Brand

IMG_4933.JPG
als je droomt
dat er brand is
en je in paniek
de fotoboeken
achter uit de kast
wil pakken

maar er staan tassen
voor met rotzooi, kleding
in grote plastic tassen
en je denkt ‘het is niet zo

er staan geen tassen
daar’
maar je zoekt door
de volle tassen
gooi je in een hoek

je vindt ze
de boeken met foto’s
zwoegend en zwetend door rook
en hitte sjouw je de boeken
de trap af

bedenk je als je wakker wordt
het is maar een droom
fijn

Sonos

IMG_4925.PNG
Als ik binnenkom hoor ik muziek. Mijn vader zit in zijn gemakkelijke stoel bij het raam. Staat de t.v. aan? Nee, hij zal eindelijk het oude hifisetje aan de praat hebben gekregen.

Ik loop de kamer binnen.
‘Hee, hallo!’
‘Dag Puck’. Dat is mijn bijnaam die ik van jongsaf hoor.
‘Draai je een muziekje?’
Trots wijst hij op een futuristisch ogende luidspreker.
‘Gisteren gekocht bij van A.’
‘Zo, dat is mooi!’

Hij pakt de tablet van tafel en laat mij zien dat hij muziek kan draaien via de tablet. Ik staar even naar het beginscherm met de mooie foto van mijn donkere vader met zijn blonde kleindochter.

‘Wat goed, heb je dat zelf geïnstalleerd?’ vraag ik.
Een beetje betrapt, -hoe graag had hij ‘ja’ gezegd-, vertelt hij dat mijn broer hem daarmee heeft geholpen.
‘Ik heb het wel geprobeerd, maar je hoeft maar één knopje verkeerd in te drukken en het mislukt’ zegt hij spijtig.

‘Nou, ik vind het geweldig dat je dit kan en begrijpt, met die tablet. Heb je ook Spotify?’
Zijn dikke vingers drukken iets te hard op het scherm van de tablet. Ik zie al veel vette vingerafdrukken staan op het kwetsbare glas. Ik slik in ‘niet zo hard drukken, pa’ en ik kijk toe hoe hij Spotify vindt.

Mijn dochter, die eerder deze week bij hem was, vertelde thuis dat hij weer gevallen was. Hard op zijn rechterknie. Midden in de Fixet. Ik heb geen idee wat hij daar moest doen. Hij kan nauwelijks lopen, laat staan dat hij enige klus van betekenis kan uitvoeren.

‘Was je gevallen van de week?’ vraag ik.
‘Ja, heel pijnlijk op mijn knie op een betonnen vloer. Ik wist niet dat dat zo’n pijn kon doen. Ik kon niet opstaan. Ze hebben een stoel gezocht en mij daarop gezet. Na een tijdje ging het wel weer. Ik struikelde weer over een mat. Het komt ook door die rotschoenen! Die zijn een halve maat te groot.’

Ik denk aan de steeds onzekerder manier van lopen, de rollator die al ruim een jaar werkeloos in het halletje staat, -‘die heb ik echt niet nodig!’-, en de stok in de hoek van de kamer: ‘die heb ik binnen niet eens nodig. Kijk, ik loop prima!’ Het is grappig en ontroerend tegelijk om te zien hoe hij zijn voeten optilt en aan mij laat zien hoe goed hij loopt.

‘Is het toch een idee om met de rollator te lopen?’
‘Nee, dat helpt niet tegen struikelen over een mat. Kijk, ik draag nu ook goede schoenen. Het gaat prima.’
‘En fysiotherapie? Dan beweeg je twee keer per week en zij kunnen je laten oefenen met goed lopen.’
Ook dat is niet nodig.
‘Ik oefen zelf al iedere dag.’
Ik geef het op. Volgende week maar weer de balletjes van de rollator en de fysiotherapie opgooien.

