijl hij zijn zware lijf uit onze Friso Kramer stoel hees. En even verbeeldde ik mij dat hij wat losser in de heupen door onze gang liep, lichtvoetig over de keitjes van het pad in de voortuin danste en met een kunstig hupje op de bestuurderstoel van het busje neerkwam. We keken het busje na. Dansvloerenleggen.nl.

Voor als we nog eens een dansje willen doen.

Advertisements

Ziek (2)

‘Mam, ik ben ziek’. Een heel warm kind schuift naast mij in bed. Een straalkachel, zoals vroeger, het doodzieke kind dat ons met zijn warmte en woelen nachten wakker hield.

‘Jezus Max’, zeg ik, ‘Wat ben je warm.’

We zijn in Frankrijk op de plek waar we eerder al eens waren. Een pittoresk bergdorp, gelardeerd met grijze keitjes, een schooltje waar de Franse vlag aan wappert en een winkeltje dat honing verkoopt.

‘s Ochtends lopen we de smalle en steile straatjes uit, het pad af naar de gondellift die ons naar het skidorp hierboven brengt. We zweven boven alpenweiden met kleurige bijenkasten die als vrolijke snoepjes tegen de bergwand zijn gestrooid en daarna ruige rotswanden met plukjes sneeuw.

Eenmaal boven sjokken we door de verse sneeuw naar onze ski’s in de kluisjes waarna het laatste deel van de ochtend-tocht begint. ‘Het zwaarste deel’, volgens mijn dochter die zuchtend haar ski’s op de schouders legt en met de tred van een bijzondere vogelsoort – de voeten in de zware skischoenen zorgvuldig afrollend – naar de lift loopt.

‘Ik ben echt ziek, ik heb zo’n hoofdpijn’, herhaalt mijn zoon. Ik voel zijn voorhoofd, dat gloeit van de koorts. ‘Ik pak paracetamol voor je’, zeg ik en ik wip snel het bed uit. Het donzen dekbed vlei ik zachtjes over dat warme jongenslijf. Ik doe de deur naar het balkon open, op een kier. Voor de frisse lucht.

Hij is en blijft doodziek. Iedere dag is er hoop. ‘Hoe gaat het?’

‘Niet goed’, zegt de zieke die de eerste dagen zo enthousiast op de ski’s stond. ‘Ik ga nog een keer naar boven’ en weg was hij. Het sneeuwde en sneeuwde, die eerste dagen. En nu is het stralend weer. Kaiserwetter in Frankrijk.

‘Misschien gaat het morgen beter’, zeggen wij. Maar het gaat niet beter. Alle dagen ligt hij in bed. Wij sturen hem foto’s van de gletsjer waar hij ook zo graag naar toe wilde. Halen croissants voor hem waar hij een, twee hapjes van neemt en we zetten kopjes thee. We maken citrosan en legen zijn prullenbak van wolken witte zakdoekjes. ‘Nu ben ik ook nog verkouden’, klinkt het zwakjes uit dat Franse bed. En wij schillen een sinaasappel die er net zo snel weer uitkomt als erin gaat. ‘Nu heb ik ook last van mijn maag’, en de hoop op skiën is langzamerhand vervlogen. De bruine ogen staan klein en dof in zijn gezicht.

‘Morgen, misschien gaat het dan beter’ zeggen wij.

Maar nee, alle stralende dagen is en blijft hij ziek. Ik kijk naar buiten. Het puntje van de berg gloeit in de avondzon als het uiteinde van een gloeiende sigaret.

‘Misschien krijg je het geld van zijn ski’s en de pas terug’, zegt mijn dochter. ‘Max heeft maar twee dagen geskied. In dat slechte weer en met al die sneeuw’, voegt ze eraan toe. Ze kijkt mij aan, haar ogen zo blauw als de Franse lucht.

‘Ik hoop dat hij morgen beter is’, zeg ik. En mij schiet een spreekwoord te binnen. Over de wens en de vader van de gedachte.

