Zacht

‘Waar Julia ook naar toe ging, haar dekentje ging mee. Het was haar kostbaarste bezit. Terwijl Julia steeds groter werd, werd haar dekentje almaar kleiner: er werd op gekauwd en over gelopen en het raakte versleten. Een flink stuk ging verloren onder de grasmaaier.’

Uit: Het rode wollen dekentje, Bob Grahame, Koos Meinderts

De poes staat voor het raam, ze wil naar binnen. Ze drentelt heen en en weer op de smalle bovenrand van de tuinbank. De houten bank slijt. Een plank zit los. En nog een. Misschien gaat ie nog één zomer mee.

De poes kijkt naar binnen, haar kop staat in een hoek van 45 graden ten opzichte van haar soepele lijfje. Ze miauwt. Ik loop naar de deur. Ze wringt zich langs mij heen.

Ik kijk naar buiten, naar de bank die zijn beste tijd heeft gehad. Naar het blad van de druif dat geel verkleurt, de druifjes zelf, verschrompelend aan knoestige takken. Boven de pergola steekt een witte roos uit. Een roos in oktober.

De poes wil naar boven. Ze draait haar lijfje en maakt misbaar.

‘Ze mag niet naar boven’, zegt mijn man. Hij zit op een stoel aan de tafel. Rechtop en de stoel goed aangeschoven want hij heeft last van zijn rug.

‘Ze mist Juul’, zeg ik en ik loop naar de gang, naar boven en doe de deur van haar kamer open. De poes wringt zich langs mij heen. Ze miauwt.

‘Mis je haar?’, vraag ik. De poes springt op het bed waar ik eerder al het dekentje op legde. Het zachte blauwe dekentje. Na 24 jaar nog steeds blauw en zacht. Zonder dekentje werd er niet geslapen. Ze nam het met satijnband-gezoomde hoekje tussen duim en wijsvinger, voelde de stof en sloot haar ogen.

Een keer bleef het dekentje na een logeerpartijtje achter in een ver huis. Het kind was ontroostbaar. Ze sliep niet, hoeveel zachte stofjes, handdoeken en zacht-wollen truien we haar ook aanreikten.

Nu vleit de poes zich op het dekentje neer. Haar lijfje gedraaid in een zachte komma. Ik loop naar beneden. Mijn man zit rechtop in zijn stoel aan de tafel. Zijn telefoon ligt voor hem.

‘Vanmiddag belt ze’, zegt hij.

Advertisements

Cursus

Ooit volgde ik een schrijfcursus. Daarvoor reisde ik naar Den Haag met een bal in mijn buik. In de hal van het Letterkundig Museum werd ik pas echt zenuwachtig. Wat als het niks was? Wat als ik door de mand viel? Wat als het rare mensen waren?

Het liefste had ik mijn jas aangehouden en was ik teruggegaan. Maar ik hing mijn jas op aan een haakje in de garderobe.

‘U komt voor de cursus?’, vroeg het meisje achter de kassa van de museumwinkel. Ik knikte.

‘Dan gaat u deze deur door, de trap naar beneden en dan is het de derde deur rechts achter in het gangetje.’ Schoorvoetend vervolgde ik mijn weg. De deur door, de trap af, het gangetje in, de derde deur rechts.

Het was alsof ik in een doolhof belandde, het doolhof der letteren. De trap was van ijzer, de muren waren wit. In het voorbijgaan zag ik foto’s van schrijvers, vanuit de ruimte beneden klonken kinderstemmen. Dat was het Kinderboekenmuseum met die half-open kamertjes, ruimtelijke hommages aan kinderboekenschrijvers. Het mooiste kamertje was van schrijver en tekenaar Siep Postuma. Zijn hondje Rintje was groot op de wand getekend. Maar Siep was dood. ‘Ik ken het zwart maar kies het licht’, zei Siep eens in een interview. Toen hij 54 jaar was koos hij voor zwart.

In de ruimte achter de derde deur hadden zich een paar mensen verzameld. Allen wilden ze schrijven en daarvoor kwamen ze acht zaterdagmiddagen bij elkaar.

‘Pak gerust wat thee of koffie’, zei de docent die ik netjes een hand had gegeven. Ik pakte thee. Morste een beetje met het lekkende zakje dat ik op een schoteltje legde. Drie druppels vielen uiteen op de witte tafel. Nadat ik er met mijn vinger overheen veegde werden het langgerekte vlekken. Volgens mij zag niemand het. Ik nam geen koekje want ik wilde geen mond vol kruimels als mij iets gevraagd zou worden.

