Tennisbal

IMG_4824.JPG
‘Ja, net als die actrice, hoe heet ze ook al weer? Ze kwam uit Brabant…’

‘Eugenie, ik had het niet in de gaten, maar zij ook niet. Ik wist dan ook niet dat ze in de ‘denial-fase’ zat. Wat bleek? Metastasen ‘all over’. Ik zat in Zwitserland. Ik hoorde: Eugenie heeft een longembolie. Maar ja, dat had ik ook gehad na mijn operatie. Iedere dag prikken in mijn buik.’

Drie dochters, eind-dertigers, een geblondeerde, kettingrokende moeder, in de zestig, en een zonbebrilde man strijken neer op het terras in Slenaken. Ze praten luid. Doen net iets te lang over bestellen: ‘had jij nou ook een cappuccino? Nee, ik neem toch, denk ik, liever een cola.’
‘Light?’ vraagt de graatmagere jongen van de bediening. Zijn witte shirt zit in zijn beige broek. Hij is lang en geduldig. Rustig wacht hij het getetter en Randstadse gekakel af.

‘Wat een lawaai hè?’ lacht de moeder hem toe, met al haar rimpels goed zichtbaar in de stralende septemberzon. Haar zonnebril is vreemd: het lijken losstaande glazen te zijn. De bril verhult niet de harde en strakke uitdrukking van deze mater familias.

De zonbebrilde veertiger, man van één van de drie zussen of zoon van de mater familias, zet het verhaal over de ongelukkige Eugenie voort.

Wij genieten mee, intussen de smerigste uitsmijter aller tijden opetend. King Corn-brood zonder korstjes, dikke kaasplakken uit een pakje, met daarop drie bibberige dooiers in glibberig eiwit. Ik vis drie lauwwarme plakken kaas onderuit het ei en gruwel me door de lekkernij heen.

‘De tumor was zo groot als een tennisbal. 13 centimeter doorsnee. Maar ja, ze had daar al jaren mee rondgelopen. Ze dacht ‘dat zal zo’n vaart niet lopen’ maar dat was dus wel zo.’

‘Was er überhaupt nog wat aan te doen?’ informeert één van de spichtige, donkerblonde dames, nippend aan haar Cola light. De ander bestudeert haar in-roze-verpakte IPhone. De derde tikt een nummer in op haar telefoon.

‘De allerzwaarste chemo’ vervolgt zonnebril met een grafstem. ‘Maar ze wilde het niet. Ik zou zelf alles doen. Sport, alternatieve voeding, gezond leven, chemo…’ Moeder de vrouw steekt haar vierde peuk op en blaast de rook genietend uit over het tafeltje.

De spichtige zussen verliezen de aandacht voor de arme Eugenie met haar tennisbal. Eén gaat bellen terwijl de vertelling gewoon doorgaat. ‘Goedemiddag, ik wil u wat vragen. Wij boekten bij u een wandelarrangement, het Landal-arrangement, maar we zijn wat later. Half drie in plaats van half twee. Dat is geen probleem?’

Het is geen probleem maar het Eugenie-verhaal komt hiermee wel abrupt ten einde. Men heeft het kort over de reis naar Namibië (moeder betaalt?) en over het schoeisel dat geschikt is voor een wandeling aldaar: ‘met Teva-sandalen hoef ik echt niet aan te komen bij de kinderen.’

Het sluitstuk van de terras-scène is een monoloog van de man over ondernemers waarvoor geen opleiding is. ‘Middenstandsdiploma?’ probeert een van de spichten nog. Maar daar dendert zonnebril overheen. HR-beleid, onderhandelingstechnieken, daar draait het om bij ondernemen! Niet het bijhouden van een lullige boekhouding. Het is geen winkeltje spelen! Hij doet zijn bril af en legt deze op tafel. De spichten slaan stil. Moeder-de-vrouw doet nu echt niet meer mee. Waar denkt zij aan? Eén van de zussen staat op. Zij gaat plassen.

De uitsmijters zijn op. De koffie ook. De lange, dunne jongen loopt langs. ‘Heeft het gesmaakt?’ Dat is lastig. Het was niet lekker. Maar het gesprek naast ons maakte veel goed.
‘Ja, lekker. Kunnen wij zo afrekenen?’

Advertisements

Sleeën op de Cauberg, 1 februari 1942

IMG_4812-0.JPG
IM Ben Sajet (15) , Frits Meijer (12) en Rudi Gottschalk (15)

In het kleine museum ‘Land van Valkenburg’ in de Grotestraat in Valkenburg staat een vriendelijke man achter de kassa. Bril, bruine ogen, smal gezicht. Hij straalt als hij de twee nieuwe bezoekers ontwaart.

