Tijd

IMG_4866.JPG
Tijd
Tijd – het is vreemd, het is vreemd mooi ook
nooit te zullen weten wat het is

en toch, hoeveel van wat er in ons leeft is ouder
dan wij, hoeveel daarvan zal ons overleven

zoals een pasgeboren kind kijkt alsof het kijkt
naar iets in zichzelf, iets ziet daar
wat het meekreeg

zoals Rembrandt kijkt op de laatste portretten
van zichzelf alsof hij ziet waar hij heengaat
een verte voorbij onze ogen

het is vreemd maar ook vreemd mooi te bedenken
dat ooit niemand meer zal weten
dat we hebben geleefd

te bedenken hoe nu we leven, hoe hier
maar ook hoe niets ons leven zou zijn zonder
de echo’s van de onbekende diepten in ons hoofd

niet de tijd gaat voorbij, maar jij, en ik
buiten onze gedachten is geen tijd

we stonden deze zomer op de rand van een dal
om ons heen alleen wind

Rutger Kopland, 2000

Maandagochtend vroeg pak ik van de autostoel naast mij een plastic tas. Op de grond staat mijn bruine tas. Zwaar, de IPad heb ik daarin gedaan. Deze is te mooi en te nieuw voor een gewone plastic tas.

In de plastic tas zit een eigenaardige, cilindervormige doos. Groen deksel, roze reservoir, ingeklemd in een uitsparing in het deksel. In de cilinder zit mijn lunch: een salade. In het roze reservoir zit de vinaigrette. Twee keer per week neem ik de moeite een salade mee te nemen. Gezond en lekker. Het vergt wel wat discipline. Met halfdichte ogen maak ik ‘s ochtends de salade klaar. Een flesje water erbij en een cracker.

Hoe het verder moet met die crackers weet ik niet. De crackers gleden zondagavond uit het plastic omhulsel op de grond. Tientallen stukken crackers lagen in de rondte. Een kind zat lachend aan tafel. De stukken verzamelde ik en ik stopte deze terug in het zakje. De kruimels veegde ik bij elkaar met stoffer en blik.

Ik verlaat de auto, doe de deur dicht en sluit deze af met mijn sleutel. Ik hoor het geluidje van het slot dat op afstand sluit. Naast een auto verderop staat een klein groepje mensen. Mooi aangekleed. Ik kijk op mijn horloge. Het is 8.30 uur. Vroeg voor een begrafenis, vroeg voor een trouwerij. Ik loop langs het groepje.

‘Hee, Annelie!’ hoor ik vanuit het groepje. Ik draai me half om. Ik kijk eens goed naar de lachende vrouw die mij zo vrolijk gedag zegt. Een beige, of is het goudkleurig, jurkje. Beetje opengewerkt met kant aan de randjes. Vrolijke ogen achter een bril. Sproeten, veel sproeten.

Ik zie datzelfde gezicht, ietsje ronder, zonder bril, direct voor me. Ik ben zes jaar. Ik zit in de eerste klas. Mijn moeder maakt een foto van de eerste schooldag. Ik heb een blauwe overgooier aan, een wit bloesje met kanten ruches eronder. Grote, witte strik in mijn, zorgvuldig door mijn moeder ‘s avonds ingedraaide, pijpenkrullen. Papillotten noemt zij de lapjes katoen die ze niet zachtzinnig in mijn haar draait, iedere avond weer. Haar trots.

Mevrouw B. is de juf van deze eerste klas, met maar 18 kinderen uit Bloemendaal en omgeving. Mevrouw B. vraagt of M. bij haar komt staan. Een mollig meisje met sproeten, veel sproeten, staat verlegen naast haar. Kort haar, wit haarbandje. Haarscherp zie ik de beelden voor me. ‘M. is dit jaar mijn hulpje, hè M.?’ M. knikt. En ik ben blij dat ik er zelf niet sta. Naast mevrouw B., die ik direct voor geen cent vertrouw. En terecht, zo blijkt later. Als de goedlachse, kleine J. zijn mond moet spoelen met groene zeep ‘omdat hij een heel lelijk woord gebruikte’, aldus mevrouw B.
J. met zijn mooie V-halstrui verdwijnt al gauw uit onze klas. We hebben hem nooit meer gezien.

Van zo’n vrouw moet je niet het hulpje zijn. En ik leer braaf alle woorden en letters van de leesplank. Maak mij onzichtbaar. Wat moeilijk is omdat mevrouw B. mijn moeder kent en zij soms meent mij aanminnig toe te moeten spreken. ‘Wat kan jij mooi schrijven…’ Of iets anders nietszeggend dat ik stilzwijgend en waarschijnlijk wat norsig aanhoor. Mevrouw B. en ik, het was geen gelukkige combinatie.

M. is dat jaar het hulpje. Ze deelt vaak de schriften uit. Zes jaar lang zitten we bij elkaar in de klas. Zij, vrolijk en sportief, en ik, serieus en leergierig.

Wij treffen elkaar 45 jaar na de eerste schooldag bij mevrouw B. Stralend vertelt M. over haar zoon die vandaag trouwt. Zij stelt mij voor aan haar kittige moeder, die ook straalt. Ik loop naar mijn werk. Met twee tassen, een plastic tas en een bruine leren.

Een half uur later zie ik het bruidspaar door een groot raam op de eerste verdieping van het gemeentehuis aan komen lopen. Jong en stralend.

M.’s zoon. Hij trouwt. Weemoedig denk ik aan het mollige, sproetige meisje naast mevrouw B. Niks hulpje. Stralende moeder van een trouwende zoon.

De tijd – het is vreemd.

Advertisements

Leave a Reply

Please log in using one of these methods to post your comment:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s