Ziek

Op de desolate parkeerplaats kruipt de wind onder de vlindermouwen van mijn jas. Asfalt en stoeptegels zijn doortrokken van vocht, oude regen. Er brandt licht in het grauwe gebouw en als een schaatser onder het ijs trek ik naar dat lichtpunt toe.

‘Buiten de openingstijden kunt u de apotheek via de hal van het ziekenhuis bereiken’ staat op een bordje achter de glazen schuifdeuren die niet opengaan. Ik loop om en draai door de deuren van de hoofdingang. Achter de receptie praten twee dames zachtjes met elkaar. Ze letten niet op mij. Ik loop naar de apotheek waar twee jonge vrouwen achter de balie zitten. Ze lachen beiden vriendelijk.

‘Ik heb heb zojuist de huisartsenpost gebeld. De medicijnen zouden hier klaarliggen’, leg ik uit aan het meisje achter de eerste balie.

‘Ik ga even voor u kijken. Op welke naam en geboortedatum staat het recept?’, vraagt ze. En ik noem de naam en geboortedatum van mijn man.

‘Momentje’, zegt het meisje en ze loopt naar achteren. Ik kijk de lege hal in. Het wachten duurt lang.

‘Het is nog niet gefaxt’, zegt het teruggekeerde meisje. ‘Misschien wilt u even wachten?’ en ze wijst op een lange houden bank tegen de muur.

Een man loopt de lege gang in, kijkt even naar mij op die bank en stapt af op het nummertjesapparaat dat bij de eerste pilaar van de ziekenhuisapotheek staat. Hij loopt op Zweedse klompen. Ze glimmen als twee opgepoetste, zwarte braadpannetjes. Ook ik droeg vroeger Zweedse klompen, het is zo lang geleden, ik kan me de kleur niet meer herinneren. Rood? Geel? Ik peinig mijn hersens maar ik kan er niet opkomen.

De man vraagt om een thermo-band. Het meisje achter de tweede balie bukt en pakt er iets onder vandaan. Het blijkt een voetenbankje te zijn want opeens staat ze wat hoger. Met haar rug naar ons toe reikt ze naar de bovenste plank. Ze pakt een rechthoekige, kartonnen doos. ‘Therma care’ staat er op.

‘Twaalf euro en vijf cent’, zegt het meisje.

‘Dat is niks’, zegt de man

‘Is het voor uzelf?’, vraagt het meisje.

‘Nee, voor mijn vrouw’, antwoordt de man. Monter loopt hij weg, op zijn klompen, de doos onder zijn arm geklemd.

Nu wenkt het meisje van balie één mij. ‘Hier zijn de medicijnen. Twee maal per dag een capsule’ en ze wijst mij op het doosje. Twee A-4tjes met uitleg en bijwerkingen vouwt ze in tweeën en ze overhandigt mij het doosje en de papieren.

‘Werken jullie nog met een fax?’, vraag ik, ‘Mailen jullie niet met de huisartsenpost?’

‘Nee, alles gaat per fax’, antwoordt ze, ‘Alleen hebben ze dat nu nog niet gedaan. Ik heb gebeld en ik geef de medicijnen nu maar zo aan u mee.’

‘Nou, bedankt’, zeg ik en ik vervolg mijn weg, op die grauwe zondagochtend, naar de onbeweeglijke man thuis.

‘Het zijn er maar vier’, zegt de man. ‘Dat is echt te weinig.’

‘Je mag er maar twee per dag, morgen is het maandag dan kijken we wel verder.’

Beneden zoek ik op wat ‘Therma care’ is. Een op te warmen band voor de rug. Ach, de vrouw van klompenman heeft ook rugpijn. En in zekere zin is dat een troost.