Ik weet niet of we elkaar een hand gaven. Of een voorstelrondje deden. Ik denk dat laatste. Er was een journalist. Een filmer. Een eigenaar van een adviesbureau. Een blinde dame met een hond die direct zei de hond niet te aaien. ‘Ze is aan het werk voor mij en ze mag niet worden aangehaald.’

‘We schrijven deze periode allen een afgerond verhaal’, begon de docent. De docent sprak over perspectief, stijl, opbouw.

De acht zaterdagen bleken oases in de woestijn van het leven van alledag. Zo ontstond het verhaal van de papegaai, het verhaal over een meisje dat door een korenveld rende en het verhaal van Rebecca, achtergelaten in haar kinderstoel op een Amsterdamse woonboot. We werden er stil van. De schrijfster vertelde dat het in het echt nog erger was waarop de docent vertelde dat je de realiteit soms moest afzwakken om geloofwaardig te blijven.

Onbevangen, niet gehinderd door regels, redacteuren en verkoopcijfers schreven en schaafden wij aan ons verhaal. Wij lazen mee met de ander. Wij hielpen elkaar en slepen elkaars teksten fijn.

‘Ik ben een Rotterdamse en ik hoop dat je het niet erg vindt als ik rechtstreeks ben’, zei de journalist. ‘Maar als je die clichés eruit haalt dan wordt de alinea beter.’ In de trein terug haalde ik de clichés eruit en de tekst werd beter.

Na acht zaterdagen waren onze verhalen af. Onze docent glom. ‘De verhalen zijn allen publicabel’, zei ze. We keken elkaar aan. We waren niet door de mand gevallen.

Keet

Soms valt er even niet zo veel te vertellen. Het leven kabbelt voort, de kinderen gaan het huis uit en keren weer terug. Boemerangkinderen, je gooit ze weg en dan, opeens, zijn ze er weer. Gelaten vang je ze, suizend in de lucht, op.

‘Hoe gaat het?’, vraag ik onze dochter die om 9 uur ‘s ochtends woest tikkend op haar toetsenbord tekeer gaat met naast haar een uitgeprint document vol gele en roze markeringen. Aan de andere kant van de laptop ligt haar telefoon waarop continu berichten verschijnen, die mij zacht trillend afleiden van de ochtendkrant.

‘Goed’, zegt ze en ze tikt woedend verder, af en toe kijkend naar de prints en de telefoon.

Gisteren was onze zoon op bezoek met zijn vriendin. Hij woont sinds een paar weken in een kamer van een vriend die anderhalve maand weg is. Onlangs bezochten wij hem. Bij het bestijgen van de drie trappen – onze kinderen wonen altijd op bovenste etages als ze op kamers verblijven – werd de poezengeur doordringender. De vier jongens hebben een kat, een kitten is het nog. ‘Ze pist overal’, had onze zoon al somber gemeld. Het poesje heet Keet. Mijn man dacht Kate naar Kate Bush, ik dacht meer aan de hippe Amsterdams meisjesnaam, Keet. Zeker weten we het dus niet. Keet of Kate had ‘Gvd vanochtend op mijn bed gepist’ vertelde onze zoon. In het piepkleine keukentje ratelde de wasmachine met zijn beddengoed.

‘Op hoeveel graden was je het?’, informeerde mijn man.

‘40 graden’, antwoordde onze zoon. Mijn man adviseerde het beddengoed nogmaals te wassen maar dan op 90 graden.

We gingen zitten op de comfortabele bank die bijna de hele kamer in beslag nam.

‘Waar is Keet?’, vroeg ik.

‘Die zit onder de bank’, antwoordde onze zoon. We zagen haar niet.

‘Ze verdwijnt altijd als er wordt gezogen’, zei hij. Aha, hij had dus schoongemaakt.

‘Ja, ik heb ook achter de bank gezogen’, vertelde hij, ‘Daar was een soort van biotoop ontstaan.’ En hij lachte.

Onze zoon leidde ons rond. In zijn leen-slaapkamer paste precies een twijfelaar en een kast. ‘Zo, mooi hoor’, zeiden wij.

In een andere slaapkamer vloog een flinke zwerm vliegjes om de lamp, evenals in de huiskamer.

