Zelf schrijver worden (2)

image

Zelf schrijver worden (2)

Gisteren schreef ik over hoe zelf een schrijver te worden. Omdat uitgevers en literaire tijdschriften nog niet in de rij staan om mijn verhalen uit te brengen respectievelijk te publiceren, doe ik dat gewoon zelf. Speciaal voor mijn volgers en fans van het eerste uur: mijn eerste, echte verhaal,

Get knotted

Voor Julia, voor wie hopelijk alles anders is

“Time passes. Listen. Time passes.”
Dylan Thomas, Under Milk Wood: A
Play For Voices (1954), part 1

1.
Ze raapte de kaart op van de mat. Ze draaide de afbeelding weg en las de tekst. Natte, door elkaar gelopen veegletters. Op de lijntjes rechts haar naam en haar adres. Een groet aan haar, van hen. Twee jongenshandschriften, slordig en puntig.

Langzaam liep ze de trap op naar boven. Haar handen voelden het vergeelde afplaktape dat losliet achter de leuning. Haar vader zou nog steeds de trap een keer schilderen. Het kwam er niet van. Smalend op die lapzwans liep haar moeder door het huis. Maar het kwam er gewoon niet van. Nu niet. Nooit niet. Want over niet al te lange tijd zouden er tassen en koffers onder de kapstok staan. Hij zou weggaan. Maar ook dat kwam er maar niet van. Elke dag liep ze langs de tassen en koffers. Totdat ze wenste dat het er wel eens van kwam. Dat de kogel door de kerk ging. Dat alles een keer voorbij ging. Dat er een aangename stilte kwam te hangen in het oude, hoge herenhuis. Een prettige, rustige ja, lieve sfeer. Zonder smalen en zwijgen. Praten en schreeuwen. Doen en dreigen.

Ze stopte de kaart in haar met zoete plaatjes beplakte sigarendoos. Het deksel ging wat stroevig omhoog, met een schurend, fijn geluid. De kaart lag erin. De zwaarte in haar lijf bleef hangen. Wat dachten ze nu ? Wat vonden ze van haar? Ze wist niet wat ze ervan moest denken. De gedachten kwamen en gingen als zwakke, maar steeds terugkerende golfjes op het strand. Ze werd er knettergek van.

2.
De school, midden in de stad, verscholen achter het statige gemeentehuis, dat was haar plek. Een plek waar ze naar toe moest, maar ook graag naar toe ging. Voor de school lag de oude hortus, waar alleen zesde-klassers onverschillig hun bijna-volwassen stappen zetten. In het midden van de hortus stond de eeuwenoude treurbeuk, waar mevrouw Berkhout zo lyrisch over was. Mevrouw Berkhout met haar stiekeme sigaretjes op het balkon van het lokaal. Een nerveuze, geblondeerde vrouw, die tot aller verbazing, openlijk verliefd was op de nietszeggende, mooie, Thijs. Die daar grijnzend gebruik van maakte en zonder iets te doen voor het vak altijd voldoendes haalde.
‘Hé, heb jij dat stuk geprepareerd voor Hegel?’ Ze keek naast zich, recht in de ogen van Anna. Als je goed keek zag je dat haar ogen heel blauw waren. Een soort diepzeeblauw. Een pikzwarte pupil stond er als een duidelijke stip, zo één die aan een zin een einde maakt, middenin. Prachtige Anna, met wie ze stiekem briefjes schreef onder de les over rare leraren, over leuke jongens, ja vooral over leuke jongens.
‘Ja, natuurlijk!’ en ze schoof haar schrift naar Anna toe.
Ze vertelde haar niet hoe ze dat stuk tekst voorbereid had. Hoe ze daarvoor gisteren na school naar de stadsbibliotheek gefietst was, dat achteloos, lelijk neergesmeten, gebouw in de oude binnenstad. Ze had gevraagd aan de bibliothecaris of ze de vertaling kon krijgen. De bleke man was afgedaald in de kelders van het gebouw. Even later kwam hij weer tevoorschijn en met een muf ruikend boekje was ze gaan zitten in een van de afgetimmerde studiehokjes, bovenaan de trap naar de vide. Woord voor woord, zin voor zin had ze zich door het stukje tekst geworsteld. Haar ogen gericht op de originele tekst, haar wijsvinger van de rechterhand op het te vertalen woord en de wijsvinger van de linkerhand bij de aantekeningen van de docent. Heel omslachtig pakte ze na ieder stukje zin haar pen op en schreef ze de vertaling op. Nooit had ze dit lastige stuk kunnen vertalen zonder de archaïsche, Nederlandse vertaling uit de diepten van de bibliotheek. Met dit beduimelde, ouderwetse boekje werd het wel wat. In elk geval was de angst voor een vertaalbeurt hiermee gereduceerd tot een aanvaardbaar minimum.