Gelukkig nieuwjaar

I was just sitting there doing ‘Getting better all the time’ and John just said in his laconic way, ‘It couldn’t get no worse,’ and I thought, Oh, brilliant! This is exactly why I love writing with John…

— Paul McCartney (1997)

Zo lamlendig als nu begon nog geen enkel nieuwjaar. Een plotseling opkomend gevoel van algehele zwakte, gevolgd door een propje in de keel dat maar niet doorgeslikt kon worden. De dag daarop kwam de pijn van de huid, ja, de griep en vermoeid sloot ik mijn ogen.

Het kwam niet goed uit. Fijne, lome dagen in het vooruitzicht met een visschoteltje en lauwwarme oliebollen met krenten en poedersuiker smeltend op zompig deeg. Nog even dat boek uitlezen en die laatste vijf sterren-film bezoeken. Ik berichtte de vriendin waarmee ik naar die laatste film van 2018 zou gaan dat ik ziek was.

‘Ik ben ook niet lekker’, appte ze. ‘Ik lig gaar op de bank.’

‘Wil jij naar de film Shoplifters?’, vroeg ik mijn man, net terug van werk en sporten. (‘Ik doe eerst wat lichtere oefeningen, dan een kwartier boksen, een half uur rennen en daarna nog fietsen.’) Ik keek hem aan vanuit bed, ik slikte het propje dat een balletje geworden was weg, maar dat triggerde een verscheurende hoestbui.

‘Dat klinkt niet goed’, zei hij, ‘Hebben wij nog hoestdrank?’ IJverig trok hij laatjes en kastjes open. Hij trok zijn jas aan en zei: ‘Ik haal hoestdrank, heb je verder nog wat nodig?’ Ik durfde niet nog een keer het balletje weg te slikken.

‘Nee’, knikte ik en ik liet mij zakken in het bed, mijn hoofd op het kussen. Met mijn voet duwde ik de kruik weg. Ik voelde de rubbels in het onderlaken, ontstaan door het alsmaar in bed liggen, het vele draaien, het bed omhoog en omlaag, ik moest het rechttrekken, dat laken.

‘Wil je een nieuwe?’, vroeg mijn man en hij wees op de kruik.

‘Nee’, zei ik.

Intussen vroeg onze dochter via WhatsApp wat wij gingen doen met Oud en Nieuw. Zelf reisde zij van China naar Thailand (‘We gaan naar Bangkok, fietsen naar de Birma spoorlijn, naar het natuurpark waar we olifanten kunnen wassen. Daarna gaan we naar Koh Samui.’) Ik appte dat ik ziek was. ‘Oh echt? Alweer? Je bent vaak ziek’, appte ze terug. Ik vond de kracht om haar te berichten dat ik de afgelopen twee jaar niet ziek geweest was. Daarna viel de conversatie stil.

Onze zoon kwam onverwacht langs.

‘Ik moet mijn onderzoek afronden en ik zit hier zo rustig’, kwam hij zeggen, nadat hij twee treden tegelijk nemend naar boven kwam.

‘Ben je ziek?’, informeerde hij. Ik knikte. ‘Wil je wat hebben?’, vroeg hij.

‘Ik zou wel wat fruit willen’, zei ik, vertederd door zijn goede zorgen. Even later bracht mijn man een volle bak fruit. Stukjes banaan, ananas en kwarten appels.

‘Wist jij dat hij kwam?’, vroeg mijn man.

‘Nee’, zei ik.

‘Vraag of hij met je meegaat naar die film’, opperde ik.

‘Wil je nog wat anders?’, vroeg mijn man. Ik dacht aan een nieuwe kruik. Het rechttrekken van dat onderlaken. Maar ik zei het niet.

‘Nee’, antwoordde ik.

‘Wel opeten he?’ en hij wees naar de bak met fruit.

‘Ja’, zei ik.

‘s Avonds ging onze zoon na het eten ‘Even langs bij J. en daarna ga ik met de bus terug naar Amsterdam.’

Toen hij weg was zei mijn man:

‘Heel gek, hij zei dat hij meeging naar die film en nu gaat hij weg.’