‘Ja ik weet niet hoe dat komt’, zei hij, ‘Ik deed het raam open en opeens waren er allemaal vliegjes in de kamer.’ Op het balkon stonden vier opgestapelde, lege kratjes. Voor de deur in het halletje stonden er ook vier. In de huiskamer, waar een grote televisie de ruimte domineerde, stond een vitrinekast te zoemen met blikjes bier erin. ‘Reuze handig’, vertelde ons kind, ‘Al maakt ie wel veel lawaai.’

Omdat hij bijna jarig was gaven we hem alvast cadeautjes. Hij was er erg bij mee. ‘Kom, zullen we wat gaan drinken?’, vroeg hij en we gingen wat drinken. Bij het steile trapje voor de deur vertelde hij dat een van zijn huisgenoten daar van afgevallen was. ‘Hij had een lichte hersenschudding’, lachte onze zoon. ‘De sukkel.’

Trots liep hij ons voor, de Amsterdamse straten door. Toen ik een aardig tentje aanwees zei hij dat dat een heel duur restaurantje was. ‘Verderop is een leuke’ zei hij, man van de wereld. Braaf liepen wij achter hem aan. Op een Amsterdamse stoep dronken wij café latte, spraken vader en zoon over voetbal en praatten wij over zijn laatste tentamens en de aanstaande reis naar Bolivia.

Op de terugweg liepen we langs een dierenwinkel. ‘O, wacht, ik moet even een kammetje halen voor Keet’, zei hij en we liepen het zaakje in. Een oudere dame was een stapel blikjes met kattenvoer aan het tellen. Wij wachtten tot zij klaar was. Het duurde even.

‘Heeft u een kam voor een kitten?’, vroeg onze zoon.

‘Nee’, zei de vrouw nors. ‘Wel voor een kat, daar zit namelijk geen verschil in.’

‘O’, zei onze zoon.

‘Heeft u misschien van die kleefrollen voor vliegjes?’, informeerde mijn man. Achteloos wees de vrouw naar achteren. ‘Als we die hebben liggen ze daar’ Voor de vorm keken we, ze lagen er niet.

Gelukkig was er nog een dierenwinkel in de buurt. Een aardige vrouw had een kleine poezenkam en kleefstrips voor vliegen.

‘Hoe kom je aan vliegen?’, vroeg ze. ‘Ligt er soms fruit in de kamer of iets anders zoets?’

‘Alleen een paar lege bierkratten op het balkon’, zei mijn zoon. De vrouw lachte en zei dat aan de hals van de flesjes zoet achterblijft waar vliegjes op af komen.

‘Dus misschien moet je de kratten wegbrengen’, adviseerde ze lief.

En nu was onze zoon weer even thuis. Over een dikke week vertrekt hij met zijn vriendin naar Bolivia.

Hoe is het met Keet?’, vroegen wij.

‘Ze pist nog steeds overal in huis’, vertelde hij. ‘Maar ik kan die kamer misschien huren vanaf 1 juli en daar blijven. Ik denk dat ik dat maar doe.’

‘Hoewel huur betaal je?’, informeerden wij.

‘550 euro inclusief’, zei hij.

‘Nou’, zeiden wij. ‘Doen!’ En we zeiden niets over een slaapkamer overvol met bed en kast, vliegjes rond de lamp, een beplast dekbed, een kitten onder de bank en een biotoop erachter.

‘Heb je Keet nog gekamd?’, vroeg ik.

‘Ja’, zei hij. En zijn vriendin voegde eraan toe, ‘Het is een schatje.’

Net voor het acht uur journaal komt onze dochter thuis. Met in haar ene hand de tas met laptop, in de andere hand twee zakjes van de snackbar. Ze ziet er moe uit.

‘Hoe gaat het?’, vragen wij.

‘Goed’, zegt ze.

En zo kabbelt het leven voort.

Stijl

Iemand die je niet goed kent

Gedag zeggen

Haar blik vangen

Aarz’lend gaat mijn hand omhoog

Die wat haren voor mijn oog

Nog zou kunnen wegstrijken

Met een achteloos gebaar

Maar ze knipoogt

En ik zwaai

Ooit gaf ik een presentatie. Vóór mij was een collega aan de beurt. Ik kende haar niet zo goed. Ze was lang en had een mooie glimlach. Zij zat tegenover mij, aan de andere kant van de zaal. Naast mij zat een andere collega. Zij was hoogzwanger maar zou toch wat vertellen over haar nieuwe afdeling.