‘Mevrouw Labruière!’ Kunt u mij misschien vertellen wat de betekenis is van ex aequo? Uw intelligente en ongetwijfeld zeer belezen mede-leerling moet mij het antwoord schuldig blijven, maar misschien weet u het?’ De geaffecteerde stem van de heer Hegel, die met zijn eruditie en afstandelijke wijze van lesgeven diep respect afdwong bij al zijn leerlingen, vulde de ruimte, vulde haar. Verlegen keek ze op. Haar blaas was vol en ze voelde hoe een klein druppeltje in haar broek lekte.
‘Nee, ik weet het niet’ zei ze zachtjes. Sarcastisch klonk het vervolg:
‘U leest vast de krant? In de sportkatern kan men deze uitdrukking zeer geregeld vinden’. Ze ging wat rechter zitten en vatte moed.
‘Ik lees regelmatig de krant, maar de sportkatern sla ik over. Die interesseert mij niet.’ De klas barstte in lachen uit. Men keek naar haar om. Bewondering en verbaasd-lachende gezichten waren haar deel. Ze lachte vriendelijk terug. De heer Hegel keek even, kort maar, verbluft. Daarna hervatte hij zijn snijdend cynisme. Charles had ook omgekeken. Achter zijn zilveren bril glinsterden zijn donkerbruine ogen. Ook hij lachte haar toe. Het was een geweldige dag.

3.
Wie zij was en wat zij wilde zijn probeerde zij uit voor de spiegel in de blauwbetegelde badkamer. Kijkend in de spiegel ontsteeg zij aan zichzelf. Zij zag een gezicht van buiten naar binnen. Haar gezicht. Alleen was zij zelf, de kijker, buiten beeld. Meer erboven. Het gevoel dat deze actie bij haar opriep kon ze niet te lang in stand houden. Het vervreemdende effect was zo intens, dat ze er bang van werd. Maar de verleiding was groot. Het was alleen zo jammer dat ze er niet wijzer van werd.