‘Ach, wat een slome’, zei ik, ‘Dat vergeet hij gewoon.’

‘Ik vraag E. wel’, zei mijn man en E. kon.

Daarna werd het Oud en Nieuw. Om 00.00 uur brak een pandemonium uit. Vanuit mijn bed zag ik door het raam sterrenwolken tegen de donkere hemel uiteenspatten, het siste en ratelde. Ik slikte en hoestte.

Vanaf nu wordt het alleen nog maar beter.

Song Dong

Twee Japanse meisjes zitten gehurkt voor de witte muur. Eentje draagt een wollen muts en een lange, flanellen rok boven stoere wandelschoenen. Haar gladde, zwarte haren piepen onder de muts vandaan en vallen stijlvol over haar schouders naar beneden. De muts hangt een beetje achterop haar hoofd, ze ziet er hip en trendy uit.

De meiden giechelen. Nu gaat die ene staan. Ze steekt haar voet uit richting de muur. Dit meisje draagt sneakers, een piepklein maatje. De ander kijkt schichtig achterom naar de suppoost terwijl ze iets lijkt in te drukken op de witte muur.

Ik word nieuwsgierig en loop richting de meisjes. Wat doen ze daar toch? En dan zie ik het. In de witte muur, vlak boven de parketvloer van het museum zijn twee mini-liften ingebouwd. De linker-liftdeuren gaan – na een echt lift-tingeltje – open. Het enorme fototoestel van het sneakermeisje wordt tevoorschijn gehaald. De ander drukt weer op het knopje en giechelend nemen ze allebei foto’s van de open- en dichtgaande lift. Nu wandelt de suppoost richting de meisjes. Naast de liftdeuren staat ‘Do not touch’.

‘Wat zijn ze toch raar…’, zeg ik tegen mijn man.

‘Ja, kinderlijk gedrag’, antwoordt hij.

We lopen door het museum. Hoge, witte wanden, interessante werken, alles zo smaakvol, zelfs de suppoosten zien er prachtig uit. In weer een grote, witte zaal stuiten we op een kleurrijk bouwsel. ‘Through the wall’, lees ik op het bijschrift, van de kunstenaar met een naam als het refrein van een vrolijk kinderlied, Song Dong. Het werk, opgebouwd uit delen van gevonden deuren en kozijnen afkomstig uit oude ommuurde woonwijken – hutongs – in Beijing fascineert ons beiden. Respectvol lopen we om het werk heen en zien onszelf in de spiegels die als glinsterende puzzelstukjes tussen het kleurige hout zijn ingepast.

Het Japanse meisje met de muts en de bergschoenen komt aansloffen. ‘Niet zo sloffen!’ hoor ik mijn moeder zeggen, maar dat is jaren geleden, ik was een kind, zij is allang dood. Mijn man en ik kijken elkaar aan. Het meisje rammelt aan een van de deurtjes en vraagt: ‘Can I open this?’ Een beetje kriegel vanwege zoveel brutaliteit in het serene museum met dit indrukwekkende werk – wie rammelt er nu zo aan een deurtje? Zometeen stort het hele kunstwerk in elkaar – antwoord ik een beetje afgemeten: ‘I don’t think so.’ En wij beiden schudden een beetje strengig ons hoofd. Weer denk ik aan mijn moeder.

Ook aan het tweede deurtje trekt zij, nu een beetje schichtig kijkend naar ons. Onverrichterzake verlaat zij de zaal. Wij lopen nogmaals om het werk heen, denken aan Beijing en de prachtige hutongs waar wij ooit echt doorheenliepen, ik loop naar de tekst op de wand met het verhaal van Song Dong en de beschrijving van ‘Through the wall’.