‘De intercom doet het trouwens niet’ en ik haast mij naar beneden om te kijken wat er aan de hand is. Ik schuif aan een knopje. ‘Hoor je mij nu?’ schreeuw ik in het vierkantje beneden.
‘Ja, ik hoor je. Hoe kan dat nou? Gisteren deed hij het niet.’

We spelen nog wat met de muziek en de tablet en dan moet ik weer naar huis.

‘Dinsdag kan ik niet komen’, kondig ik alvast aan. ‘O dat geeft niet. Ik vind het altijd leuk als je komt, maar het maakt niet uit.’ Teleurstelling klinkt toch een beetje door en ik baal ervan. Ik kijk in mijn agenda, maar nee, dinsdag gaat een bezoekje niet lukken.
‘Ik bel je in ieder geval nog even op van de week.’
‘Ja, dat is goed.’

Ik ga weer naar huis. De 92-jarige met de paarsblauwe knie en zijn nieuwe, witte Sonos achterlatend. Hoe geweldig is het dat hij nog iets nieuws koopt, volledig digitaal en hij begrijpt hoe het werkt. Daar past geen rollator bij. Nog niet. Ooit misschien. Maar nu niet.

Found your MacBook

IMG_4919-0.JPG
Er zijn van die dagen waarop alles meezit, maar het toch wat tegenvalt. Deze zaterdag is zo’n dag. Met tegenzin stap ik mijn bed uit om te gaan sporten in het verlaten zaaltje op het beboste terrein van de Geestgronden, met, -mooi hoor-, een zweem dauwige damp boven de grasstrook, begeleid door het geluid van een zwaar-klaterende fontein.

Vermoeid sport ik mij het volle uur rond: cardio, twee maal alle apparaten plichtmatig 60 keer heen en weer en op en neer, roeien, fietsen. Niet erbij nadenken want dat is zinloos. Blik op oneindig en eindeloos gapend werk ik mij erdoorheen. De enige opsteker van de ochtend is het kwartiertje fietsen, kijkend naar het boeken-programma van Wim Brands.

Jammer dat het t.v.-tje het niet doet. De luie sportbegeleiders, die ik zelf nooit zie sporten maar eindeloos achter hun computer in het kantoortje hangen en elkaar lulverhalen vertellen, hebben nog geen tijd gevonden om dat t.v.-tje te laten maken. Het is al drie weken stuk. Geen Wim Brands dus, maar stug doortrappen.

Thuis hangt, terwijl ik met vier boodschappentassen in mijn sportoutfitje binnenwankel, een kind op een stoel met een telefoon. Zijn vader dekt de ontbijttafel met verse broodjes, croissants, vers beleg en versgeperst sinaasappelsap. Het kind, tot mijn verbazing geheel gekleed, is zijn rijles ‘vergeten’. Ik vraag of hij een agenda heeft: ‘een agenda? Nee’. Hij onthoudt gewoon alles. Behalve dan deze rijles. Hij was zo overvallen door de vriendelijke rijlesinstructrice dat hij er niet aan dacht toch maar in te stappen om zich anderhalf uur later direct af te laten zetten bij zijn werk. Zo’n rijles kost maar 65,-. Ook als je deze mist.

Aan het einde van de dag wil mijn man graag nog even naar buiten. ‘Je kan de dvd terugbrengen?’, opper ik. Ik keek laatst de prachtige film ‘Incendies’. Over een tweeling die het wrange verleden van hun moeder opspoort in een door burgeroorlog verscheurd Midden-Ooosten-land. Mijn man fietst monter weg met de dvd, naar Heemstede, het dorp waarin hij opgroeide. Als hij weg is, bedenk ik mij dat hij wel vier lekkere worstjes kan meebrengen van de fantastische slager Chateaubriand.

Een slager waar ‘s middags lieve pubers glaasjes wijn en opgerolde stukjes exquise vleeswaren serveren. Waar de bezoekers eindeloos mekkeren over een half onsje roastbeef in plaats van rosbief en waar de biefstuk geen biefstuk heet maar op zijn minst entrecote van een Japans klinkend merk. Als je ergens niet wil zijn dan is het op zaterdagmiddag bij Chateaubriand. Een perfecte uitdaging voor de man, die niet graag boodschappen doet, niet houdt van wijn serverende slagers en zeker niet van klanten die mekkeren over roastbeef. Ik app hem, hij luistert. Maar jammer. De worstjes zijn uitverkocht.