‘U heeft een museumjaarkaart?’ zijn gezicht glimt van plezier.
‘Ja, die hebben wij’, zeggen de twee bezoekers braaf en zij tasten ieder in de eigen portemonnee en halen het kaartje tevoorschijn.

Een vrouw van onbestemde leeftijd,-zij kan tussen de 45 en 65 jaar oud zijn-, staat verlegen bij het hoekje van de counter.
‘Wilde gij afrekenen?’ vraagt de vriendelijke heer aan haar.
‘Neuj hè’ antwoordt de vrouw. Ze schudt met haar hoofd van ‘nee’ en verschuilt zich achter haar zwarte, dikke pony. Onwillekeurig schuift ze nog wat naar achteren. De man verblikt noch verbloost. Hij pakt drie foldertjes van de stapel.
‘Ik geef u drie foldertjes. In deze staan diverse aanbiedingen van bezienswaardigheden in de omgeving.’ De bezoekers knikken braaf. Zij komen alleen voor de tentoonstelling ‘Even zo vrolijk is het treurig. Herinneringen aan Joods Valkenburg. Joodse taferelen van Mels Sluyser.’

‘Deze folder is zeer interessant: boven in het museum kunt u de geschiedenis zien van vuur en vuurstenen. Ook is daar een gedeelte ingericht over mergel. U weet, mergel is de steensoort waar tegenwoordig weer zoveel mogelijk mee gebouwd wordt, hier in de omgeving?’ De bezoekers knikken en kijken verlangend naar rechts, achter de man. Daar hangen de schilderijen van Mels Sluyser. Kleurrijk. Marc Chagall-achtige taferelen.

‘Ja, ook de vuurstenen-collectie is bijzonder’ gaat de man door.
‘We weten natuurlijk niet precies hoe oud de stenen zijn, maar u weet, dat moet zo rond de pre-historie geweest zijn.’

De bezoekers ondergaan gelaten de woordenstroom. Zij moeten wachten tot de vriendelijke man klaar is. Omdat hij zo vriendelijk is. Er zijn geen andere bezoekers. Hij heeft alle tijd.

Omstandig legt hij uit hoe naar boven te klimmen.
‘En, op de tweede verdieping is…?’ Hij kijkt vragend naar de verlegen vrouw.
‘Daar is momenteel nog niets, toch?’
‘Neuj hè’ antwoordt de verlegen dame.
‘Nee, daar wordt nu verbouwd’ weet de man opeens.

‘En hier kunt u een kopje koffie drinken uit de automaat. Daar zijn de toiletten.’ De bezoekers zijn moe. Ze drinken inderdaad eerst maar een kopje koffie. En ze bezoeken het toilet.

Eindelijk zien ze de tentoonstelling. Indrukwekkend. Foto’s van huizen in Valkenburg met daaronder de uitleg over de Joodse bewoners. Zij zijn allen weggevoerd. En vermoord. De twee Joodse veehandelaren, de zangeres, de slager, de rabbijn. En ook de twee Joodse jongens, die in 1942 aan het sleeën zijn op de Cauberg. Zij worden opgemerkt door de NSB-er Jozef Smeets. Hij maakt er werk van. De Sicherheitspolizei in Maastricht wordt voor de zekerheid gebeld.
‘Is de Cauberg voor Joden verboden?’ En ja, Maastricht meldt:
‘de Cauberg is voor Joden verboden.’

De heer Smeets, wachtmeester Godert van Renbes en marechaussee Elsenaar nemen poolshoogte. Zij gaan naar de besneeuwde Cauberg. Het is 1 februari 1942 Twintig kinderen zijn aan het sleeën. Zo’n 200 mensen kijken toe. Zij genieten vast van de sneeuwpret en het plezier van de kinderen.

In het rapport van marechaussee Elsenaar staat het volgende:
‘Verder was een persoon aan het sleeën die het uiterlijk had van een Jood. Bij bevraging verklaarde hij Jood te zijn en in mijn opdracht verwijderde hij zich onmiddellijk. Banleider Smeets wees mij daarop nog een persoon aan die volgens hem Jood was. Dit was geen Joods type, doch bij onderzoek bleek mij dat het een Jood was. Ook deze persoon heb ik weggezonden.’ *

De jongens waren waarschijnlijk de 15-jarige Ben Sajet en de 12-jarige Frits Cohen. Het zou ook de 15 jarige Rudi Gottschalk geweest kunnen zijn.

Dit alles zien en lezen de bezoekers van de tentoonstelling. Ook zien zij de schilderijen van kanker-onderzoeker Mels Sluyser, zoon van de bekende radio-commentator en schrijver Meijer Sluyser.
‘Ik ben en blijf een Jood. Graag wil ik laten zien, omdat zovelen er niet meer zijn, wat het Joodse leven betekende en betekent.’ Dat deed Sluyser met kleurige schilderijen.