Wij allen hadden te horen gekregen dat het vooral ‘kort’ moest zijn. ‘Niet meer dan tien minuten’, was ons verteld. En het gehoor was sceptisch. Dat zagen en hoorden we voordat wij wat mochten zeggen.

‘Ik ben blij dat Roos eerst moet’, fluisterde ik mijn collega in het oor. Zij knikte. En wij gingen door met luisteren.

Toen Roos achter het spreekgestoelte plaatsnam en de powerpoint geïnstalleerd was startte zij met haar verhaal. Het ging over huisstijl. Dia’s met gekleurde letters buitelden over elkaar heen en zij vertelde daarover kort en bondig wat er over te vertellen viel. Binnen de tijd was zij klaar.

‘Heeft u misschien een vraag?’, vroeg zij. Haar lange haar schoof zij met een elegant gebaar uit haar gezicht. De muur van scepsis had zeker een vraag.

‘Hoeveel heeft dit gekost?’, was de vraag. Het woord ‘grapje’ werd niet aan de vraag toegevoegd maar dat dachten wij er allemaal zelf bij.

‘Weet u dat?’, was de vervolgvraag. Zij wist het. Bijna onmerkbaar knikte zij even naar de achterban voor bevestiging.

Ik weet niet meer precies wat het bedrag was. Maar het was lachwekkend weinig voor de professioneel vormgegeven letters en woorden waar wij jaren onze identiteit aan konden ontlenen en plezier van zouden hebben. Het antwoord kwam zo netjes, zo mooi getimed, zo zonder triomf.

En toen was ik aan de beurt. Achter de door Roos half afgebroken muur kon ik in de verte kijken. Ook ik was binnen de tijd klaar en beantwoordde netjes alle vragen.

Mijn zwangere collega sprak als laatste tot een gehoor dat oprecht geïnteresseerd luisterde en vragen stelde. Zij nam en kreeg meer tijd. De muur was gevallen.

En nu rest alleen nog de knipoog die we gaven aan elkaar, die avond over de mensen in de zaal heen, over die afgebroken muur.

Eén van ons drieën is er niet meer. Wij beklimmen nu zelf alle muurtjes.

Dag Roos.

Nu Even Niet

Wieringerwaard,

Klei en gras en wind

Het weiland van sloot tot sloot in kaart

Ook voor wie hier woont

‘t Wordt nooit gewoon

De Wieringerwaard

Wolken, wit en wijds

Bij molen De Hoop

Antiek te koop

En voor de rivier

Staart Potters stier

Naar Wieringerwaard

Rob de Nijs

(tekst Jan Rot, muziek Jacques Revaux)

Kaarsrechte wegen staan haaks op elkaar en het land is verdeeld in precieze rechthoeken alsof Iemand ooit met veel plezier de geodriehoek hanteerde. Alle hoeken op 90 graden. Recht. En. Duidelijk.

Ik rijd door de polder op zoek naar rust en ruimte. Een droom van vrijstaand wonen met uitzicht op veranderende wolkenluchten, sappig groen met een zwart-witte waas van koeien, wol-wattige schapen en mekkerende lammetjes.

Thuis bleven drie familieleden verstomd achter.

‘Weet je hoe lang je erover doet om daar te komen met het openbaar vervoer?’, vroeg mijn dochter.

‘Als jullie dat willen moet je het doen’, zei mijn zoon. ‘Zelf zou ik graag later hier wonen’, vulde hij aan. En hij keek om zich heen in zijn huis, ons huis nu.

Mijn man zei niets. Hij heeft ook de droom van rust en ruimte. Alleen gaat dit te snel. En ik? Ik moet van mijn onrust af, mijn verliefdheid op dit huis, dat uitzicht, die werkkamer.

Ik draai na de kruising van twee kaarsrechte wegen een oprit op. Het grind knarst zacht onder de wielen van mijn auto. Door de voorruit zie ik achter het huis een vrouw staan. Twee nieuwsgierige meisjesgezichten steken hun hoofd om het hoekje van de woning. De vrouw heeft een hond aan een lijn. Als ik uitstap loopt ze me tegemoet. ‘Ik wacht op de makelaar’, zegt ze.