En toch begon het weekend vrijdagmiddag goed. Met de openingszin ‘Found your MacBook’ meldt ene André onze dochter, die een paar weken geleden in de VU haar MacBook kwijt raakte, dat hij deze gevonden heeft. De verse, flinterdunne laptop was destijds weggenomen, het verdriet en de consternatie waren groot. Deze André heeft haar MacBook gevonden en is een maand bezig geweest haar te benaderen via Facebook, zo schrijft hij. Helaas zijn er meer meisjes met dezelfde naam als ons kind. Nu schrijft hij haar een mail en ‘s avonds rijden wij, vader, moeder en kind, naar de Pieter de Hoochstraat in Amsterdam.

Vader en kind lopen drie steile trappen op. In de deuropening van de kleine zolderkamer staat een roodharige jongen van ongeveer 24 jaar. Ons kind had hem gegoogled en de vinder bestempeld als ‘nerd.’ De roodharige nerd blijkt een Duitse student scheikunde, die bivakkeert in een kamertje van vier bij vijf, met troep all over the place. De laptop met hoes ligt op de bank. De gehackte computer zet hij netjes terug. Overrrompeld komen het kind en haar vader terug in de auto. ‘Heb je hem wat gegeven voor het vinden en teruggeven?’ vraag ik. ‘Nee’ is het antwoord.

Thuis schrijft Julia een mail aan de Duitse André:
‘Hi André,
Thanks again for finding my laptop and giving it back to me. I’m really thankfull. Can you give me your account number? We would like to give you something.
Kind regards, Julia’

Het antwoord luidt
‘Hi Julia,
You are welcome and I’m happy the MacBook made its way back to the true owner. It’s not that I expect anything of you, though I also really need a new Laptop and some small support would indeed come handy. My account number is ………………
Best, André’

Hij spaart voor een…lap-top! De ironie. Maar hiermee ist alles vorbei. We zijn voortaan gewoon voor Duitsland bij het EK.

Morgen weer een dag. Een herfstwandeling met buurtgenoten. Ik kijk er naar uit.

Moedersziel

IMG_0708.JPG
Vanochtend liep ik door het park
Van mijn kindertijd
Hoge bomen ruisen de blaadjes
Mijn hand steekt uit

Naar mijn moeders hand
Het kind dat ik was
Loopt door gras en omgewoelde
Aarde en het ruisen van de blaadjes

Harder, harder
En oorverdovend loop ik
Volwassen, de handen in de zak
Stijve vuisten, niks geen hand

In hand
Alleen

Wat konijn mag weten: ‘ik mis mama zo.’

IMG_4904.PNG
Soms zie je een parel, zomaar, tussendoor. Je zoekt er niet naar, je verveelt je, je zapt door en daar is-tie. Glanzend, glimmend en bijzonder.

Een film over een meisje van acht. Dicht op de huid gefilmd: het meisje, kleurig gekleed,- rood-wit gestreept t-shirt,- bruine, lange en warrige krullen. Een spits gezichtje met sproeten. Ze ligt in bed met een knuffel vastgeklemd in haar armen. Haar vader, grappig hoedje op het hoofd, praat zachtjes met zijn kind.

En opeens begrijp ik waar het over gaat. Dit is het jongste kind van de overleden Bibian Harmsen. Muzikante, vormgeefster en later ook schrijfster van het boek ‘Paniekspinnen’. Over haar ziekte, alvleesklierkanker, en haar snelle dood. Over afscheid nemen van het liefste: je gezin met drie jonge kinderen.