Sleeënde jongens wegsturen van de besneeuwde Cauberg. In dit vriendelijke en liefelijke landschap. In dit toeristische, kleine stadje. Met deze aardige mensen. Het gebeurde, gebeurt en zal gebeuren. In stadjes, vriendelijke en onvriendelijke. Overal en ergens.

De bezoekers bekijken niet de vuur-en mergelsteen-tentoonstelling. Zij zeggen de vriendelijke heer en verlegen dame gedag.
‘Had ik u deze folder al gegeven?’ Hij houdt de folder met plaatselijke bezienswaardigheden en aanbiedingen omhoog. De bezoekers knikken braaf. En zij fietsen weg.

*Uit: ’42 Joodse Valkenburgers opgepakt en vermoord’, Jan Diederen, 2014

Een ongeluk komt nooit alleen

‘Nulla calamitas sola’

IMG_4758.PNG
‘s Avonds, rond zeven uur, komt ons vermoeide kind terug uit Amsterdam. Net als ik haar wil waarschuwen dat voor de voordeur ‘de drol’ ligt, valt ze letterlijk en figuurlijk met de deur plus ‘drol’ in huis. ‘De drol’ is een in elkaar gedraaide handdoek, zorgvuldig getaped met plakband. Deze ligt voor de kier aan de onderkant van de deur. Tegen de tocht die daar doorheen jaagt.

Volledig overstuur meldt ze iets dat ik niet versta. Ik weet dat er iets ergs gebeurd is. Net als ik denk aan het allerergste, dood en verderf, hoor ik, na heel goed luisteren: ‘mijn laptop is gestolen!’

Ik zet haar op een stoel. Eerst maar wat rustiger worden. En ik denk aan de gloednieuwe laptop. Zilvergrijs. Flinterdun. Vorig jaar liepen we, vol blijdschap, door Amsterdam met een mooie, witte rugzak naar de trein. In de hypermoderne Apple store kochten we de MacBook air. Na veel dubben, wikken, wegen, centjes tellen en denken aan een studie van vier jaar plus master (?), kochten we deze peperdure laptop. Iedere dag wordt deze gebruikt. Braaf voor studie-doeleinden, maar ook voor allerlei andere bezigheden. Filmpje kijken, foto’s opslaan, mailen, internetten. De zilveren laptop maakt overuren.

De dief zag laatst bij de inbraak in ons huis dit begerenswaardige object over het hoofd. Gewikkeld in een roze placemat had hij niet in de gaten dat hierin dit apparaat op de vensterbank lag. Naast een roze agenda en roze etui. ‘Waardeloze meidendingen’ dacht-ie waarschijnlijk.

De placemat redde de laptop van de ondergang: indirect werd hij gespaard door onze poezen. De placemat diende als bescherming tegen hen, die het warme apparaat gebruiken om heerlijk op te gaan liggen. En dat werd de trotse eigenaar toch te gortig. Dat prachtige apparaat zou bezoedeld kunnen worden door modderige kattenpootjes of loshangende takjes en kleine blaadjes uit de dikke vacht…Vandaar de roze bescherming.

De gekoesterde laptop is nu alsnog gestolen. ‘Het is mijn eigen schuld, ik was hem vergeten, maar dat komt ook omdat ik mij niet goed voelde, ik was zo moe, tikte twee zinnen en deed hem dicht. Ik stopte hem in mijn hoes. Ik moest vier uur wachten op dat verplichte college. Opeens was het tijd en ik vergat hem. Ik dacht ‘wat is mijn tas toch licht.’ En toen dacht ik aan de laptop. Ik ging gelijk terug. Mijn boek lag er nog. De laptop niet meer. Ik ben naar de receptie gegaan. Ik dacht ‘misschien is de laptop afgegeven’ maar ze zei: ‘nee, er is niks afgegeven. Er worden hier aan de lopende band laptops gestolen. Dit is de 13e gestolen laptop deze week.’

Ik kon het niet geloven, maar hij was weg! Ze lopen rond en kijken of iemand niet oplet, of even weggaat en ook al vraag je iemand erop te letten, dan nog worden ze gestolen. Dat vind ik erg! Ze zijn er op uit. En ik was er zo zuinig op. Het is wel mijn eigen schuld. Ik was het gewoon vergeten.’

In één verdrietige ratel komt dit verhaal eruit. Intussen belt haar vader de verzekering. We zijn niet verzekerd tegen verlies of diefstal buitenshuis. Ik kook van binnen.

‘Ik had alles zo netjes bijgehouden…Alles in mapjes opgeslagen. Iedereen vroeg: ‘stuur je mij nog je verslagen?’ Dat zou ik vanavond doen. Had ik het nu maar eerder gedaan. Ik ben alles kwijt. En ook al mijn foto’s…!’