‘Ja, ik ook, zeg ik, ‘Jaag ik jullie nu het huis uit?’

‘Ik blijf liever niet bij een bezichtiging’, antwoordt de vrouw.

‘Nee, dat snap ik,’ zeg ik en ik vraag: ‘Wonen jullie hier allang?’

‘Wij komen uit Amsterdam. Wij wilden de kinderen rustig laten opgroeien, zonder wachtlijsten voor scholen en zwemlessen.’

‘Tja, dat snap ik’, zeg ik weer.

Ik heb nog 100 vragen aan haar maar het lijkt me niet gepast deze te stellen. We staan bij elkaar als twee onwennige pubers op hun eerste schooldag.

‘Ik zag dat hier een servicepunt is van de bibliotheek’, merk ik op, ‘En er is een Spar’.

De vrouw kijkt mij aan. ‘Er is ook een mooi zwembad’, zegt ze.

‘Blijven jullie hier wel in de buurt wonen als het huis verkocht is?’ vraag ik nieuwsgierig.

‘Ja’, zegt de vrouw en ze kijkt op haar horloge, ‘We zouden niet meer kunnen wennen aan een stad als Amsterdam. Kijk, daar is de makelaar.’ Een bebrilde dertiger hupt uit de auto die hij naast het huis parkeert. ‘Hier is de sleutel’, zegt de vrouw en ze zegt mij gedag. Zijzelf, de hond en kinderen stappen in de auto en ze rijdt weg.

‘Zo, laten we eerst hier maar even gaan zitten’, zegt de makelaar.

We zitten op twee gemakkelijke stoelen achter de woning. Ik kijk uit over groen land, in de verte glinsteren rode tulpen. De zon schijnt. Beukenheggetjes verdelen de brede tuin in, ja, weer rechthoeken.

‘Het is een mooie dag’, zegt de makelaar. ‘Kom, laten we kijken. Het huis is met veel liefde opgeknapt.’ En we lopen door het huis van de vrouw met de hond.

Het stadje vlakbij, de kust met het dorp dat zo lijkt op het Zeeuwse dorp waar we ooit vakantie vierden, de ruimte en rust, geen wachtlijsten en een ‘actief verenigingsleven’, dit alles spookt op de terugweg door mijn hoofd.

Ik kijk voortdurend op het klokje hoe lang het rijden is. Lang.

‘Wij werken beiden in de buurt waar wij wonen’, vertelde ik de makelaar. ‘En het is een eind rijden.’

‘Hier is ook werk’, zei hij en ‘Waar krijg je deze ruimte?’

Thuis won de realiteit het van de droom. En ik probeer maar niet meer te denken aan die poes op de gekleurde poef in de werkkamer, het glinsterende veld met rode tulpen en het gras dat daar toch echt groener is.

Het pleidooi

Op de deur van het lokaal hangt een plakkaat. ‘Stilte a.u.b. i.v.m. pleitoefening’.

We staan in het halletje voor het lokaal. Een groepje studenten staat om het hoekje, ze wiebelen nerveus op de hakken van hun schoenen. Ze lachen en zeggen ‘Ik heb liever drie tentamens dan dit’ en ‘Ik had dit nooit verwacht’.

Onze dochter ziet ons en loopt op ons af.

‘Ik ben als laatste aan de beurt’, zegt ze. ‘Maar jullie kunnen luisteren naar het tweede groepje. Daarna kom ik.’

Er staat nog een ouderpaar in het halletje. Als we het lokaal in mogen valt het plakkaat van de deur. De vrouw van het andere paar pakt het op en drukt het tegen de deur. Nu hangt het plakkaat scheef. De plakbandjes zijn stoffig en kleven nauwelijks meer.

We luisteren naar een fictieve rechtszaak over hulp bij zelfdoding. Drie in toga gehulde rechters geven het woord aan een jongen met baardstoppels, onwennig staand voor het katheder in een geleende toga. Hij neemt de rol van officier van justitie op zich. Op het whiteboard achter de rechters hangt een A-4-tje met een afbeelding van de koning. De jongen start zijn betoog. En ik herken het verhaal.

De dag ervoor oefende onze dochter haar officier-van-justitierol met mij.

