Gat

image

We wonen in een gat. Wel een groen gat. En sinds we toegevoegd zijn aan de gemeente Bloemendaal, een sjiek gat. Veertien jaar wonen we in Bennebroek. Als iemand van buiten Noord-Holland ons vraagt waar we wonen gebruiken we al gauw de hulpstad Haarlem. Voor buitenlanders wonen we ‘nearby Amsterdam’.

Onlangs fietste ik langs de lawaaiige plek die enkele ouders onder ons, zeker de stakkers die wel eens schoolreisjes begeleid(d)en, kennen. De grootste speeltuin van Europa, de Linnaeushof, ligt binnen onze gatgrenzen.

Dat langsfietsen brengt bij mij de bijna-vergeten jeugdherinnering naar boven van te warme dagen met te veel wespen. Alsmaar lekker ronddraaien in een apparaat waarin thuis je hamster als een dolle zijn rondjes rende: een soort cirkel met een stoeltje en gammel riempje. Je liep of fietste erin en dan ging de cirkel, die bevestigd was aan een soort steel, draaien. Heerlijk vond ik dat. Ik heb daar wat rondjes in gedraaid zo’n veertig jaar geleden.

De hamstercirkel is er niet meer. Zou ook niet meer goedgekeurd worden door de Europese organisatie voor zeer veilige speeltoestellen.

In de tijd van onze kinderen, die o horror! als gatbewonertjes een abonnement hadden ‘op de Linnnaeushof’, heb ik daar wat onvrijwillige uurtjes tussen gillende kinderen en hun doorgaans ook gillende ouders: ‘nee, Wesley/ Kimberly, je mag dat jongetje zijn schepje niet afpakken!’ doorgebracht. Een boek lezen kon niet. Eerst niet omdat ze te klein waren. Max kieperde in een onbewaakt moment als twee-jarige op gruwelijke wijze van de betonnen zandbakrand, bijna met zijn hoofdje op een in de zandbak vastgeklonken, ijzeren graafmachine. Julia werd als 6-jarige bijna gelanceerd van een iets te steile glijbaan. Het ging allemaal net goed. Je ogen schoten van links naar rechts, je haalde limonade/eten/ snoep uit je tas en je liep voor de 20e keer mee naar het treintje, de trampolines, de waterfietsen etc. Je was continu in de weer en ‘s avonds viel je om 21.00 uur uitgeput in je bed.

Later kon ik ook geen boek lezen. Op het terras was het een komen en gaan van gillende kinderen, ijverige juffen, bemoeizuchtige hulpmoeders etc. Daarbij schoten ook je ogen van links naar rechts. Vanwege de vele maffe, dikke, dunne, rare, exotische en gare types die deze plek bevolkten.

De enige echt leuke keer was met vriendin en medemoeder D. Om onszelf te troosten dan wel te vermaken had ik een flesje ijskoude witte wijn meegenomen met twee glazen. In een rustig hoekje, bij de trampolines (‘ja hoor, jullie mogen best nog een keer lekker springen!’), zaten wij met die heerlijke fles. Zonder kurkentrekker. De puisterige puber, die de trampolines beheerde, keek mij bevreemd aan toen ik vroeg of hij een kurkentrekker had. ‘Een schaar misschien?’ probeerde ik nog. Maar nee, hij had alleen wat pleisters en jodium in een ijzeren doosje.

Hoe we de fles open hebben gekregen weet ik niet meer. Maar hij ging open. En dit was de enige echt leuke keer in de grootste speeltuin van Europa.

Toen de kinderen zelf konden gaan was ik de koning te rijk. Wel hield je het onbestemde gevoel van gevaar: dat loerde nu eenmaal altijd om het hoekje in de vorm van vallen, uitglijden, geduwd worden etcetera. Godzijdank wilden de kinderen op een gegeven moment geen abonnement meer en kon ik rustig thuisblijven. In de tuin. Met een boek. In het heerlijke groene, sjieke gat, ‘nearby Amsterdam’.

Advertisements

Leave a Reply

Please log in using one of these methods to post your comment:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s