Nee, ze had geen back-up gemaakt. Al onze hoop vestigden we op de Icloud. Helaas. Iets gaat ooit werken op de cloud, maar pas na de nieuwe release van ‘Yosemite’ en dan nog moet je handmatig één en ander bijhouden…Kansloos. Alles is weg. Foetsie. Verdwenen.

De 13e laptop in een week tijd. In het universiteitsgebouw. Alle vrienden en vriendinnen zijn gewaarschuwd door dit incident: niemand zal ooit zijn of haar laptop ooit in het VU-gebouw meer verlaten. Daar heeft mijn bestolene jammer genoeg niets aan. ‘Ik koop wel een goedkope bij de Aldi…Ik doe alles met de laptop. Ik kan hem niet missen…’

En ik denk aan precies 35 jaar geleden. Ik zette mijn fiets neer in hartje Haarlem. Op de hoek Botermarkt/Tuchthuisstraat. In mijn fietsmandje stond, op zijn zij, mijn beige schooltas. Zo’n grote rechthoekige, met een brede, leren riem. Zilveren gesp. Ik deed even een boodschapje. Toen ik terugkeerde was de tas weg. Dezelfde ontsteltenis voelde ik toen als nu dit kind. ‘Hoe kan dit? Wie doet dit? Waarom?’ Wanhopig treurde ik om mijn aantekeningen, zo nauwgezet bijgehouden. Alles zat in de multomappen in mijn tas. Niemand kon er wat mee. Aantekeningen over de ablativus, de imperativus van esse en waarom juist daar de imperativus was gebruikt…Allemaal gymnasiasten-ballast, netjes en overzichtelijk genoteerd.

Huilend stond ik uren lang de aantekeningen te kopiëren van mijn vriendinnen W. en A. Allebei bollebozen, dus het kwam uiteindelijk goed met mijn proefwerken. Maar mijn bloedig bijgehouden eigen aantekeningen… Het weekend stroopte ik nog met mijn vader de buurt af en we keken in alle prullenbakken. Geen groene of zwarte multomap te vinden. Geen snippertje papier ooit teruggevonden.

Ik keer terug in het heden. Er komt een nieuwe laptop. Ze krijgt aantekeningen opgestuurd van vriendinnen. Hopelijk ook bollebozen. Haar foto’s staan gedeeltelijk in haar telefoon en op Facebook. Ze haalt ze terug.

Bolleboos. Dit woord is gekozen als mooiste woord van de afgelopen anderhalve eeuw. Ja, het is een mooi woord. Bolleboos heeft het gewonnen van ‘regelneef’ en ‘bekokstoven’. En terecht. Die woorden doen mij denken aan professionele etters, die 35 jaar geleden schooltassen en in 2014 laptops jatten van scholieren en studenten. ‘Etters’. Ook een mooi woord.

‘Wat studeer je eigenlijk?’ vraagt het aardige meisje in de Haarlemse Apple store. Op haar badge staat ‘Welkom’. Zij is degene die de klanten verwelkomt. Ze hoort lief het verhaal over de gestolen laptop aan. ‘Criminologie’ is het antwoord. De ironie….

Ver heen

IMG_4738.JPG
Schilderij ‘Love comes to everyone’, Raymond van Heusden
http://www.raymondvanheusden.nl/www.raymondvanheusden.nl/Welkom.html

Jonge sla

Alles kan ik verdragen,
het verdorren van bonen,
stervende bloemen, het hoekje
aardappelen kan ik met droge ogen
zien rooien, daar ben ik
werkelijk hard in.

Maar jonge sla in september,
net geplant, slap nog,
in vochtige bedjes, nee.

Rutger Kopland, 1970

In de Trouw van zaterdag lees ik in de bijlage Letter & Geest een verhaal over psychiatrische patiënten en kunst, ‘Schilderen tegen de gekte’. Het is een lichtelijk onsamenhangend artikel. Ik haak na één bladzijde af. Maar bij het omslaan van de pagina wordt mijn oog getrokken door twee bekende namen: Prof P.C. Kuiper, hoogleraar psychiatrie en schrijver van het ontroerende boek ‘ Ver heen’. En Rutger Kopland, de dichter van het prachtige gedicht ‘Jonge sla’, in het dagelijks leven psychiater Rudi van den Hoofdakker.

‘Ver heen’ gaat over de periode die Piet Kuiper doormaakte, toen hij belandde in een diepe depressie. Een beetje wrang was het wel: een bekende hoogleraar psychiatrie die zelf leed aan één van de door hem beschreven ziekten in zijn standaardwerk ‘Hoofdsom der psychiatrie’.

Destijds kocht ik ‘Ver heen’ en las het boek ademloos uit. Prachtig schrijft Kuiper over zijn ziekte, de aanloop er naar toe, de doorleving en zijn angst nooit meer te herstellen. Het boek stond stilletjes bovenin onze boekenkast, toen ik na een aantal jaren zelf in een pikzwarte periode belandde. Het werd zo donker dat ik niet het boek van Kuiper durfde te herlezen. Bang dat mijn eigen nachtmerries in het boek bewaarheid zouden worden.