4.
Vanaf de eerste schooldag, waarop zij allemaal op elkaar gedrongen in de lange gang stonden, was zij verliefd. Een kleine, vrolijke jongen. Zijn blauw-wit geruite bloesje open aan de hals. Een grijze V-hals trui eroverheen. Een nonchalante, beetje afzakkende spijkerbroek. Vooral dat stukje nek boven het boordje van het bloesje intrigeerde haar. Lichtbruine krullen, bruine ogen, schitterend, achter een rond, zilverkleurig brilletje. Eigenlijk hield ze niet van jongens met brillen. Maar deze jongen was anders, heel anders. En zijn bril hinderde haar niet. Tot haar vreugde en verrassing kwamen zij beiden terecht in 1c. Samen met hun mentor, een kittige dame in een kleurig jurkje met een glanzend riempje rond de dikkige taille, liepen ze een groot lokaal in.
Veel contact hadden ze niet met elkaar al die jaren. Allebei hadden ze hun vriendengroep om zich heen, jongens bij jongens. Meisjes bij meisjes. Voortdurend was zij zich bewust van zijn aanwezigheid. Maar niets liet ze merken. Niets.
De laatste tijd leek het wel of hij haar zag. Echt zag. Tegelijkertijd ontstond er afstand. Afstand tussen haar en de anderen. Er hing een dun, doorzichtig scherm tussen haar en de rest. Waar en wanneer en waarom was dat proces begonnen? Ze kwam er niet uit. Maar het doorzichtige, melkwitte, dunne gaasscherm stond er wel. Dun, doorzichtig maar onwrikbaar.
Soms vroeg ze zich af wat er was gebeurd: vertelde zij te weinig? Was zij niet open en eerlijk? Nee, zij vertelde niet veel en zij was niet open en eerlijk. Met in haar gedachten haar trotse moeder hing zij de vuile was niet buiten.
Langzamerhand dreef ze af van haar vriendinnen. Heel, heel langzaam dreef ze af van de groep. Soms stak ze haar hand door het gaas dat op wonderbaarlijke wijze soepeltjes meegaf,-niks geen harde randjes-, en was het contact opeens weer daar. De situatie veranderde zo geleidelijk aan en zo sluipend dat het haar uiteindelijk wel verraste. Ze zag zichzelf vaak terug in de bibliotheek van de school, daar verliepen de pauzes, stil en sober. In de stadsbibliotheek maakte ze haar huiswerk. Afspreken deed ze nauwelijks meer. Zo voltrok zich De Afstand, zonder slag of stoot. Zonder overduidelijke aanwijzingen, gegrijns of gepest. Het bordje ‘Verboden voor Marlie’ was nergens opgehangen. Het hing in haar hoofd. En misschien in het hoofd van anderen. Maar zeker was zij daar niet van. Zij was langzamerhand nergens meer zeker van.

5.
Pas tijdens de eerste pauze arriveert ze op school. Vreemd stil is het op de weg. Geen fietsende en pratende kinderen voor en achter haar. Opeens komt gelach en geschreeuw vanuit het steegje naar haar toe gewaaid: ‘Marlie, je hebt een tien voor je opstel!’ Ze fietst gewoon door, op haar paarse fiets, de Sparta die een paar jaar geleden nog zo hip en modern was. Het dubbele, ijzeren staafje waaraan de veel te zware, beige schooltas hing het eerste jaar, had ze er al wel vanaf gesloopt, maar de glans van de fiets was eraf. Ze moest het er maar mee doen. ‘Een tien?’ De schreeuwende klasgenoten zijn al lang de hoek om. Ze tilt haar fiets over de idioot hoge fietsdrempel van de fietsenberging achter de school. Ze gloeit van trots. Nog nooit heeft ze zo’n hoog cijfer gehaald. Ze is blij met een zes, een zeven is echt mooi. Maar een tien! Dat soort cijfers krijgt alleen Jacobien, de leuke, donkerharige maar vreselijk-stotterende Jacobien, die altijd bezig is met school en huiswerk

Een slordige, met potlood geschreven tien staat boven haar verhaal. Met daaronder de bijna onleesbare tekst: ‘Je hebt je natuurlijk schandalig aan de opdracht onttrokken, maar hier heb ik niet van terug!’ Marlie leest zelf het verhaal voor aan de klas. Iedereen luistert aandachtig. De bruine ogen van Charles schitteren. Of is het de weerkaatsing van de glazen? Zijn vriend Ivar zit met een onbewogen gezicht naast hem. Een beetje bang was ze wel voor hem, voor Ivar. De jongen had iets dreigends. Zwaar en groot en met een geprononceerde neus in zijn grove gezicht, net als al zijn broers en zussen op school. Dat waren er vier. Alle vier hadden ze dezelfde, grote, vierkante neus als Ivar. Alle vijf waren ze aanwezig. Door hun zware lichaamsbouw, dominante uitstraling en zichtbare bezigheden op school, variërend van het voorzitterschap van de schoolraad tot en met de onbetwiste hoofdrolspeler in alle toneelstukken van de toneelclub. Mevrouw Miedema schudt met haar hoofd waardoor haar oorbellen, groot en massief als dikke
chocoladeflikken, heen en weer schudden, tegen de onderkant van haar kaken. Haar brede, goedlachse mond, staat open en ze lacht en lacht. Na het voorlezen van het verhaal loopt Marlie terug naar haar plaats en ze gaat zitten. Wat een succes! Ze schrijft met pen voorin in haar agenda in één van de blauw-omlijnde, hokjes achter ‘Nederlands’ het cijfer tien. Ineens staat ze een acht.

