NIX!

IMG_4890.JPG
De komende tien, waarschijnlijk twintig jaar worden de pensioenen bevroren. Dat is het nieuws van 16 oktober, waar wij, leden van de generatie NIX, mee verblijd worden.
Na de mooie jaren ’60 en ’70, waarin wij NIX-ers braaf naar school gingen op onze tweekleurige Kickers, studeerden we in de jaren tachtig netjes af.

Tegen alle verwachtingen en adviezen in bezocht ik zelf na het gymnasium de PA, dat stond voor Pedagogische Academie. In een prachtig, beetje vervallen, gebouw aan de Leidsevaart in Haarlem vroeg de toenmalige directeur Frank de V.,- lange man, woeste, donkere baard,- waarom ik naar de PA wilde. Ik, loshangend lang haar en goed luisterend naar mijn moeder (‘kinderen zijn en blijven er altijd. Meid, dan heb je in elk geval een baan en in de vakanties lekker vrij’) sprak de obligate zin: ‘het lijkt me leuk om met kinderen te werken’ zonder blikken of blozen uit.

Frank de V. slaakte nog net geen zucht en drie jaar lang heb ik alleen maar lachend door de school gelopen: genietend van de leuke mensen, de nutteloze lessen, het eeuwige geouwehoer, vals blokfluiten en flirten met de bij ons ingekwartierde HEAO-ers. Elke dag krijste de vreselijke vrouw van de conciërge in de pauze: ‘de soep is op!’ Waarop wij moesten lachen, al onze troep op de grond voor haar en haar sjagrijnige man achterlatend.

Het was een verrukkelijke tijd van plezier, niets doen en soms wat leren van de enige twee goede leraren, Ruud die Nederlands gaf en Theo die ons inspireerde met zijn Pedagogiek-lessen. De rest van de leraren had geen orde, was te democratisch om ons wat te leren, voerde hilarische proeven uit met een ei op een fles of kraamde Marxistische onzin uit.

In het laatste jaar leerden we, tot afgrijzen van mijn ouders, een uitkering aan te vragen. Een sjofele ambtenaar van de Sociale Dienst kwam ons dat haarfijn uitleggen. Het waren namelijk de jaren ’80: nauwelijks banen te vinden, de lonen werden bevroren, aanvangssalarissen verlaagd. Op aandringen van thuis solliciteerde ik op een advertentie in het vakbondsblaadje, en ik werd, tot mijn en ieders verbazing, aangenomen op een Freinetschool in Heerlen. Beetje ver weg, maar met mijn meisjeskamer verhuisde ik van Zandvoort naar Hoensbroek, waar ik van de plaatselijke drogist de houten aanbouw huurde.

Stervenskoud was het ‘s winters in de aanbouw naast de etalage met luiers en shampoos, maar ik was zo moe van al die losgeslagen Heerlense kleuters dat ik toch vroeg naar bed ging. Het was een rare tijd. Beetje eenzaam. De vriendelijke Limburgers bleven vriendelijk, maar na twee jaar besloot ik terug te keren naar de Randstad. Inmiddels was ik, de laatst gearriveerde leerkracht op de leuke Freinetschool, als boventallige één dag per week op een andere, veel minder leuke, Heerlense school te werk gesteld. Daar werd ik het hulpje van een overwerkte leraar.

Ik schreef op dat koude kamertje meer dan 50 sollicitatiebrieven en voerde veel sollicitatie-gesprekken. De Christelijke school in Bloemendaal vond me niet Christelijk genoeg (ze hadden gelijk, ik ben het ook niet), de openbare school in Huizen zocht een man, in Zoetermeer hadden ze 89 sollicitanten, en één keer waren er 120 sollicitanten op dezelfde baan afgekomen. Ik zag vele treurige oorden en dito scholen met als onbetwist hoogtepunt Purmerend. Bijna gaf ik de moed op, maar vlak voor de zomervakantie van 1988 kreeg ik de baan van leerkracht van groep 5/6 in Halfweg.

Na een dubbelgesprek in het monumentale gemeentehuisje naast de suikerfabriek met vijf ondervragers, waaronder de burgemeester die leek weggelopen te zijn uit ‘Swiebertje’, en een proefles waarbij achter in de klas acht toehoorders zaten (waaronder de burgemeester), mocht ik daar beginnen.

Het was een schattige klas met de liefste kinderen waaraan ik ooit lesgaf, maar de collega’s waren vastgeroester dan de slechtste schroef in de muur van onze oude zolderetage in Haarlem. De fossiele groep hield zich vast aan eeuwenoude methodes en de directeur draaide ieder dag plakkerige stencils met zelfbedachte lesjes over zandgronden, het leven van de huismus en andere, volstrekt overbodige, onzin uit met een overjarige, smerige stencilmachine. Ik moest van hem ook stencils draaien en zijn lessen geven. Wat een ellende.

Omdat iedereen om drie uur de deur uitrende (vergaderen is onzin), met uitzondering van de stencilende directeur, deed ik dat na verloop van tijd ook. En, vanwege deze zeeën van tijd, bedacht ik mij dat ik eindelijk, met mijn bevroren salaris, wel kon gaan studeren. En nu iets wat ik zelf graag wilde. Het werd Politicologie.

Met allemaal werkeloze medestudenten bezocht ik ‘s avonds de VU, waar ik kennis maakte met de wereld van de wetenschap. Gemotiveerd maakten wij alle opdrachten, lazen alle ons aanbevolen literatuur en we luisterden naar bevlogen en minder bevlogen docenten. Vaak werd mij gevraagd: ‘wat kan je met deze studie doen?’ Maar daar trok ik mij niets van aan. Dat hoorde ik al jaren. ‘Wat heb je nou aan Latijn en Grieks?’ ‘Waarom ga je naar de PA?’ En nu ‘wat kan je met Politicologie?’ NIX kan je ermee, bedoelde men eigenlijk. Maar wat ben ik blij dat ik lekker mijn eigen weg koos. Kennis is macht. En leren is leuk.

Mijn kinderen hebben misschien gelijk. Hun moeder was een nerd. Maar wel één van de generatie NIX. Altijd je best doen, altijd solliciteren, altijd één van de zovelen zijn, altijd een bevroren salaris, en nu een bevroren pensioen. Het waren en zijn barre tijden, maar we leven vast nog lang en gelukkig, ondanks al dat ijskoude geld.

Niks geen generatie NIX!
Generatie vechtersbazen en doorzetters!
Leve de generatie ’61-’80!
Goede bouwjaren. Koppige wijnen.

Advertisements

Leave a Reply

Please log in using one of these methods to post your comment:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s