Zeezoutkristallen

IMG_5177.JPG
‘Kom je?’
Het is zaterdagochtend half negen. Mijn wakkere echtgenoot staat, opgefrist en aangekleed, voor me.
Zelf lig ik in bed, mijmer nog wat, lees en kijk hoe het weer eruitziet op mijn telefoon. De Yahoo! weer-app geeft aan dat het hooguit vijf graden wordt vandaag. Heerlijk, zo in bed. Maar ik moet eruit. Achter mijn verdwenen fiets aan.
‘Het is pas half negen, ik bel eerst wel of ze gisteren een fietsenactie deden’, wimpel ik mijn wakkere echtgenoot af. Zo. Weer een warm half uurtje erbij gekocht.

Om 9.00 uur precies bel ik vanuit mijn behaaglijke bed de Milieustraat Heemstede. Er neemt zowaar iemand op.
‘Met Arco van de Milieustraat, goedemorgen!’
Ik registreer een leuke, jonge stem. Daar zit een leuke, jonge jongen achter. Mijn fantasie slaat nog net niet op hol.
‘Goedemorgen, je spreekt met Annelie Jonquiere. Ik heb een vraagje: gisteren stond mijn fiets er niet meer, toen ik terugkwam op station Heemstede. Deze is óf gestolen óf meegenomen met een fietsenactie. Zijn er gisteren fietsen gebracht, is er een actie geweest op het station?’
‘Mevrouw, dat vraag ik even voor u na, een ogenblikje.’ De prettige stem verdwijnt en in de verte hoor ik hem vragen: ‘was er gisteren een fietsenactie bij het station?’

Het antwoord kan ik niet horen, maar de stem is gauw terug: ‘nee mevrouw, er zijn gisteren geen fietsen gebracht. Er was geen actie. Trouwens, als we een actie doen, hangen we eerst een gele sticker aan de fiets en dan heeft u twee weken de tijd om de fiets weg te halen…’
‘O, nou bedankt, ik ga dan nog maar eens kijken. Ik hoop dat de fiets er toch staat, en zo niet, dan is hij gestolen.’
‘Soms worden er nog wel eens fietsen zomaar verplaatst’, zegt Arco van de Milieustraat trouwhartig. ‘Succes mevrouw met zoeken.’
Wat een lieve jongen.

Maar nu moet ik er uit. Zoeken naar mijn fiets. Mijn heerlijke fiets, die ik al tien jaar heb en die nog zo prettig fietst. Destijds was de fiets een rib uit mijn lijf, ondanks het fietsenplan van mijn werkgever. Een Multicycle, groen met zilver. De fiets maakte veel mee. Hij maakte fietstochtjes op mooi Texel, in het zomerse Zeeland, in het bloedhete Frankrijk. Veel tochtjes door de bollenvelden, in lentefris weer en in bittere winterkou. Iedere twee jaar krijgt de fiets een onderhoudsbeurt. Hij rijdt als een zonnetje.

Ik kleed mij aan en om half tien rijden wij een verlaten Leidsevaart af. Het is koud. Op mijn schoot liggen de heel warme muts en handschoenen. Voor als de fiets er toch staat en ik terug moet door de kou. Het station naderend kijk ik rijkhalzend uit naar mijn fiets. Groen met zilver. Zilverkleurige fietstassen. ‘Ik geloof dat ik hem zie!’, zeg ik en mijn man parkeert de auto haastig en scheef voor het station.

Beiden lopen we naar de rekken. En ja, daar staat mijn fiets! Fier tussen twee rekken in, op de standaard. De zilveren fietstassen wapperen een beetje op in de wind. We lopen om de fiets heen. Hij staat daar alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. Op een andere plek dan waar ik hem gisteren achterliet, maar wat geeft het?

Ik heb hem gevonden! Mijn fiets!
Met muts op en wanten aan fiets ik richting de winkels achter het station. Mijn oude buurtje. Vroeger deed ik daar boodschappen. Bij de lekkerste slager van Kennemerland, het over-aardige kaasboertje, de rare krantenman. Ik besluit hier onze zaterdagboodschappen te doen. Sweet-memory-lane. En daarna tracteer ik mijzelf op de terugtocht door het prachtige Aerdenhout en Vogelenzang. Langs stille fietspaden met opgehoopte bladeren, een enkele hardloper, wat koersende veertigers.

Met de verrukkelijke filet americain van slagerij Bood, een worstje voor bij de zuurkool, een roombotercroissantje van de kaasboer,- ‘wilt u nog een lekker boerenbotertje erbij met zeezoutkristallen?’,- en een overbodig en veel te duur speculaashart van het ubersjieke ‘Huize van Wely’, fiets ik naar huis. Door de kou. Op mijn fiets. Mijn goede, oude, trouwe fiets. Ik heb hem terug.

Foute fiets

IMG_5173.JPG
Verwonderd over het snelle bereiken van het 101e verhaal, schrijf ik maar gewoon door. Ik zit aan het raam van een onpersoonlijk hotel in de op-de-schop-genomen stationsbuurt van Utrecht. Rare, ronde plaatjes zijn op de ramen aangebracht. Met wielrenners. Een stukje snelweg. Daarachter schemeren langslopenden. Allen dik ingepakt in winterjas, sjaal en soms ook muts. Het is koud. Een schraal zonnetje piept tevoorschijn, hier, in deze verminkte buurt. Met dat enorme station.