6.
Ze fietste het park in, langzamer toen ze haar voet langs haar pedaal liet zakken en ze deze liet slepen tot de voordeur. De sleutel van de groen-geschilderde voordeur, – ‘grachtengroen’ zei haar moeder -, leek steeds slechter te passen. Ze wrikte en ze was bang dat die sleutel nog eens zou breken. En ja, dan zat je mooi met de gebakken peren. Ze hoorde de zucht: ‘dat kan er ook nog wel bij…’ Voorzichtiger draaide ze en de zware deur ging open.
‘Ben jij daar?’ hoorde ze roepen vanuit de kamer. Zachtjes zei ze:
‘ja’. En daarna keihard:
‘ja, ik ben er!’ Kon ze nu horen hoe het ervoor stond? Nee, ze had niks bijzonders gehoord. ‘Even in de keuken kijken’ zei ze in en tegen zichzelf en ze liep de gang door, met jas en tas, naar de grote eetkeuken. Op het aanrecht stond het witte, ietwat verouderde, afwasrekje. Daarop stond omgekeerd een piepklein glaasje, met in het glas een dun, ingeslepen streepje. Langzaam trok een bijna onzichtbaar, vettig druppelspoor langs het glas het rekje in. De fles rode port op het aanrecht was bijna leeg. Traag liep ze terug en sloeg linksaf de huiskamer in.

Haar moeder had haar vast toegeroepen met de hand even op het spreekgedeelte van de telefoonhoorn want ze was aan het bellen. Ze zat in de donkergroenbeklede stoel met donkerbruine, harde leuningen. De telefoon, die eerst viesgrijs was maar door een plastic oranje omhulsel kleur had gekregen, stond op het dressoir naast de stoel. Een donkerbruin dressoir, passend bij de leuningen van de stoel. De diepliggende ogen van haar moeder traanden. Ooit kwamen ze van ver, de tranen. De laatste tijd verschenen ze snel en gemakkelijk. De stem van haar moeder klonk wiebelig. Ze hoorde niet wat haar moeder zei. Ze keek naar het tafereel. En ze liep naar boven. ‘Lekker even lezen, dacht ze’.

7.
Haar grote kamer (‘wel vijf bij vijf’ zei haar moeder met een soort trots als het over de afmetingen van haar kamer ging) keek uit over het park, of liever gezegd keek uit over de bomen in het park. Vlak voor haar raam stond een dikke kastanjeboom. De bladeren leken wel tot in haar kamer te reiken. Groene vingervormen. ‘s Ochtends in bed hoorde ze de duiven koeren in de dakgoot. Het geluid trok helemaal door tot in haar lichaam. Ze voelde zich dan vrij en feestelijk. Waarom wist ze niet, maar de duiven maakten haar blij. Liggend op haar bed trok ze een boek van het bovenste plankje van de oranje-witte ombouw. Een hele rij boeken had ze verzameld. ‘Het beste kan je boeken lezen uit de bibliotheek. Alleen als je ze écht wil hebben, vraag je ze voor je verjaardag of voor Sint‘, zei haar moeder. Kerst vierden ze niet met cadeaus. Eén keer had ze voor Sinterklaas heel veel boeken gekregen. Maar dat waren boeken over de natuur. Dikke, oninteressante boeken. Ze kon zich niet herinneren ooit zo teleurgesteld geweest te zijn. En haar moeder stond er blij en trots bij. Omdat ze haar zoveel boeken had gegeven. Het waren alleen de verkeerde, maar dat durfde ze niet te zeggen. Die natuurboeken had ze diep weggestopt in een kastje bij de muur. Ze had er geen letter in gelezen. Maar het rijtje boven haar bed koesterde ze.