‘Zodra je het werk betreedt ontvouwt zich de caleidoscopische, weerspiegelende binnenkant.’ Ik loop terug, trek aan de kruk van het deurtje dat opeens lachwekkend soepel open gaat en ik bevind mij in een huisje van glas. Wel 50 gekleurde lampjes hangen op verschillende hoogten boven mijn hoofd. Door alle spiegels lijken het er honderden. Ik maak een foto. En nog een. Ik loop mijn man achterna. Hij is al op weg naar de museumwinkel. ‘Je kan er wel in’, zeg ik.

‘Misschien moeten we dat het meisje vertellen.’ Ik loop terug en bekijk nogmaals ‘de caleidoscopische, weerspiegelende binnenkant.’ Opeens gaat het deurtje open. Daar staat ze. Het sloffende, Japanse meisje. ‘You can enter’, zeg ik, ‘It is beautiful.’

‘s Nachts droom ik over mijn moeder, Spaanse sloffen en word ik de lift ingetrokken, naar beneden, de diepte in, mijn hand klemt zich vast aan de rand van het lichte parket. En ik hoor een tingeltje als van een echte lift. Songdong.

Doos

We stuurden een doos naar Shanghai. Een doos met chocopasta, shampoo, hockeyschoenen en een lippenstift. Een paar repen chocola, scheenbeschermers en dr. Martens-schoenen. Plus een Sinterklaasgedicht. De doos woog 6,78 kg en we plakten een enorm etiket erop met de naam van ons kind en haar adres in het Engels en Chinees. De hoekjes verstevigden we met bruin tape. De doos zou er 9-14 dagen over doen.

Er zijn 18 dagen verstreken. Om de dag scan ik de post.nl-bon met de QR-code en denk ik aan de vrolijke Frans in het tijdschriftenwinkeltje annex postkantoortje die beweerde dat ‘De Chinese post de meest punctuele ter wereld is.’

Magisch is wel het scannen van de QR-code; zodra je de camera boven de code houdt produceert de telefoon als een zelfdenkend wezentje een pop-upje met ‘Open post in safari.’ Als ik daarop klik komt het laatste nieuws van de doos in beeld. Deze is al een paar dagen geleden vrijgegeven door de Chinese douane.

Intussen loopt ons kind vrolijk door Shanghai en op andere plekken in China met poëtische namen als ‘Purple mountains’ en ‘China gate castle park’ rond op zomergympen. Ik maak me zorgen over die dr. Martens-schoenen en de glans-shampoo. Ik kijk eens op de site van post.nl. Ik ploeg mij door het woud van veelgestelde vragen ‘Bedoelt u dat?’ ‘Wilt u zus of zo?’ en pas na vijf minuten vind ik de klantenservice. Te bellen vanaf maandag en dat is jammer want nu is het zondag. Maar hé, ik kan via Twitter of Facebook met post.nl contact opnemen!

‘Onze collega’s bij Twitter en Facebook zitten voor je klaar!’ En dat is ook magisch, twitteren op zondag met post.nl!

Ik post een tweet (beleefde vraag) en nog één (track & trace-code). Het blijft angstvallig stil. Ik denk dat het misschien lunchpauze is voor de post.nl-er met twitterdienst.

En nu komt binnenkort een nichtje op bezoek bij ons kind in Shanghai.

‘Kan zij nog wat meenemen voor je?’ vragen wij haar.

‘Ik stuur zo een lijstje!’, stuurt ze terug, ‘Ik loop net naar het station van Nanjing.’

Even blijft het stil. Maar dan krijgt haar vader een bericht.

‘Maak even een foto van mijn kledingkast dan omcirkel ik wat ik nodig heb.’

Zuchtend gaat mijn man naar boven. Hij blijft drie kwartier weg. Daarna komt hij zuchtend naar beneden.

‘Zo, daar ben ik de hele tijd mee bezig geweest. ‘Nee, die broek niet, die zit kut.’ ‘Nee, dat shirt rechtsboven in de kast, nee, die niet!’

‘Ze wil ook een boek, weet jij waar dat boek is over Selma?’

Nu zucht ik.

Ik spiek op Twitter. Nog niks over de doos.

En dat is ook kut.

