Overgang

image

De kinderen zijn groot. Er valt thuis weinig meer te redderen en te knuffelen. Tegen het vijftigste levensjaar schijnt de hormoonspiegel aardig te vervormen. Sommige vrouwen krijgen een onbedwingbare zin in het knuffelen van baby’s. Maar kleinkinderen, dat duurt nog wel even.

Drie jaar geleden werd ik verliefd op de screensaver van collega L. Die mij, nog voordat ik op mijn werkplek was teruggekeerd, een foto-serie mailde, een raskenmerk ‘ze zijn net zo trouw als hondjes!’, en meldde dat ‘de fokker weer een nestje kreeg.’

Heel vrijblijvend gingen Julia en ik kijken. Naar het pasgeboren tweetal. Heel verstandig keken we toe en we wisten het meteen: ‘deze horen bij ons.’

Heel verstandig brachten we het thuisfront op de hoogte. Die al een paar jaar wekelijks een caviahok had verschoond. Die zo netjes is. Die echt niet zat te wachten op welk knuffeldier dan ook. Maar we hielden het idee levend. We gingen nog een paar keer kijken. Die twee buitelden het ene moment over elkaar heen, het andere moment lagen ze ineengestrengeld uitgeput in elkaars pootjes. Aanbiddelijk. En gedoseerd enthousiast vertelden we thuis hoe lief, leuk, schattig en zindelijk ze waren. Hoe mooi ook. Met een echte stamboom.

Langzamerhand veroverden we het thuisfront. Niet opgewassen tegen zoveel hormonaal ingegeven vasthoudendheid. En allang blij dat het niet iets ergers was: een hondje bijvoorbeeld.

En nu zijn ze er. Niet meer weg te denken uit ons huis: Saar Bijou en Moos Balthasar, onze twee Siberische boskatten. Moos terroriseert met zijn 7,5 kilogram de hele kattenbuurt. Saar huppelt ernaast en is gauw verdwenen als het echt spannend wordt. Deze week gaan ze op de foto Een echte fotograaf meldt zich hier thuis en we hopen maar dat onze boskatten op tijd binnen zijn.

De knuffelhonger is gestild.

Suikerfeest

image

Een paar dagen geleden komt even, heel even, tijdens het korte bestand tussen Hamas en Israël het gewone leven in Gaza weer op gang. Ik zie oranje sinaasappels, rode tomaten en stralende courgettes liggen op de kraampjes van de markt in Gaza stad. Mensen die haastig op het zonovergoten plein boodschappen doen. Geld opnemen bij de bank. Snel, snel.

Ik lees kort daarna op Nu.nl dat, een paar minuten voor het aflopen van het 4-urige bestand, de eerste drie raketten weer afgevuurd zijn op Israël.

De markt stroomt snel leeg. Tomaten liggen vertrapt op de stenen. De sinaasappels rollen over straat. En iedereen zit weer binnen. Te wachten op wat komen gaat.

Een bom op de wijk, de straat, het huis, soldaten, die huis voor huis doorzoeken en met de grond gelijk maken. Er zijn vele mogelijkheden de angst werkelijkheid te laten worden.

Hamas blijft vuren vanuit de woonwijken en vanachter zijn eigen burgers. Die lijden. Israël slaat terug. Hard en meedogenloos. Beide partijen handelen naar hoofdstuk 1 van de handleiding ‘Hoe escaleer ik een conflict?’ Men is nu bij paragraaf 2, derde bullit: ‘Hoe doe ik de ander het meeste pijn?’

Wie bepaalt dat zinloze afvuren van raketten op Israël? Wie trapt in de val van ‘oog om oog, tand om tand?’

De wereld ziet met lede ogen aan hoe dit conflict uit de hand loopt. Meer dan duizend Palestijnen zijn gedood. En meer dan vijftig Israëlische soldaten. Vaders en moeders aan beide kanten rillen van angst om hun zonen en dochters.

