Kanker

image

Mijn beide kinderen zijn, ondanks een bibliotheekkaart vanaf hun peutertijd, regelmatig bibliotheekbezoek, iedere avond voorgelezen worden, ieder jaar een (bekroond) boek mogen uitkiezen in de Kinderboekenweek en twee lezende ouders, geen lezers.

Afgelopen week werd Max 17. ‘Ik hoef geen boek’ kreeg ik te horen. Maar ik las in de krant over de hype van ‘A fault in our stars’ van John Green en de film die erover is gemaakt, in Amerika een grote (tiener-) hit. Een verhaal over twee tieners met kanker. En ik kocht toch een boek voor Max. De Nederlandse vertaling: ‘Een weeffout in onze sterren’. Het boek lag vanochtend hier, in ons vakantiehuis, op tafel. Met een bladwijzer op pagina 49. En ik dacht aan de lieve lezer I., zoon van vriendin B. Hij kreeg kanker. Voor hem schreef ik ooit een verhaal.

Schort

Voor I. (1997-2011)

‘Denk niet, lieve speelgenooten!
Dat de tijd mij heeft verdroten,
Toen ik gistren zat alleen.
Die vermaak heeft in het lezen,
Hoeft geen eenzaamheid te vreezen,
Maar is altoos wel te vreên.

Vader zegt, dat brave menschen
Dikwijls naar die uurtjes wenschen;
Dikwijls naar hun kamer gaan,
Om in oude en nieuwe boeken
Wijze lessen op te zoeken:
En dat staat mij wonder aan.

‘k Wou zo graag verstandig wezen,
En ik worde ook graag geprezen,
‘k Zeg, zo als het bij mij leit:
Dient er dan, om veel te weten,
Menig uurtje nog gesleten,
Welkom! welkom! eenzaamheid!’

Uit: ‘Kleine gedigten voor kinderen’, Hieronymus van Alphen (1778-1782)

Hij stroopt zijn mouw op en laat de tumor zien: ‘kijk!’ zegt hij met schitterende ogen ‘daar zit ie!’. ‘Ik zie niks’, zeg ik. Op de witte kinderarm zie ik kleine, witte haartjes. Een schram, een wratjeachtig pukkeltje en ja daar, een heel lichte zwelling. ‘Voel maar’ zegt hij en zachtjes betasten mijn vingers het witte vel. Ze strelen bijna over de onbekende jongensarm alsof ze de plek liever niet beroeren. Eroverheen aaien, het bestaat niet, weg is ie.

Liggend op de valer-wordende bank in de huiskamer wordt de jongen zo wit als doorschijnend melkglas. Zijn sproeten lichten als vrolijke stippen meer en meer op in zijn gezicht. Naast hem op de achterkant van de bank ligt als een vreemd wezentje het niervormige spuugbakje.

Ik kom om de zoveel weken, vooral voor zijn moeder, die sinds jaar en dag mijn vriendin is. Langzamerhand wordt zij kleiner. Appeltaarten bakkend, heen en weer lopend met zachte roereitjes, haar schort kreukelig, loopt zij in en uit. Haar geautomatiseerde bewegingen fascineren mij. Is dit wat er met je gebeurt als dat levende deel van jezelf langzaam door een celdelend monster wordt opgegeten?

Ik zit het liefste naast hem op de bank. Kijk naar zijn mager wordende vingers, die over zijn deken liggen uitgespreid. Hij vertelt over school, het boek dat hij leest, de schaatswedstrijd die hij zag. Dat hij graag naar school wil, weet ik. Maar daar spreekt hij niet over. Soms zitten we rustig en stil te zitten. Eigen gedachten die langs elkaar vliegen en soms elkaar raken in de lucht. Stille gesprekken. Over liefde en dood. Dikke boeken en nieuwe schoenen. Vriendschap en leven.

In de verschrikte ogen van zijn zus zie ik de wanhoop. Zij weerspiegelt in huis het diepe verdriet om het naderende onheil. Lief en voorzichtig beweegt ze zich door het huis, haar zieke broer tekent zich af op haar smalle gezichtje.

Ik zelf loop terug door de straat, zoekend naar de auto. In die tijd herinner ik mij niet veel. Mijn gedachten staan stil. En mijn handelingen verlopen, net als die van zijn moeder, automatisch.