Haar man Klaas ten Holt schreef door aan haar blog. Over zijn leven na de dood van zijn vrouw. Over hoe moeilijk het is, je eigen verdriet en het verdriet van je kinderen. En het leven dat doorgaat. School, werk, verdriet, eten, slapen of niet slapen. De hutspot en berg van emoties waar je je iedere dag doorheen moet eten.

De film gaat over dochtertje Lulu en haar konijn. Het konijn waar ze alles aan kan vertellen. ‘Die nooit iets doorvertelt.’ Lulu is een open meisje dat haar moeder mist. ‘Ze kookte lekkerder dan jij, pap.’ ‘Kook ik niet zo lekker dan?’ ‘Jawel, maar mama kon beter koken.’ ‘Ja, dat vind ik ook, maar ik doe wel mijn best om iets lekkers te maken.’ Deze piepkleine conversaties scheuren een flintertje van je hart. Als je acht jaar bent mag je niet je mama missen. Je hebt haar nodig en deze mama ‘deed zoveel leuke dingen met me, ik mis haar zo.’

De filmer blijft dicht op de huid filmen. Het gezicht van het kind en de vader zijn intiem dichtbij. De stemmen, de gesprekjes volg je alsof je erbij zit.

Wat doet verdriet met een kind? Lulu raakt helemaal van de wijs als één van haar broers haar erop wijst dat ‘konijn vroeger veel kleiner was. Kijk maar, op deze foto is hij veel kleiner. Hij is een keer kwijtgeraakt en toen heeft mama een nieuwe gekocht.’ Je ziet het kind wit worden. Ze ontkent heftig dat dit gebeurd is. Haar vader grapt er een beetje mild overheen, maar hij ontkracht het verhaal niet. Lulu slaat het fotoboekje dicht, de vrolijke herinneringen die ze samen ophaalden aan haar babytijd vervagen en ze trekt zich terug.

Even later huilt ze in de armen van haar vader. Haar konijn, haar houvast, waar haar broer een persoonsverwisseling van suggereert. Het konijn staat voor ‘mama’, ‘gekregen van mama’, ‘verdriet’ en ‘houvast’. Daar mag niet aan getwijfeld worden. Je ziet en voelt de gecompliceerde verdrietwereld van dit kind. Zo dichtbij. Mooi, indringend.

Ik weet niet wie de jonge filmer is. Ik zoek het op en zie dat haar naam Ronja Hijmans is, geboren in 1989. Ze studeerde aan de Hogeschool voor de Kunsten in Utrecht. De documentaire ‘Wat konijnen mogen weten’ is haar afstudeerfilm. Ze is vast geslaagd.

Aanstaande zondag om 15.15 uur wordt de film nog een keer uitgezonden op AT5. Een 20-minuten-durende parel in het moeras van televisie-rotzooi. Kijken.

Druk

IMG_4892.JPG
Eer het god’lijk licht

in d’openbaringen

van de kunst

Een volle agenda en drukte, vooral in het hoofd, verlammen de gedachte aan lezen en schrijven. Het lichaam werkt ook niet mee. Verloren hangt het op de bank, koud en vermoeid, de lippen droog en schraal, rode vlekjes op de huid. Kippenvel, ondanks de zachte oktoberwarmte.

Een warmte waaraan niemand in deze tijd van het jaar gewend is, waarbij niemand weet zich adequaat te kleden: broek en jas of t-shirt en blote benen, men weet het niet. Van alles-wat zie je dan ook rijden, fietsen, wandelen, motor- en autorijden. Want het is warm. Misschien de laatste dag voor de kou, de wind, regen. Erop uit, betekent het. Maar dit lijf en dit hoofd kruipen weg in stilte. Geen zin.

Misschien zou het doe-virus helpen. Ik spreek mijzelf toe. En opper een bezoek aan een tentoonstelling in Den-Haag. Tijdens het opperen krijg ik al spijt. Heb ik daar nu wel zin in? Nog één dag en dan begint het regime van de volle agenda en drukke dagen met veel geregel.