Zo lang als ik leef sluimert het in het Midden-Oosten en suddert de oorlog, soms op een wat lager pitje, door. Het oorspronkelijk pittige en heerlijk gekruide gerecht, het boeiende en kleurrijke Midden-Oosten, is nu door- en doorgaar. En niet meer te eten.

De markt in Gaza stad ligt er eenzaam en verlaten bij. De jongeren op het strand in Tel Aviv, bruin en stoer, vertellen dat ze zich morgen moeten melden bij het leger. ‘We vieren nog maar even deze dag. Liever blijven we hier.’ Vlak voor Tel Aviv wordt een raket onderschept.

Op het strand is het stil. De zon gaat langzaam onder. Er is dit jaar niets zoets aan het Suikerfeest. Vaders en moeders aan beide kanten rillen van angst om hun zonen en dochters.

Schoenen

image

In het voorjaar zag ik op La Palma, in het verrassend mooie stadje Los Llanos de Aridane, prachtige sandaaltjes van het Spaanse merk Camper. Zwart, comfortabel en met een hakje. Maar duur. Dus niet gekocht.

Thuis zweven de sandaaltjes in mijn hoofd. Soms raken ze op de achtergrond. Werk, afspraken, dagelijkse dingetjes. Opeens worden ze weer belangrijk. Vooral in de vakantietijd, waarin het hoofd leger en leger wordt. Als de zon schijnt. Als ik een zwart jurkje aan wil en ik zwarte sandaaltjes erbij vind passen. In Frankrijk kijk ik onwillekeurig in iedere schoenenwinkel naar de Spaanse sandaaltjes. Mais non. In Heemstede kijk ik, direct na het thuiskomen, bij de enige winkel in de naaste omgeving die Campers verkoopt. Nee, ze hebben ze niet. Nooit gehad ook, dit model. Afgelopen donderdag bezoek ik in Amsterdam de Camperwinkel in de Leidsestraat.

In een bloedhete winkel staat een alleraardigste Spaanse mij te woord. Ze hebben de sandaaltjes! Ook in het zwart! Maar helaas…de verkeerde maat…Treurig en triest verlaat ik de zaak. Met het type, serienummer en het telefoonnummer van de winkel in mijn portemonnee. Het alleraardigste meisje adviseert me op de site te kijken. En als ze, na het bestellen op de site, niet goed zijn kan ik ze bij haar terugbrengen. In gebroken Nederlands krijg ik nog wat bemoedigende woorden mee. Zij snapt de malheur.

‘s Avonds speur ik het internet af. Nergens zijn de Campersandalen te krijgen. Wel in het rood. Wel in maat 39. Teleurgesteld stop ik ermee. ‘s Ochtends vroeg zie ik het papiertje van het alleraardigste meisje. Toch nog maar even kijken. En tot mijn onuitsprekelijke verbazing en vreugde vind ik opeens de goede: Camper Lila Medio 22041, zwart, maat 38. Direct bestel ik de schoentjes. In de aanbieding zijn ze ook nog! Ik kan mijn geluk niet op. Gisteren zijn ze aangekomen. De langverwachte sandaaltjes. Met bezorgkosten precies even duur als de schoenen in Los Llanos. Er zit een moraal in dit verhaal. Ik zal deze niet verklappen.

Maandag

image

Met enige weemoed bekijk ik op de IPhone mijn verzameling vakantiefoto’s. Ik schiet door de kleine geluksplaatjes heen. Snel blader ik door een kleurig stukje leven. Wisselende gezins-samenstellingen, maar altijd een twee uit vier-combinatie. Grappige, mooie en bijzondere momenten, gevangen in digitale plaatjes.

Maar waar vind ik het gewone leven van alledag? Het fietsen in de vroege ochtend naar het werk? Nadat je de spinnenwebben in de tuin trotseert, de poort en schuur openmaakt en nog een beetje nachtwarm op je fiets stapt?