Kuiper kreeg waanbeelden en hij wilde zijn vrouw en dochter beschermen tegen ‘het kwade’. Ik kreeg geen waanbeelden, maar voelde dat het kwaad in mij kroop en zich richtte op mij zelf. Niet op anderen.

Uren reed ik rondjes in de auto. Naar het strand, naar de zee tuurde ik. In mijn eentje in de gure herfstwind op de troosteloze boulevard. Verlaten. Witte schuimkoppen en groengrijs water. Aan- en wegrollende golven. Het leek me toch echt te koud en ik ben een goede zwemmer. Huiverend stapte ik weer in de auto voor mijn rondjes.

Ik herinner mij niet wat het ergste was: het buiten en boven jezelf staan, het kijken naar de overgang met de rood-witte spoorbomen, zittend in de auto langs de kant. Denken dat, als dit niet meer overgaat, het niet hoeft. Het leven. Dat hier geen lol aan is.

Er waren twee kleine, verre, lichtpuntjes in die tijd: de nuchtere Jan M., die mij verzekerde dat het ging om een reactieve depressie. Heel normaal na een heftige gebeurtenis of slepende, gevoelige kwestie. En ja, daar kon je wel over spreken in mijn geval.
Het andere zwakke schijnsel waren twee kleintjes thuis. Voor hen voelde ik mij verantwoordelijk. En ik voelde hun handjes en kusjes. Liefde. Soms.

Langzaam werd het lichter en na een paar maanden was de pikzwarte duisternis weg. Ik keerde terug in mij. Kon naar de aanrollende golven kijken en reed fluitend het spoor over.

Die tijd heeft mij veel geleerd. Hoe vreselijk het is altijd in deze duisternis te leven. Wat dat betekent voor een mens. De angst om de donkerte nooit meer kwijt te raken. Liever er niet meer zijn dan wel.

Er zijn patienten die door schilderen, dichten, beeldhouwen misschien een lichtpuntje voor zichzelf creëren. Kuiper meende veel baat gehad te hebben bij het schilderen tijdens zijn ziekte. Ik twijfel daaraan, net als Kopland. Het enige dat ik mij herinner van die tijd is het allesoverheersende gevoel niets waard te zijn. En dat graag te willen verzilveren. Geen kwast, klei of pen had daar iets aan kunnen veranderen.

Alleen de liefde. Misschien was het ook de liefde voor zijn zoons, die prins Claus destijds op de been hield. Niet schilderen noch dichten.

Schrijven doe ik nu. Tijd, ruimte, een leeg hoofd en een vol hart. Dat is wat de schrijver in mij doet schrijven. Verhalen, letters en woorden duikelen over elkaar heen als vrolijke poppetjes, dansend in een kleurig prentenboek.

De ondraaglijke lichtheid van het bestaan. Die ik goed verdraag.
Vergeten doe ik het niet. De onverdraaglijke zwaarte van toen.
Jonge sla in september.

Goodbye

IMG_4736.JPG
Ik had er zin an. Maar niet heus. In een dolle bui, flink uitgerust vanwege de vakantie, bestel ik in juli kaarten voor Wende Snijders. Ze treedt in september op in het mooie openluchttheater in Bloemendaal. Daar waren we eerder dit jaar. Bij het concert van Ane Brun. Harde banken, kakker-volk met witte wijn en praatjes. Wel mooie, grote oeroude bomen, ruisende blaadjes, en nu: late herfstwarmte.

Maar ik heb geen zin. Ik ben moe van een drukke week. Ik wil vanavond dom op de bank zitten. In mijn warme, fleece joggingpak. Met een klein, zoutig vliesnootje van de Hillegomse notenbar. En een borrelnootje van Calvé. Provençaalse mix. Sapje erbij. Kijken naar The Voice. Gewoon moe zijn. Daar heb ik zin in.

Zuchtend kleed ik mij om. Ik doe een broek aan, sokken en laarsjes. Vestje aan. Jas mee. Vanavond koelt het vast af. Nu is het nog warm en zwoel. Ik zweet in deze warme outfit. We fietsen door de vroege herfstkleuren naar Bloemendaal. Het is een prachtige fietstocht. Vogelenzang, Aerdenhout, Overveen, Bloemendaal. Mooier kan niet. Een oranje balletje zon licht op als een seventy’s-lampje, boven de kleurende blaadjes. Het is rustig op de weg. Iedereen maakt zich natuurlijk op voor The Voice. Dat wil ik ook zien. Maar we gaan modern doen en naar een concert van Wende Snijders.