Maar wij gaan. Alleen onze vrolijke buurman M. is al op. Hij reinigt zijn spierwitte auto met een hogedrukspuit en roept ons vrolijk toe waar wij zo vroeg naar toe gaan. ‘Cultureel doen’ antwoorden wij wat moeiig en stappen in de auto. Het is zondag, tien uur.

Rijdend door de streek met de kale velden, de witte lucht-met-lichtblauw en de gekleurde blaadjes overal, werkelijk overal. We rijden door de velden waar de kou over een paar weken doorheen trekt en waarlangs de kale takken donker heen-en-weer zullen zwaaien. Maar nu niet. Op deze lentedag in oktober. Alle blaadjes hangen optimistisch geel, groen, rood en bruinig te zijn aan de bomen. Wij rijden door een gordijn van herfstkleuren.

Versnellend vanwege een bus bejaarden trekken we aan een lange, grijze rij voorbij. Kaart in de hand,
€ 3,50 erbij voor de tentoonstelling. Er ontstaat wat verwarring als de Haagse kassier, een donkere man, onverstaanbaar in zijn glazen huisje wat wil van ons.

‘U bent niet te verstaan!’ Hij hangt voorover en overdreven roept hij in zijn microfoon: ‘heeft u € 5,- erbij?’ ‘Nee.’ Zuchtend over zoveel onnozelheid, zoveel domme bezoekers, die de hele dag langs hem trekken, schuift hij het wisselgeld terug. ‘Wacht jij maar’, denk ik. Achter ons schutteren de bejaarden met pasjes, kaarten en munten. Hij kan zijn lol op vandaag.

Het hoofd veert intussen op en het lijf veert mee. Licht en ruimte in dit gebouw. Geel baksteen, grote ramen, de typische Berlage-kenmerken. Een gebouw met kunst voor mensen.

Gekleurde tegeltjes, veel geel, het zwart van de pilaren, in contrast met de witte wanden en flinterdunne radiatoren, het gebouw ademt licht, ruimte en rust. En nu herbergt het de werken van Mark Rothko. Zoon van Joods-Russische immigranten in Amerika. Geboren in 1903. Hij pleegt zelfmoord in 1970.

Er zijn meer liefhebbers van moderne kunst, van Rothko. Het is druk. Achter hoofden, ruggen en oplichtende apparaatjes, die horen bij de verstrekte audio-tours, doemen de werken van Rothko op. Eerst een paar figuratieve. Mooi is het schilderij met de wachtende mensen in de metro. Smal en stil staan zij langs de stangen in de metro-treinstellen. Zij wachten. Waarop? Op een dag, een week met drukte en een volle agenda?

Ik loop door en langzaam verandert het figuratieve schilder-landschap in kleurvlekken. Grillig, grote rode, gele, blauwe vlakken. Zwart. Met de rand glimmend en het oppervlak, ja wel zwart maar zie ik ook grijs, donkergrijs?

Ik denk terug aan mijn eerste kennismaking met moderne kunst. Tijdens een rondleiding in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Een jonge, vrolijke student laat ons, drukke scholieren, de collage zien van Matisse en wijst ons op het vrouwenfiguurtje, het kleurgebruik, de compositie. Hij vertelt ons hoe de werken tot stand zijn gekomen van Jackson Pollock en Barnett Newman. We kijken naar ‘Who’s afraid of red, yellow and blue?’ en we denken er opeens iets van te begrijpen.

Ik kijk naar de vlakken van Rothko. Nee, het is geen mystieke noch religieuze ervaring. Maar ontzagwekkende kunst is het wel. Zuigend. Die kleuren. De grootte.

Een beetje verdwaald na het w.c.-bezoek openen we een deur van een andere grote zaal. Niemand. En ook hier hangen mooie werken. Prachtige werken. Bacon met zijn fel-realistische roze mensenvlees, Golden’s potloodstreepje, Mondriaan, zijn stipjes en kleurvlakken. Opeens zie ik een schilderij dat mij treft. Dezelfde kleuren als het metro-schilderij van Rothko. Treffend, dezelfde sfeer en de kleuren…Het verschil zit hem in het lachje,- of is het een opkrullend snorretje?- van deze figuur en de stille, steile figuren van Rothko.