Waar zijn de kinderen, die zich snel en efficiënt door het huis bewegen van slaap- naar badkamer naar huiskamer? Plassen, wassen, aankleden, snel ontbijten, jas en tas en hup op de fiets? Blij dat de meeste spinnenwebben door ons vroege vertrek weg zijn.

Waar zie je de poezen, die kopjes gevend om eten en aandacht vragen? Hun witte, donzige vacht voelt weldadig aan tegen je blote been. Dat blote been dat nog net kan. Morgen of overmorgen is het te koud. Dan moet je warmere kleding aan. Zeker op de fiets.

Waar zijn de kale bollenvelden, waar je ‘s ochtends doorheen fietst? Flarden mist of dauw hangen boven de velden. Een oranje bolletje komt op aan de horizon. Je steekt je vrije hand in de mouw van je vest. Het is ‘s ochtends weer een beetje frisser dan tijdens de vrije weken in de tuin. In Frankrijk. In Indonesië. Op Kreta. La Palma.

Waar is het pasje waarmee je het hek en de toegangsdeur van het werk opent? Je collega, die vanaf de andere kant komt, dichtbij genoeg om de deur voor open te houden?

Ook de trap, de gang, de schoonmaker met zijn poetsdoekje en de vroege collega’s, die je zo hartelijk begroeten vind ik niet tussen de kleurige plaatjes uit mijn leven.

Ze zitten in mijn hoofd. En ze horen bij de puzzel die het leven completeert.

Vandaag begin ik weer.

IM

image

De dood bezoekt ons de laatste jaren nogal eens. Hij komt in verschillende gedaanten langs. Meestal kondigt hij zijn komst aan. Zijn favoriete methode is de sluipende en slepende. Eerst een tijdje pijn. Dan de huisarts of de fysiotherapeut. Het is jammer, maar de pijn blijft. Nader onderzoek volgt. Heel langzaam komt hij dichterbij. En dan slaat hij toe.

Zo besluipt hij onze lieve Cootje. Die zo geniet van het leven. Haar gezin, haar kinderen en de eerste kleinkinderen. Op haar knieën zit ze uren met ons kleine meisje aan de tafel. Onvermoeibaar geeft ze telkens weer de gele wasco aan. En het kind krast er lustig op los. ‘Oma, verstoppertje?’ En oma maakt zich klein in het halletje onder de kapstok. Het kind schatert.

Ook bezoekt hij mijn moeder. Redelijk snel klopt hij aan. Niet zo veel poespas.

Drie jaar geleden bezoekt hij Rob en de zoon van onze vriendin B. Hier moet hij toch echt zijn best voor doen. Twee mensen die te vuur en te zwaard vechten. Om bij de kinderen te zijn en te blijven. Bij zijn geliefde gezin en familie. Om bij de zus en het kleine broertje te blijven. Zijn lieve papa en mama. Dappere strijders. Maar ze verliezen. Er stroomt een rivier van tranen. Maar de dood roeit door en baant zich een weg door het zoute water.

Donderdagavond komt Max naar beneden. ‘Mevrouw van de B. is overleden.’ Max’ lieve, jonge mentor en wiskundelerares. Een beekje van tranen. Om deze lieve vrouw. En alle bijzondere mensen die de afgelopen jaren bezocht zijn. Waar we zo van houden. Die we niet vergeten. Die we zo missen.

De dood. Hij komt vast nog langs. Maar nu even niet. Een zomer met zon, maar ook zoveel verdriet. Jaren van plezier, maar ook zoveel gemis. Vaar rustig door. Alsjeblieft.

Ane Brun

image

Afgelopen woensdagavond was ik bij het concert van Ane Brun. In het wonderschone Openluchttheater in Bloemendaal. Het concert ging door. Ondanks de dag van nationale rouw. We ontvingen daarover keurig een mail van de directeur van het Openluchttheater Caprera. Dat het doorging. Dat er op gepaste wijze zou worden stilgestaan bij de ramp. Dat Ane Brun dat ook zou doen.