‘Mijn verhaal moet echt binnen tien minuten klaar zijn en klok het alsjeblieft met de stopwatch-functie’, instrueerde ze mij. Ik zat op bed. Zij stond achter de strijkplank. Rechts op de strijkplank lag een stapel ongestreken kleding. In het ijzeren mandje links hing de strijkbout. Na twee keer oefenen, schrappen en timen en een maal de slappe lach duurde het betoog acht minuten en tien seconden.

Willem-Alexander staart mij aan; de afbeelding is geplastificeerd dus de koning glimt een beetje. De middelste rechter interrumpeert twee maal het betoog van de jongen. Rustig beantwoordt hij de vragen. Zijn rechter-gymschoen wipt op en neer. Het randje van de toga beweegt licht mee. De zoom is afgezet met glanzend-zwart biaisband. Ik sterf intussen duizend doden.

‘Nu ben ik wel zenuwachtig’, vertelde mijn dochter mij in het halletje. ‘Je moet ook onverwacht vragen beantwoorden en elkaar van repliek dienen.’

Na het betoog van een meisje dat als advocaat een paar keer haar tekst kwijt raakt schuifelen we achter elkaar het lokaal uit. De deur gaat dicht. ‘Nu beraadslagen ze’, legt mijn kind mij uit. Ze trekt de leen-toga aan. De mouwen zijn zeker twintig centimeter te lang.

‘Wacht, ik vouw ze om’, zeg ik, ‘Anders kan je je notitie niet eens uitdelen.’

En daar staat ze. Achter het katheder. Ze deelt haar pleitnota uit aan de drie rechters en haar mede-student die de advocatenrol op zich neemt. Ze schenkt een bekertje water in. Haar hand trilt niet. En dan start het strijkplank-requisitoir. Twee keer krijgt ze een vraag. Ze beantwoordt deze gedecideerd. Ze haalt het Heringa-arrest aan. Ze eist negen maanden gevangenisstraf waarvan drie voorwaardelijk voor hulp bij zelfdoding. ‘Er is een maatschappelijke en politieke discussie gaande over euthanasie en voltooid leven, maar het is aan de wetgever om de wet aan te passen. Zo lang dat niet gebeurt hanteren wij de nu geldende wetgeving.’

En Willem zag dat het goed was.

Henk & Harry

Handeling: conversatie in de infinity pool

Plaats: Willemstad, Curacao

Tijd: 7 april 2018

Harry

We sijn naar het netjonel park gewees, nou dat was niet echt bijsonder. Er stoan een poar flamingo’s in het water

Henk

We hebben ook de flamingo’s bekeken, de Aloë Vero-plantage én de struisvogels op één dag…., vink, vink, vink!

Harry

We werde gistere langs drie lekkere strandjes gebroch met de bus, lekker makkelijk, overal een uurtje sitte en met de luns werden we bij een restaurantje gedropt, ook lekker makkelijk

Henk

We zijn in dat park geweest, dat natuurpark, Christoffel geloof ik, nou, dat was ook niet veel bijzonders. Heuvel op, heuvel af, het was maar goed dat ik geen automaat gehuurd had, daar kom je die hellinkies niet mee op, man!

Harry (ziet een voorbijvarend cruiseschip)

Das ook lekker, so’n croes…. Lekker ete, op s’n tijd eruit en dan weer lekker fare…Op die schepen werken trouwes alleen maar Filipijnen, joh

Henk

In mei gaan wij altijd naar Griekenland, daar is de zee net zo blauw als hier. En het eten is ook veel goedkoper. Nou hebben we daar als Nederland natuurlijk flink aan meebetaald destijds

(…) Korte stilte

Henk

Wij wonen zelf in een dorp in Twente, lekker rustig. Wij hadden in dit hotel zo’n kamer aan de voorkant, wat een herrie. Dus ik heb het meteen maar even geregeld, de kamer omgeboekt. Een upgrade was het, het kostte wel wat geld, maar dat heb ik ervoor over. Wat een herrie ‘s nachts. Waar woon jij?

Harry

Wij wone an de kust.

Henk

Nou, dat is lekker wonen, zo dicht bij het strand

Harry

In Nederland regent het altijd, nooit ken je naar het strand om effe fijn te sitte.

Henk

Weet je waar het duur wonen is? In Zwitserland! Dat komt door de huizenprijzen, die zijn enorm hoog daar.

Harry

Dat stucwerk hier op die huise.., mot dat nou zo? Je ken toch beter met bakstene werke? Wat een ferstand…

Henk

Tja, dat heb je in dit soort apenlanden