Ik sta er met mijn neus bovenop, hier, in deze zaal met kunstschatten, in alle rust en stilte. Het schilderij is van Picasso. Zouden ze elkaars werk hebben gekend? Het zijn verschillende kunstenaars. De Joods-Russische Amerikaan met zijn depressies, zijn melancholische aard en de flamboyante Spaanse vrouwenliefhebber.

En hier, zie, twee schilderijen die bij elkaar passen als twee puzzelstukjes in de enorme legpuzzel van de moderne kunst en zij hangen niet naast elkaar. Niets hebben zij waarschijnlijk gemeen. Kunsthistorici lachen mij zachtjes uit. Maar het is mijn ontdekking. Ik, die niets weet van kunst. Ik doe een ontdekking.

En weg is de volle agenda, de drukke week. Mijn hoofd, hart en handen weten de weg te vinden naar letters, naar woorden. Rothko en Picasso.

Bij het weggaan passeren we goud-geschilderde woorden, onder een art deco-achtige afbeelding, zomaar boven de trap:

Eer het god’lijk licht

in d’openbaringen

van de kunst.

Yes.

IMG_4900.JPG

NIX!

IMG_4890.JPG
De komende tien, waarschijnlijk twintig jaar worden de pensioenen bevroren. Dat is het nieuws van 16 oktober, waar wij, leden van de generatie NIX, mee verblijd worden.
Na de mooie jaren ’60 en ’70, waarin wij NIX-ers braaf naar school gingen op onze tweekleurige Kickers, studeerden we in de jaren tachtig netjes af.

Tegen alle verwachtingen en adviezen in bezocht ik zelf na het gymnasium de PA, dat stond voor Pedagogische Academie. In een prachtig, beetje vervallen, gebouw aan de Leidsevaart in Haarlem vroeg de toenmalige directeur Frank de V.,- lange man, woeste, donkere baard,- waarom ik naar de PA wilde. Ik, loshangend lang haar en goed luisterend naar mijn moeder (‘kinderen zijn en blijven er altijd. Meid, dan heb je in elk geval een baan en in de vakanties lekker vrij’) sprak de obligate zin: ‘het lijkt me leuk om met kinderen te werken’ zonder blikken of blozen uit.

Frank de V. slaakte nog net geen zucht en drie jaar lang heb ik alleen maar lachend door de school gelopen: genietend van de leuke mensen, de nutteloze lessen, het eeuwige geouwehoer, vals blokfluiten en flirten met de bij ons ingekwartierde HEAO-ers. Elke dag krijste de vreselijke vrouw van de conciërge in de pauze: ‘de soep is op!’ Waarop wij moesten lachen, al onze troep op de grond voor haar en haar sjagrijnige man achterlatend.

Het was een verrukkelijke tijd van plezier, niets doen en soms wat leren van de enige twee goede leraren, Ruud die Nederlands gaf en Theo die ons inspireerde met zijn Pedagogiek-lessen. De rest van de leraren had geen orde, was te democratisch om ons wat te leren, voerde hilarische proeven uit met een ei op een fles of kraamde Marxistische onzin uit.

In het laatste jaar leerden we, tot afgrijzen van mijn ouders, een uitkering aan te vragen. Een sjofele ambtenaar van de Sociale Dienst kwam ons dat haarfijn uitleggen. Het waren namelijk de jaren ’80: nauwelijks banen te vinden, de lonen werden bevroren, aanvangssalarissen verlaagd. Op aandringen van thuis solliciteerde ik op een advertentie in het vakbondsblaadje, en ik werd, tot mijn en ieders verbazing, aangenomen op een Freinetschool in Heerlen. Beetje ver weg, maar met mijn meisjeskamer verhuisde ik van Zandvoort naar Hoensbroek, waar ik van de plaatselijke drogist de houten aanbouw huurde.