Ooit kocht ik een cd van Wende. Toen zong ze Franse chansons met een indringende, bijzondere stem. Ze was een hype en een ‘ontdekking’. Jubelende recensies. Ook dit concert wordt goed ontvangen en positief besproken in de pers. ‘In het theater valt alles op zijn plek bij Wende’ aldus de NRC. ‘Absolute wereldklasse’ schreeuwt de Telegraaf. Patjepeeërs. Ik heb nog steeds geen zin.

Als de hekken opengaan, stroomt het publiek naar binnen. We stappen flink door, het hoge duinpad op. We willen graag een plekje met rugleuning. En een houten bank. Niet dat betonnen geval hoog in het theater. En we bemachtigen een prima plek. Mid-mid. Vlak voor het Wende-spektakel.

‘Het is de vierde keer dat ik haar zie’, hoor ik achter mij een prettige vrouwenstem vertellen aan haar buurman. Een aardige mannenstem antwoordt: ‘vier keer?! Ik heb haar nog nooit gezien.’ Het valt mee met de kakkers en het witte-wijn-gehalte. Er zijn veel oudere bezoekers. Keurige mensen. Wat alternatieve types. Veertigers. Vijftigers. Ik zie een te bruine, te blonde vrouw, zonnebril in het haar. Haar man is het type Jan de Bouvrie. Nieuw geld. Het is een zeer gemengd gezelschap.

En de avond treedt in. De oude, reusachtige dennen achter en rond het podium en theater steken donker af tegen een lichtere lucht. De lucht lijkt heel lichtblauw. Toch wordt het donker om ons heen. Schemerig. En het is nog steeds warm. Mijn jasje kan nog uitblijven.

Het is 20.30 uur. Het feest kan beginnen hoor. En pats-boem, een flinke knal en alle lichten, gericht op het publiek, floepen aan. We zijn klaarwakker. Een frêle vrouw in het zwart zingt. Televisie-schermen achter haar laten zwart-wit filmpjes zien. Eigenaardige beelden. Een naakte man, vrouw?, die voortkruipt, waar naar toe? En de frêle vrouw zingt. Zuiver. In prachtig Engels.

Caprera wordt betoverd door het fascinerende schouwspel in zwart-wit. Het donkergroen van de bomen licht zo nu en dan op. In het water van de vijver zie ik kringetjes ontstaan. Net alsof er druppels regen in vallen. Maar het regent niet. Zitten er kleine visjes in? Of kikkers? Zouden zij meegenieten van dit spektakel? Ik droom weg, voor zover dat kan in de wisseling van zang, doordringende synthesizers en aanfloepende, felle lampen.

The Voice is volledig weg uit mijn gedachten. Nog even denk ik: ‘ze zouden alle vier draaien voor deze stem.’ Maar echt grappig vind ik dit niet. Wende Snijders is een artiest. Eén met eigenheid en durf. Die vast wel eens twijfelt aan zichzelf, aan haar werk, maar toch doorzet en haar ideeën vormgeeft. Meer dan 1000 mensen zijn nu voor haar gedraaid. Geboeid luisteren wij allen in dit natuurtheater naar deze talentvolle vrouw met lef.

Als het even stil is en de zangeres contact met het publiek lijkt te maken met een lieve, verlegen lach, roept een man vanuit het publiek: ‘mooi hoor!’ Wende lacht. En ze draagt, staande op een steen voor de vijver, een gedicht voor.

Het concert eindigt met een prachtig lied, Wende speelt zelf piano. Het is stil. ‘Please don’t go, without saying goodbye.’ En ik denk aan Rob. Cootje. Ige. En aan mijn moeder. Haar zei ik niet gedag voordat ze ging.

Stil lopen we het hoge duinpad af.

Ziek

IMG_4860.JPG
En toen zaten we opeens in het ziekenhuis. Een mooi, groot gebouw midden in de drooggelegde Haarlemmermeer. Grote glasramen in de corridor waar we doorheen lopen. Een efficiënte, vriendelijke ontvangst door een mooie, bescheiden opgemaakte receptioniste. Mijn kind dat gelukkig eraan dacht haar paspoort mee te nemen. ‘Mijn rijlesleraar heeft nog mijn ID-kaart.’ Oké, goed dat ze eraan denkt. Zonder legitimatie geen ponskaart. Zonder legitimatie geen afspraak. Bij iedere balie vragen ze erom.

Ruime wachtruimten met knusse zitjes. Bloemetje op tafel. Gezellige lampjes erboven. Een dame, gehuld in gele sjaal en hoofddoek zit tegenover mij. Haar man, knielange zomerbroek, zit naast haar. Zijn arm ligt achter haar op de rugleuning van de bank.

Jonge doktoren lopen langs: ‘mevrouw van Heteren, komt u mee?’ Naar welke ruimte worden wij zo geleid? Naar een open zitje in de ruimte? Die zitjes bevinden zich achter geluidwerende, stoffen schermen met gekleurde banen. Groen/ donkergrijs/lichtgrijs. Hip hoor.