Dus fietsten wij op deze bijzondere zomeravond naar Bloemendaal. Het is nog best een eind fietsen. Vooral met wind tegen. Maar het is zomer. Een mooie, warme dag. Een zachte avond. En we fietsen naar mijn kindertijd. Naar het groene dorp van mijn jeugd. Waar ik als stadsmeisje tussen heel rijke en ietsje minder rijke dorpskindertjes een prachtige lagere schooltijd beleefde. Omdat ik school leuk vond. Omdat de school, zeker voor die tijd, progressief was. Omdat we in groepjes zaten en ‘op niveau’ werkten. Werkstukken mochten maken over een zelfgekozen land. En iedere vrijdagmiddag was keuzemiddag: schoolkrant maken, timmeren, boetseren. Jazzdansen onder leiding van de hipste moeder van de school. Zij danste in het showballet van Penny de Jager! Op een foto uit die tijd zie je mij staan: een klein meisje met los zwart haar. Een wit shirt op een zwarte broek met wijde pijpen. Bij het afdrukken van de foto bleek dat mijn gulp openstond. Mijn moeder maakte met zwarte viltstift de openstaande gulp, waar een puntje van het witte shirtje tussen uit piepte, zwart. Happy childhood.

Wij denken dat we zeer op tijd zijn voor het concert. Helaas zijn alle stoeltjes met leuningen al bezet. Op de achterste rij dan maar. Kan je nog een beetje leunen tegen een prikkerige heg. De meegebrachte oranje kussentjes verzachten een beetje het keiharde beton van de bank. Het voorprogramma, dat om 20.00 uur begint, is een hels lawaai van enthousiaste mannen met drums, gitaren, elektrische piano’s, een cello en viool. Een verschrikkelijke herrie stijgt op tussen de hoge, groene bomen.

Om 20.30 uur vraagt de directeur van Caprera om een minuut stilte. In de opeens serene, door hoge bomen omgeven, halve cirkel wordt het stil. Vogelgeluidjes. Stil geruis van wapperende blaadjes. En stilte. Doodse stilte. Ane Brun begint een half uur later vanwege…, ja waarom? Dat wordt niet helemaal duidelijk. We programmeren onze bilspieren op zo’n 1,5 uur extra zitten. Op de harde, koude betonnen bank zonder leuning. De rugspieren zijn ook gewaarschuwd.

En dan begint Ane. Ik heb haar thuis gehoord. Op een cd. Maar nu zie ik een frêle vrouw met gouden cape en eigenaardige danspassen. Ze trekt haar benen met sandalen hoog op. En ik hoor. Haar zuivere, hoge stem klinkt over de duinen, over de hoge bomen en trilt naar boven. Mooi. En eigenaardig. Naast ons zitten twee Ware Liefhebbers. Mijn buurman zingt zachtjes alle teksten mee. Raymonds buurman lacht, klapt en beweegt mee op de klanken en ritmes van Ane Brun.

Ik vergeet het groepje kakkers achter ons. Dat onbeschaamd, witte wijn en bier drinkend, hun harde kroegpraat voortzet. Ondanks de boze blikken van de Ware Liefhebbers. Schijt hebben ze eraan. De arrogantie achter ons staat als een muur. Ook vergeet ik de vijf dertigers voor ons die om de twee minuten een sigaret opsteken. En de rook naar voren, naar achteren, omhoog en opzij blazen. Je zit hier vlak naast en bij elkaar. De klanken en harmonie van Ane verdrijven de arrogantie. En de rook. Het is mooi. En op de terugweg ben ik blij dat ik haar heb gezien en gehoord. Ane Brun. Niet vergeten.

