Doe iets!

IMG_4819.JPG
De fijnste katern van Trouw is Tijd. In Tijd staan lezersbrieven. Deze zijn altijd heel interessant en soms dolkomisch. De vragen variëren nogal, maar het gaat altijd om rare problemen die de Tijd-Mona, Beatrijs Ritsema, fijnzinnig oplost. Zo las ik eens een brief van een vrouw wier zwager nooit zijn verjaardag viert, maar wel een cadeau wenst. Beatrijs’ advies luidde deze zwager op prettige, doch duidelijke wijze te laten weten dat feliciteren op afstand (telefoon, kaart, Facebook) van deze jarige niet-vierder prima is, maar dat een cadeau niet op zijn plaats is.

In deze Tijd mag een vriendin, die altijd in de overtreffende-trap-modus staat (alles is beter en mooier bij deze vriendin), daar op gewezen worden. ‘Op een rustige, vriendelijke manier. Zeg tegen haar: ‘Sorry, ik heb een probleem met jouw manier van reageren’ en geef een voorbeeld.’ Dat zijn de lezersbrieven en antwoorden in Tijd.

Ook staat de Tijd van deze zaterdag in het teken van ‘Doe iets’. Dat ‘iets’ kan veel zijn. Zo lees ik het verhaal van Petra die een stand-up comedian-cursus volgde in New-York. Waarna ze moest optreden voor (verwend) New-Yorks publiek. Ik denk even terug aan mijn Spreken-met-impact cursus. Voor mij net zo griezelig als voor Petra de comedian-cursus. En weer neem ik mij voor de volgende cursusdag mijn schroom te laten varen. Maar…, ik doe iets! En dat voelt oké.

Ik mijmer wat verder over iets doen en ik bedenk mij dat het belangrijkste dat ik dit jaar deed mijn bezoek aan de Schrijversvakschool was. De cursus proza. Weken lang schrijven aan een verhaal. Samen met de andere cursisten iedere week mijn verhaal en de verhalen van anderen bestuderen en mild bekritiseren, om de week daarop weer te (her-) schrijven. Soms verbeterde ik in de trein op de weg terug, Den-Haag/Heemstede-zo’n 25 minuten, de eerste zinnen. Haalde de clichés eruit. Waarop de journaliste E. mij eerlijk wees: ‘ik zeg het maar even op zijn Rotterdams, dat vind je niet erg, hè?!’ En ik, gesmolten, vond dat niet erg. Sterker nog, ik vond het prima. En hup, in de trein verdwenen de ‘diepblauwe ogen’ en ‘donkere krullen’ in mijn verhaal.

Na de cursus leurde ik met mijn verhaal langs twee literaire tijdschriften, in het kader van: ‘nee heb je.’ In de vakantie stuurde ik maar eens een herinneringsmail. Tijdschrift 1 wees mij in het antwoord op de huisregel dat als je binnen zes weken niets hoort je verhaal niet wordt geplaatst. O ja, dat had ik kunnen weten. Stond op de site. En in de herinneringsmail. Dat was het tijdschrift waar je eerst zelf een exemplaar van moest kopen voor je je verhaal mocht insturen. Slim. Tirade ligt nu op mijn nachtkastje. Iedere keer als ik het zie liggen denk ik aan de zes weken waarin ik niets hoorde. Ik moet dat tijdschrift maar eens in de kast zetten. Het valt dan lekker weg tussen al mijn boeken.

De redacteur van tijdschrift 2, De Gids, reageerde op mijn herinneringsmail als volgt:

‘Beste Annelie,

Uw verhaal was er een dat ik niet meteen terzijde heb geschoven, zoals met 90% van de inzendingen gebeurt, maar ik had niet eerder tijd het beter te lezen. Ik ga het aan de redactie voorleggen maar die komt pas in de loop van augustus weer bijeen dus het zal nog even duren voor u een definitieve reactie krijgt.’

Mijn hart sprong op toen ik dit las. We waren net terug uit Normandie. De koffers stonden nog in de kamer. Ik lees de mail voor aan mijn stomverbaasde familie-leden. Ik zie ze denken: ‘mijn moeder? Een verhaal in een tijdschrift?’ Trots, ongeloof en zelfs puber-afgrijzen zie ik in hun ogen.

Ik wil een hartelijk bericht aan de redactrice van De Gids terugsturen, maar bedenk me plotseling dat ik beter eerst de koffers kan uitpakken en intussen rustig moet nadenken over een gepast antwoord. Dat antwoord dient bescheiden en toch overtuigd-van-jezelf te zijn. Moeilijk. Ik sta op en sla nog een blik op deze geweldige mail. Ik zie opeens dat er een tweede bericht aan hangt. Ik open het en lees:

‘PS Neem me niet kwalijk, ik vergiste me; het verhaal is inmiddels besproken en helaas hebben we het niet kunnen accepteren voor De Gids. Maar het is behoorlijk goed geschreven; u vindt wellicht een andere plek om het te publiceren.’

Ook dit bericht lees ik voor aan mijn inmiddels op het punt van weglopen staande familie-leden. We lachen allen hartelijk om deze PS. Het afgrijzen uit de ogen verdwijnt. ‘Gelukkig blijft ze een normale moeder. Eén die werkt, maar god-zij-dank niet in een tijdschrift een verhaal publiceert.’

Ik geef niet op. Zeven weken geleden stuurde ik mijn verhaal toe aan twee andere literaire tijdschriften. Nog niks van gehoord. Vandaag schrijf ik een herinneringsmail.

En ik lees verder lekker de krant. De Tijd. Met Doe iets! Morgen schrijf ik een nieuw verhaal. Beter nog dan het eerste. En ooit stuur ik het weer op. Naar Tirade. De Gids. En ooit plaatsen ze iets. Van mij. Later. Misschien.

Advertisements

Leave a Reply

Please log in using one of these methods to post your comment:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s