Retro

Na de film wil ik een kopje koffie. Ik sta hiervoor in een onduidelijke rij, eigenlijk meer een horizontale opstelling achter een hoge toonbank. Twee meisjes zetten kopjes thee en koffie. De koffiemachine maakt een hels lawaai.

‘We hebben gewone thee, earl grey, jasmijnthee, muntthee’, somt het ene meisje op.

‘Muntthee graag’, zegt de dame naast mij. Zij draagt een bontgebloemde sjaal over haar zwarte coltrui. Haar lippen zijn donkerrood gestift.

‘Heeft u ook tosti’s?’, vraagt de keurige dame.

‘Alleen een tosti met kaas, heel eenvoudig dus’, antwoordt het meisje enigszins verontschuldigend. Ik zie haar ongelakte nagels, netjes geknipt en gevijld. Witte maantjes. Haar ene hand houdt de glazen mok muntthee aan het oor vast. De ander ondersteunt. ‘Nee, dank u’, zegt de dame, ‘Ik houd het bij de thee.’

Als ik denk aan de beurt te zijn wordt een andere keurige dame geholpen. Ik ga eerst maar even de stad in.

Gisteren sprak ik onze dochter in China. Met de ontsteking aan haar voet ging het goed, ze liet het me zien. ‘Ik kan er net weer een beetje normaal op lopen’, zei ze. ‘Dus ik wacht nog even met die ingreep.’ Hier kon ik van alles tegenin brengen maar ik deed het niet.

‘Ik ben mijn lippenstift kwijt’, vertelde ze. ‘Die dure van Mac, retro. Ook heb ik mijn hockeyschoenen nodig en weet je hoe duur een pot Nutella hier is?’ Ze keek mij via FaceTime aan. In haar ogen zag ik het kind dat zij ooit was. ‘Nee’, antwoordde ik.

‘Wel 120 yuan’, zei ze, ‘15 euro!’

‘Zo’, zei ik.

‘En ik zou ook wel mijn dr. Martens-schoenen willen hebben’, ging ze voort, ‘Het is hier ijskoud.’

‘Ja, die durf ik niet op te sturen hoor’, zei ik. ‘Vorig jaar kwam dat pakket ook niet aan.’ En ik dacht aan al het gedoe rond het Sinterklaaspakket dat in de zomer na allerlei vergeefse Chinese omzwervingen weer bij ons thuis arriveerde.

‘Er zit nu hier een mannetje’, vertelde ons kind. ‘Hij neemt pakjes voor alle buurtbewoners aan, hij appt me als het er is.’ En ze lachte.

En nu loop ik in de stad. Een nieuwe Mac retro zit in mijn tas. Ik wil een kop koffie. Ik kies een zaak uit met kleine tafeltjes. Hier valt het niet op dat je alleen bent. Een jong meisje neemt de bestelling op.

‘Wat wilt u drinken?’, vraagt ze.

‘Ik wil graag een café latte’, zeg ik.

‘Anders nog iets?’, vraagt ze. En omdat het zo kaal staat – een kopje koffie – en omdat het lunchtijd is en omdat ik gek genoeg na al die jaren het niet kan laten iets bij te bestellen zeg ik: ‘Ja, doe maar een croissantje erbij.’

‘Een croissantje met boter en jam’, noteert het meisje. Ze is knap, ze heeft een rond gezicht, volle lippen. Haar jonge lijf in een strakke, zwarte broek met daarboven een soepelvallende wit-zijden bloes.

Ach, ik verheug mij op het croissantje met boter en jam. Het arriveert als ik mijn kopje koffie bijna op heb. De croissant ligt op een plankje. De jam glinstert in de zon. Ik peuter de zoute boter open. Een klein beetje boter en een tipje jam smeer ik op het puntje dat ik voorzichtig afsnijd. De croissant is koud en een beetje taai. Teleurgesteld eet ik het op. Het houten plankje laat ik – bezaaid met kruimels – achter.