Toen ze haar boek weglegde, naast de witte wekkerradio, staarde ze, liggend op haar zij, naar het sigarendoosje. Hierin zaten alle brieven en kaarten die ze kreeg. Brieven van Helen, een verjaardagskaart van oma, maar ook poëzieplaatjes bewaarde ze erin. Niet dat ze die nog nodig had. Maar ze vond het heerlijk om zo nu en dan met haar vingers over de plaatjes te wrijven: de zilveren en gouden glitterrandjes prikkelden lekker, de fluwelen stukjes stof voelden zo zacht aan.

8.
Ze pakte het doosje en opende het voorzichtig. Ze haalde de bovenste kaart eruit en ze las de uit elkaar gelopen veegletters. Het stond er echt in hanepoterig jongenshandschrift: ‘Groeten van Charles en Ivar’. Ze draaide de kaart om en bekeek aandachtig de afbeelding. Een heel donkerblauwe achtergrond, puur, diep donkerblauw. Op de voorgrond een in elkaar gekringeld dik touw. Een stevige lus erin. De lus bungelde onderaan het touw. Dikke, vette witte letters eronder: ‘Get knotted’.
Ze kon natuurlijk de kaart weer terugleggen in het doosje. Niemand keek er naar om. Het doosje zou stoffig worden en ooit, later, als iemand het doosje vond, zou de kaart er misschien uitvallen. Vergaan en geel aan de randjes. Verkleurd. Haar hart bonsde toen ze het woordenboek, dat op haar bureau stond, opende: wat zou de betekenis zijn van de twee woorden? En dat touw? Ze kon het niet thuisbrengen en ze wist ook niet of ze het wel wilde weten.
Haar wijsvinger zocht de uitdrukking onder ‘knot’. ‘Knoets, knop, kwast’. ‘Get knotted’: haar vinger stokte. De nagel was afgebeten tot het randje van het vel. Ongelijke randjes nagel hielden stil bij de twee woordjes, met daarachter de uitleg: ‘Get knotted! a rude way of telling someone who is annoying you to go away’. Woord voor woord liet ze de zin tot zich doordringen. ‘Annoying?’ ‘To go away?’ Ze zag de lach en de ogen van Charles voor zich. De stralende lach ging over in een gekrulde, spottende glimlach. ‘Hoe dom kon ze zijn?’ Ze hadden om haar gelachen, haar bespot en ze zag de jongens samen ginnegappend staan voor het rekje met Engelse kaarten. ‘Nee, we nemen deze!’ zei Ivar. En hij hield de kaart omhoog. Met het touw. En de lus. ‘Deze is voor het trutje Marlie!’ Charles lachte en samen liepen ze het kleine winkeltje in, waarin een oud-Engels heertje een postzegel en de kaart met hen afrekende.

Haar gedachten zonken weg alsof ze in een diepe schacht vielen. Een holle, nauwe, donkere gang, heel diep en heel lang en heel donker. Haar lichaam werd zwaar en haar hartslag daalde, ondanks het snelle vallen. Vanuit haar benen trok een verlammende schaamte omhoog naar haar buik, haar borst, haar nek, haar gezicht. En in de lange, lange val verloor ze de hoop en verwachting. De koffers en tassen onder de kapstok, die nu elders uitgepakt waren en in een kast waren opgeborgen had ze aanvaard. De lege flessen en glaasjes op het aanrecht na schooltijd, ze keek er naar en constateerde. Dat was de werkelijkheid. Maar de prettige spanning, als ze dacht aan Charles en keek naar zijn gezicht, zijn haar van achteren. De intelligente jongen, die goed was in sport, goed was in ja, alles. Vrienden had bij de vleet. Lol maakte in de klas en daarbuiten. Leraren aan hem bond vanwege zijn slimme vragen en opgewekte karakter. Dat blauw-wit-geruite, halfopen boordje met het stukje nek. In hem lag een veilig en hoopvol verlangen.

Later, veel later dacht ze terug aan de kaart met het touw. Zij had de kaart in het doosje in haar hoofd gestopt en het dekseltje goed afgesloten. De benauwde pijn van het verleden was overgegaan in een rustig bestaan.

Advertisements

2 thoughts on “Zelf schrijver worden (2)

Leave a Reply

Please log in using one of these methods to post your comment:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s