Als ik u raden mag…

image

Waar haal ik de tijd vandaan om elke dag te schrijven? Hoe kom ik op onderwerpen? Houd ik het vol, iedere dag een verhaal schrijven met inhoud en kwaliteit? Ik weet het niet. Wat ik wel weet is dat ik het geweldig vind, het schrijven.

Het liefst schrijf ik in bed, ‘s ochtends vroeg. De ouderdom komt met gebreken, maar biedt ook vele kansen: tegenwoordig ben ik om 6.30 uur klaarwakker. Vroeger kon ik zo heerlijk een gat in de dag slapen om daarna de rest van de dag in pyjama rond te lopen. Nu lukt dat niet meer. Dus pak ik met halfdichte ogen de iPhone. En ik schrijf.

In de bijlage van de Volkskrant lees ik dat de steenrijke Edith Wharton ook in bed schreef. Met dit verschil dat zij van de bediende ontbijt op bed kreeg en de handgeschreven blaadjes op de grond gooide. ‘Haar secretaris raapte die op en typte ze uit.’ (V zomer, 9/8/2014).

Onderwerpen zijn er genoeg. Ze liggen voor het grijpen. Soms schiet me, fietsend naar het werk, een verhaal te binnen. Maar jammer, het moet wachten, achterin het hoofd. En dan schiet het nog wel eens weg. Of het komt terug, maar niet zo mooi als ‘s ochtends op de fiets. Dan gaat het over.

Het allermooiste is de tijd hebben om te denken en te dromen. En tijd om dat denken en dromen in taal om te zetten.

Wie lezen mijn verhalen? Er zijn trouwe fans van het eerste uur. Om 7.00 uur ‘s ochtends lichten de eerste ‘vind ik leuks’ op. Misschien pakken deze lezers ook met halfdichte ogen de telefoon van hun nachtkastje en lezen ze het verhaal in bed. Of ze lezen beneden, met een kopje thee of koffie. Ernaast ligt hun boterham met chocopasta. Of een bakje joghurt met muesli. Sommigen lezen het blog later op de dag. Dan krijg ik ‘s avonds een berichtje via LinkedIn of Facebook of ik krijg een mailtje. Ook spreken mensen mij aan over een verhaal. In de buurt, op het werk, op een feestje. ‘Herkenbaar’. ‘Mooi!’. ‘Niet allemaal even interessant.’ Soms spreek ik iemand kort over een verhaal. Echt geweldig, al die reacties.

Aan mijn gezinsleden die met naam en toenaam worden genoemd vraag ik, als ze een belangrijke rol in het verhaal spelen, vooraf om toestemming. ‘Je mag nee zeggen’, is het devies. Maar ze zeggen tot nog toe ‘ja’. Al vindt Max het maar zozo. Raar, dat gedoe van zijn moeder met schrijven. Het krijgt van hem het predikaat ‘gay’. Julia vindt het prima, maar ‘ik like je niet op Facebook, want dat vind ik zo lullig, je moeder liken..’ En dat snap ik. Er is niks lulliger dan je moeder liken op Facebook. Raymond reageert door blogs uit te printen die hij mooi vindt. Of ik krijg een whatsappje. Soms steekt hij even zijn hoofd om de deur. ‘Goed verhaal!’ En weg is ie.

De regelmaat van het blog is belangrijk. Voor mij omdat ik gedisciplineerd moet schrijven, voor de lezer, die er op ‘rekent’. Nu maken de zeeën van vakantietijd, door het werk, plaats voor kleine tijdplasjes waarin meer moet gebeuren dan schrijven. Eten, koken, sporten, lezen, om maar wat te noemen. In de druppeltjes tijd die dan nog overblijven schrijf ik. En slijp, schaaf en schrap ik. ‘s Ochtends vroeg. ‘s Avonds laat. In het weekend.

De denk- droom- en schrijftijd is beperkt. En ik wil weer aan de slag met een LV, een lang verhaal. Of toch die PR? Prachtige roman? Wie weet.

Misschien wordt het ooit een wekelijks blog. Ik zie het wel. Voorlopig schrijf ik door. Drie, vier blogjes vooruit. Buffelen. Vooral in het weekend. Zonder bediende. Zonder secretaris. Maar met voldoening en plezier. En zachtjes fluistert Simon Carmiggelt nog steeds in mijn oor: ‘Als ik u raden mag, wordt schrijver’ *

* Met dank aan Bianca Hiemcke
Schriek

Advertisements

Leave a Reply

Please log in using one of these methods to post your comment:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s