Het is 11.05 uur. ‘Met wie heb je eigenlijk een afspraak?’ vraag ik. ‘Dat weet ik niet, een internist.’ Vroeger hoorde je altijd met welke internist je een afspraak had. Nu kennelijk niet. Maar mijn kind regelt het zelf. Dat is goed. Ik ben mee voor de auto-rit. Beter dan de bus. En ik ben mee omdat ik bezorgd ben. Om haar. Om de onverklaarbare vermoeidheid van dit stoere kind. Dat ondanks alles altijd doorgaat, maar langzaam gesloopt wordt door vermoeidheid, infecties, overgeef-aanvallen, hoofdpijn. Ik maak me zorgen. En zij baalt. ‘Al mijn leeftijdgenoten gaan uit, werken, studeren en doen van alles. Ik kan niks’ Het is verdrietig. Zij is verdrietig. En wij zijn bezorgd. Steeds bezorgder.

‘Ik zit hier verdomme al lang te wachten. Ik heb nog wel meer te doen!’ hoor ik in de gedempte ruimte bij de balie. ‘Ik vind dit nul!’ En de rechterduim en wijsvinger van de boze patiente vormen een nul. Het is 11.11 uur. Wij wachten nu ook al een half uur. We waren ruim op tijd. Om 11.00 uur is de afspraak. De internist zonder naam is 11 minuten te laat.

De gehoofddoekte vrouw loopt weg. Met kruk. Zij hoest lelijk. Achter mij hoor ik de vriendelijke begroeting van het echtpaar door de arts.

‘Je kan gewoon werken daar in het ziekenhuis. Ik kan zelf prima het woord doen’, zegt mijn kind. En ik neem mijn iPad mee. En ik werk. Bel. Mail. In die grote ruimte. En ik ben intussen bezorgd.

‘Veel loze ruimte hier’, hoor ik een paar stoelen verderop, terwijl ik net denk: ‘wat is deze ruimte fijn.’ Je zit lekker uit elkaar. Geen gehoest vlak naast je. Zelfs gescheld valt niet echt op. Rust, ruimte en gedemptheid. En waar is die ziekenhuisgeur gebleven? Op onverklaarbare wijze verdwenen.

Een aardige, vrouwelijke internist bevraagt om 11.20 uur mijn kind. Weer de onderzoeken, die ze al eerder onderging, stelt deze jonge arts voor. Routine-onderzoeken. En een foto. Met de winstwaarschuwing dat ‘als dit niets oplevert, er geen verklaring is.’ Als ik vraag naar haar advies hoe met de klachten om te gaan, krijgt het kind te horen wat ze al drie jaar hoort: ‘gewoon doorgaan, ga weer sporten, ga uit, doe wat je moet doen.’ Het kind wordt witter en witter.

We lopen met alle papiertjes van de bloedonderzoeken en de longfoto, wapperend in mijn hand, naar buiten. ‘Dit doe ik niet, niet weer al die onderzoeken!’, roept het kind. ‘Daar komt toch niets uit. Ik had echt goed uitgezocht wat het misschien kan zijn, maar daar luisterde ze niet naar’, zegt ze ontmoedigd. Ik zie diep verdriet. ‘Ik doe juist zo graag alle dingen die zij voorstelt, maar het kan echt niet. Ik wil het wel, maar het lukt niet. Er is echt iets aan de hand. En het is géén stress! Ik word niet serieus genomen.’ En ik denk aan de beperkingen van de wetenschap. We weten veel, maar ook zo droevig weinig. En ik troost en beloof dat we net zo lang doorgaan tot er een oplossing komt.

We kopen een tompoes en een moorkop. En twee aardbeientaartjes. Dan dat maar. Kusje erop en het is over. Helaas, die tijd is voorbij. We gaan nu door met speuren en zoeken tot dit kind zich weer goed voelt. Vrolijk sport, uitgaat, studeert. Leeft! Gewoon. Zoals het hoort.

Eigenlijk mag ik geen vette moorkop. Maar deze smaakt goed. Een beetje zoet na al dat bitters.

Echt Hema

IMG_4844.JPG
Gisteren zag ik het al op het journaal. En nu staat het ook in de krant. De Hema verandert. De rookworst blijft, al is er nu ook een biologische variant. Maar vakken vullen is er niet meer bij. Er moet gepresenteerd worden. En vooral moeten hebbedingetjes gepresenteerd worden, want de Hema verliest klanten en dus omzet aan de Action en andere hebbedingetjes-winkels.