Stervenskoud was het ‘s winters in de aanbouw naast de etalage met luiers en shampoos, maar ik was zo moe van al die losgeslagen Heerlense kleuters dat ik toch vroeg naar bed ging. Het was een rare tijd. Beetje eenzaam. De vriendelijke Limburgers bleven vriendelijk, maar na twee jaar besloot ik terug te keren naar de Randstad. Inmiddels was ik, de laatst gearriveerde leerkracht op de leuke Freinetschool, als boventallige één dag per week op een andere, veel minder leuke, Heerlense school te werk gesteld. Daar werd ik het hulpje van een overwerkte leraar.

Ik schreef op dat koude kamertje meer dan 50 sollicitatiebrieven en voerde veel sollicitatie-gesprekken. De Christelijke school in Bloemendaal vond me niet Christelijk genoeg (ze hadden gelijk, ik ben het ook niet), de openbare school in Huizen zocht een man, in Zoetermeer hadden ze 89 sollicitanten, en één keer waren er 120 sollicitanten op dezelfde baan afgekomen. Ik zag vele treurige oorden en dito scholen met als onbetwist hoogtepunt Purmerend. Bijna gaf ik de moed op, maar vlak voor de zomervakantie van 1988 kreeg ik de baan van leerkracht van groep 5/6 in Halfweg.

Na een dubbelgesprek in het monumentale gemeentehuisje naast de suikerfabriek met vijf ondervragers, waaronder de burgemeester die leek weggelopen te zijn uit ‘Swiebertje’, en een proefles waarbij achter in de klas acht toehoorders zaten (waaronder de burgemeester), mocht ik daar beginnen.

Het was een schattige klas met de liefste kinderen waaraan ik ooit lesgaf, maar de collega’s waren vastgeroester dan de slechtste schroef in de muur van onze oude zolderetage in Haarlem. De fossiele groep hield zich vast aan eeuwenoude methodes en de directeur draaide ieder dag plakkerige stencils met zelfbedachte lesjes over zandgronden, het leven van de huismus en andere, volstrekt overbodige, onzin uit met een overjarige, smerige stencilmachine. Ik moest van hem ook stencils draaien en zijn lessen geven. Wat een ellende.

Omdat iedereen om drie uur de deur uitrende (vergaderen is onzin), met uitzondering van de stencilende directeur, deed ik dat na verloop van tijd ook. En, vanwege deze zeeën van tijd, bedacht ik mij dat ik eindelijk, met mijn bevroren salaris, wel kon gaan studeren. En nu iets wat ik zelf graag wilde. Het werd Politicologie.

Met allemaal werkeloze medestudenten bezocht ik ‘s avonds de VU, waar ik kennis maakte met de wereld van de wetenschap. Gemotiveerd maakten wij alle opdrachten, lazen alle ons aanbevolen literatuur en we luisterden naar bevlogen en minder bevlogen docenten. Vaak werd mij gevraagd: ‘wat kan je met deze studie doen?’ Maar daar trok ik mij niets van aan. Dat hoorde ik al jaren. ‘Wat heb je nou aan Latijn en Grieks?’ ‘Waarom ga je naar de PA?’ En nu ‘wat kan je met Politicologie?’ NIX kan je ermee, bedoelde men eigenlijk. Maar wat ben ik blij dat ik lekker mijn eigen weg koos. Kennis is macht. En leren is leuk.

Mijn kinderen hebben misschien gelijk. Hun moeder was een nerd. Maar wel één van de generatie NIX. Altijd je best doen, altijd solliciteren, altijd één van de zovelen zijn, altijd een bevroren salaris, en nu een bevroren pensioen. Het waren en zijn barre tijden, maar we leven vast nog lang en gelukkig, ondanks al dat ijskoude geld.

Niks geen generatie NIX!
Generatie vechtersbazen en doorzetters!
Leve de generatie ’61-’80!
Goede bouwjaren. Koppige wijnen.