Gat

image

We wonen in een gat. Wel een groen gat. En sinds we toegevoegd zijn aan de gemeente Bloemendaal, een sjiek gat. Veertien jaar wonen we in Bennebroek. Als iemand van buiten Noord-Holland ons vraagt waar we wonen gebruiken we al gauw de hulpstad Haarlem. Voor buitenlanders wonen we ‘nearby Amsterdam’.

Onlangs fietste ik langs de lawaaiige plek die enkele ouders onder ons, zeker de stakkers die wel eens schoolreisjes begeleid(d)en, kennen. De grootste speeltuin van Europa, de Linnaeushof, ligt binnen onze gatgrenzen.

Dat langsfietsen brengt bij mij de bijna-vergeten jeugdherinnering naar boven van te warme dagen met te veel wespen. Alsmaar lekker ronddraaien in een apparaat waarin thuis je hamster als een dolle zijn rondjes rende: een soort cirkel met een stoeltje en gammel riempje. Je liep of fietste erin en dan ging de cirkel, die bevestigd was aan een soort steel, draaien. Heerlijk vond ik dat. Ik heb daar wat rondjes in gedraaid zo’n veertig jaar geleden.

De hamstercirkel is er niet meer. Zou ook niet meer goedgekeurd worden door de Europese organisatie voor zeer veilige speeltoestellen.

In de tijd van onze kinderen, die o horror! als gatbewonertjes een abonnement hadden ‘op de Linnnaeushof’, heb ik daar wat onvrijwillige uurtjes tussen gillende kinderen en hun doorgaans ook gillende ouders: ‘nee, Wesley/ Kimberly, je mag dat jongetje zijn schepje niet afpakken!’ doorgebracht. Een boek lezen kon niet. Eerst niet omdat ze te klein waren. Max kieperde in een onbewaakt moment als twee-jarige op gruwelijke wijze van de betonnen zandbakrand, bijna met zijn hoofdje op een in de zandbak vastgeklonken, ijzeren graafmachine. Julia werd als 6-jarige bijna gelanceerd van een iets te steile glijbaan. Het ging allemaal net goed. Je ogen schoten van links naar rechts, je haalde limonade/eten/ snoep uit je tas en je liep voor de 20e keer mee naar het treintje, de trampolines, de waterfietsen etc. Je was continu in de weer en ‘s avonds viel je om 21.00 uur uitgeput in je bed.

Later kon ik ook geen boek lezen. Op het terras was het een komen en gaan van gillende kinderen, ijverige juffen, bemoeizuchtige hulpmoeders etc. Daarbij schoten ook je ogen van links naar rechts. Vanwege de vele maffe, dikke, dunne, rare, exotische en gare types die deze plek bevolkten.

De enige echt leuke keer was met vriendin en medemoeder D. Om onszelf te troosten dan wel te vermaken had ik een flesje ijskoude witte wijn meegenomen met twee glazen. In een rustig hoekje, bij de trampolines (‘ja hoor, jullie mogen best nog een keer lekker springen!’), zaten wij met die heerlijke fles. Zonder kurkentrekker. De puisterige puber, die de trampolines beheerde, keek mij bevreemd aan toen ik vroeg of hij een kurkentrekker had. ‘Een schaar misschien?’ probeerde ik nog. Maar nee, hij had alleen wat pleisters en jodium in een ijzeren doosje.

Hoe we de fles open hebben gekregen weet ik niet meer. Maar hij ging open. En dit was de enige echt leuke keer in de grootste speeltuin van Europa.

Toen de kinderen zelf konden gaan was ik de koning te rijk. Wel hield je het onbestemde gevoel van gevaar: dat loerde nu eenmaal altijd om het hoekje in de vorm van vallen, uitglijden, geduwd worden etcetera. Godzijdank wilden de kinderen op een gegeven moment geen abonnement meer en kon ik rustig thuisblijven. In de tuin. Met een boek. In het heerlijke groene, sjieke gat, ‘nearby Amsterdam’.