Is dat erg? Ja, wel dat omzetverlies van deze oer-Hollandse zaak, met een filiaaltje hier en daar in België en naar ik meen ook in Frankrijk. Maar dat veranderen? Welnee, ik begrijp dat goed. De CEO, Ronald van Zetten, een aardige, grijzende heer, die redelijk gewetensvol overkomt, moet iets doen om de dalende omzet een halt toe te roepen. Hij zal daar wel wat grijze haren van hebben bijgekregen. Hoe lastig is dat, veranderen?

Het woordenboek komt niet verder dan ‘veranderen [vərˈɑndərə(n)] (…)
• ervoor zorgen dat het niet hetzelfde blijft
vb:ik ga deze jurk veranderen
synoniemen: vermaken wijzigen variëren
• er ontstaat iets dat niet hetzelfde is
vb:het huis was veranderd in een puinhoop
• van mening veranderen [een andere mening krijgen]

Ik moet even denken aan ons huis dat na de inbraak veranderd was in een puinhoop. Er ontstaat iets dat niet hetzelfde is. Interessant.

Helaas ontstaan veranderingen niet vanzelf. Bij ons was het een schlemielige dief die de boel veranderde en tornde aan ons gevoel van veiligheid.

In Lisse komen de veranderingen die Het Nieuwe Werken met zich meebrengen langzaam op gang. De ‘early adaptors’ genieten van de vrijheid en de mogelijkheden van Het Nieuwe Werken. Eerlijk gezegd moest ik zelf eerst wel even wennen, maar nu laveer ik blij tussen thuis, werk en allerlei andere plekken om te mailen, schrijven, bellen, overleggen, voor te bereiden enzovoort. Vandaag, dinsdag, ben ik vrij, maar een drukke woensdag en donderdag vragen toch om wat uurtjes werk. Maakt niet uit. Ik zit lekker aan tafel met IPad, IPhone en krant en ik switch vrolijk tussen vrij zijn en werken. Ik ga zo hardlopen en een was draaien. Nu schrijf ik een blogje. In mijn vrije tijd een beetje schrijven over het werk. Leuk hoor.

In een moeilijk artikel van Jaap Boonstra en Leon de Caluwé, ‘Interveniëren en veranderen, zoeken naar betekenis in interacties’, lees ik op pagina 13 iets moois over leiderschap. De schrijvers hebben het over ‘de nieuwe eerlijkheid’. Jezelf kennen is de essentie van leiding geven. Wat vind jij zelf mooi, goed en belangrijk? Pas als je dat weet kan je authentiek en visionair leiding geven aan anderen. Ja, als je er zelf niet in gelooft dan geloven anderen het al helemaal niet. Dat is zo klaar als een klontje.

Onder het kopje ‘positief mensbeeld
van groei en verantwoordelijkheid’ lees ik iets dat mij treft: ga ervan uit dat mensen zelf ook beter willen worden. En dat hierbij geldt dat ‘mensen niet ziek hoeven te zijn om beter te worden’. En ik denk aan de goede avond met raadsleden vorige week. Over het onderwerp ‘participatie’: meedoen, invloed uitoefenen en initiatieven ondersteunen. Vanuit het goede dat er al is verkenden we allen het moment in een participatie-traject dat ons raakte: was dat het inzicht in de zware thuis-problematiek van de hangjongere bij de plaatsing van een hangjongerenplek vlak achter jouw buurt of de betrokkenheid van inwoners bij de inrichting van ‘hun’ plein? Waarom was dat nu zo bijzonder? Wat ontstaat er in Lisse als dat voor jou bijzondere meer voorkomt? Wat wilt u graag meer zien in Lisse? En de mooiste resultaten sloegen ons om de oren. Vanuit het persoonlijke en dat-wat-er-al-is veranderen: met een paar deftige woorden kan je dat betitelen als waarderend vernieuwen*. Een mooie avond was het.

En tot slot: verbind denken aan doen. Vind je Het Nieuwe Werken belangrijk? Doe het dan, juist als leiding-gevende! Beweeg je tussen de afdelingen, nee, tussen de mensen en verbaas je over hun betrokkenheid, hun werklust, hun ijver alles goed te doen. En wil je het nog beter of anders hebben? Start dan vanuit het goede dat er al is. Dat werkt prettig, het geeft houvast en biedt vertrouwen.

Vroeger kocht ik alle rompertjes, sokjes, mini-zwembroekjes, Jip-en-Janneke-slabjes en boterhamtrommeltjes met Takkie bij de Hema. Ik ga gauw weer eens kijken: dat USB-stickje in de vorm van een Hema-worst. Geweldig! Past ook goed in het Nieuwe-Werken en Waarderend Vernieuwen: iets vertrouwds (worst) in een nieuw jasje (USB-stick).

En nu ga ik echt dat rondje hardlopen.

*Sandra Kensen, ‘Waarderend vernieuwen’ http://verlangennaarmeedoen.wordpress.com/2014/08/27/waarderend-vernieuwen/