Terug in mijn eigen huis zie ik mijn kind. Ook bleek en smal. Maar zonder lichte zwelling onder de huid van zijn rechterbovenarm. Geen sproeten als stippen die als een punt een einde maken aan het verhaal. Levend en warm en geen valer wordende bank in de huiskamer. Het liefst kijk ik naar zijn warme, bruine ogen. Klein, bij de ooghoeken getrokken alsof er ergens in de verre voorouderlijn sprake is van Chinees bloed. De ogen die vlak na de geboorte de moeder aankijken en glimmen van het doorzichtige vocht. De ogen, die niet veranderen, een heel leven gekend zijn en blijven.

Ik werk, slaap, eet, zorg en denk. Het denken is geen voortdurend denken aan hem. Maar meer een telkens oplichtende denkfladder, als een snipper op de grond. Soms zie je de snipper. Je raapt deze op en gooit het weg. Soms laat je het liggen. Geen zin om te bukken.

Op een keer zit ik aan de grove, houten tafel naast zijn moeder. Hij is de laatste periode zo opgeknapt dat hij weer naar school gaat. Ik hoor zijn voetstappen op de hoge trap en, als een gewone jongen in een gewoon huis, gooit hij zijn tas op de grond. ‘Mag ik wat eten?’ Zijn moeder springt op en loopt naar de keuken. Hij kijkt haar na, vooral nadat hij heeft gezien dat haar ogen droog zijn. Want wat heeft hij een schijthekel aan de rode randjes om de ogen van zijn moeder.
Hij kijkt mij aan en we voelen beiden dat de zin die nu gezegd gaat worden bepalend is voor het vervolg. ‘Hoe is het?’ vraag ik. ‘Ja, goed’ zegt hij en we elektrificeren met deze woorden de lucht. De conversatie is gewoon genoeg om door te gaan. ‘Hoe gaat het met lopen?’ De reconstructie van zijn bovenarm kostte een stuk bot van zijn been. ‘Ja, gaat wel. Ik vind het vervelend dat ik telkens moet oefenen en niet zelf kan fietsen.’ Achter zijn ogen zie ik de schaamte. Het zitten achterop de fiets bij zijn moeder. Dat is zijn ware martelgang. Liever hinken naar de tramhalte en met moeite in de tram klimmen. Tanden op elkaar. Naar huis met dat shitbeen en de arm die inmiddels niet meer omhoog kan. Maar alles liever dan de bagagedrager van zijn moeders fiets. Hij is geen klein kind meer.

Intussen delen in zijn groeiende lijf de cellen zich als dollen. Ze buitelen over elkaar heen als grappige mannetjes in de cakewalk op de kermis. En de jongen leest en leest. Het is alsof het lezen de halm is waaraan hij zich met al zijn kracht vasthoudt. Het verdwijnen in het dikke boek is een verdwijnen in de geest. Wegdwalen in avonturen. Hij als dappere, alles verslaande hoofdpersoon. De Ridder Zonder Naam, de onverschrokken held, de zeewaardige avonturier, de dappere dolaard. De honger naar appeltaart, zacht ei en doperwtjes, die knappen tussen je tanden, verdwijnt. Zijn moeder dringt voortdurend aan op eten en drinken.

Maar ziet zij dan niet de honger naar het andere? Het hogere? Het allesomvattende heelal? Hij wil het snappen, begrijpen en vasthouden. Zijn honger naar kennis neemt hand over hand toe. Hij verliest de aandacht voor het heden, het verleden. Wat de toekomst brengen moge dat is waar zijn dromen en gedachten naar uitgaan.

Ik zie dat hij langzaam verdwaalt en verdwijnt. Hoe meer soep en brood op de rand van de bank staan, hoe holler zijn blik wordt. Het prikken en kotsen, hij is het beu. De ogen van zijn zusje vermijdt hij en rode randjes boeien hem minder en minder.

De laatste keer dat ik hem zag keken we elkaar aan en we wisten beiden waar het naar toe zou gaan. ‘Is dit een mooi boek?’ ‘Ja’ zei je en in dat ja lag een wereld verborgen van liefde en vriendschap, dood en verdriet.

Ik trek de deur achter mij dicht en zoek mijn auto in de smalle straat met de hoge, hoge huizen. Bij de voordeur hoor ik de telefoon.

De ogen van mijn zoon, warm en bruin, zie ik voor me. En mijn laatste gedachte gaat uit naar de smalle jongen op het ijs- en ijskoude bed. Nieuwe sportschoenen aan zijn voeten. Dezelfde als die van mijn kind met de Chinese oogopslag. Ik kijk in de ogen van zijn zus en ik zie de wanhoop, levend en fel. Het schort van zijn moeder hangt werkeloos in de keuken.

Advertisements

Leave a Reply

Please log in using one of these methods to post your comment:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s