Overal om mij heen, op de perrons en in de drukke stationshal, zie ik kwebbelende meiden. In allerlei soorten en maten. Het lijkt wel of zowel de hogeschool als de universiteit hun studenten op hetzelfde moment het station Utrecht laten instromen. Allemaal meiden. Jongens zijn schaars. En als ik ze al zie, kwebbelen ze niet, maar kijken ze naar hun telefoon, luisteren ze naar muziek. Ze zien er hip uit, die paar jongens: scherp en strak geknipt haar, kort aan de linkerkant, strak, kort kuifje naar rechts. Een goed bijgehouden baardje van een week of wat.

In mijn trein naar Utrecht zitten drie meiden en zo’n hippe jongen, vast ook studenten van een hogeschool.
‘Ik douchte pas om 11.30 uur’ zegt het mooiste meisje van de drie, met lang, steil haar. Zij werkt haar wimpers bij met een mascara uit een goudkleurig tasje dat open naast haar staat. De hippe jongen met baardje was er al om 10.00 uur uit, want hij ging naar de kapper. ‘Leuk kapsel!’ oordelen de dames in koor. En ja, het staat hem goed, zijn nieuwe coiffure. Hij ziet er verzorgd en appetijtelijk uit. Vooral zijn bruine ogen en parelwitte gebit vallen op. Wie van de dames zou hem krijgen? Of zijn ze ‘gewoon vrienden’? Ik zie niets dat op meer dan vriendschap duidt.

‘We kopen zo maar een handdoek voor je’, zegt de hippe jongen tegen het meest sneue meisje van het drietal. Het sneue meisje zit bij mij in de trein vanaf Heemstede. Zij heeft ook lang, steil haar. Maar zij is niet zo knap. Waar het aan ligt? Ik weet het niet precies. Het heeft iets te maken met a-symmetrie in haar gezicht. De manier waarop ze is opgemaakt. Iets te dik aangezette make-up. Iets te volle pruillippen. Haar haar is nat en blijft nat. ‘Het droogt altijd heel langzaam’, zegt ze verontschuldigend. Uit de opmerking van baardje merk ik op dat hij haar zeker niet de leukste vindt. Het gaat om de toon van zijn opmerking en zijn ietwat schampere blik in zijn mooie ogen. Sneu.

Mijn afspraak verloopt goed. Een mooi gesprek. Over participatie. Tegen half vier loop ik het station Utrecht in. Het is weer druk. De mensenmassa op perron 7a wast aan en men dringt langzaam op naar voren. Niks geen kwebbelende meiden, noch hippe jongens. Allemaal reizigers die, zo te zien, snel naar huis willen. Ik zie een vouwfiets, een Japans meisje met een roze jas, afgezet met een wit bontje. Witte panties in roze kleuterschoentjes. Met zo’n bandje over de wreef en een gouden gespje.

In haar hand draagt ze een grijze map-achtige, vierkante tas. Op de tas staat met oranje, verantwoorde letters AKV ST. JOOST. O, het is een studente aan de kunstacademie in Breda. Het duurt en duurt maar voordat de trein naar Schagen/via Amsterdam komt. De massa rukt op naar voren en kijkt, net als ik, telkens naar het informatie-bord. Vertrektijd 15.25 uur. Maar het is nu al 15.30 uur. Waar blijft de trein? Kunnen al deze mensen er in?

Ik zie, vast geïnspireerd door het roze meisje, Japanse taferelen voor me, waarbij duwende mannetjes en vrouwtjes alle passagiers in de treinstellen proppen. Het blijkt niet nodig te zijn. De massa perst zich redelijk rustig door de openingen van de trein naar binnen. Ik plof op de eerste de beste plek die vrij is. Door de vertraging van vijf minuten mis ik mijn aansluitende trein naar Heemstede. Maar ach, wat geeft het?

Teruggekeerd op het station Heemstede-Aerdenhout zoek ik mijn fiets. Er was om 11.50 uur geen plek in de fietsenrekken. Ik had hem zo dicht mogelijk tegen een rek aan gezet, leunend op de standaard. Noodgedwongen. Nog steeds staan er veel fietsen buiten de rekken. Er staat er ook één op ‘mijn’ plek. Een oranje exemplaar. Mijn fiets is weg. Gejat? ik draai mij om en zie een bord: ‘fiets fout = fiets weg.’ Overijverige GOA’s van de gemeente Heemstede, zo lees ik op een ander bord, halen verkeerd-geparkeerde fietsen weg. Omwille van de veiligheid. Ik kan mijn fiets ophalen,- o pas morgenochtend, ze zijn net dicht (16.30 uur),- bij de Milieustraat in Heemstede. Tegen administratiekosten van € 15,-. Geldig legitimatiebewijs meenemen.

Wordt vervolgd.

Zwakstroom

IMG_5163.JPG
‘Er gebeurde gisteren zoiets raars. Ik wilde de frituurpan schoonmaken. Het vet moest ik verwarmen. Ik liep weg. Even later kwam ik terug en al het hete vet was over het aanrecht gestroomd. Ik was een halve rol Edet kwijt om het schoon te krijgen.’

‘Hoe kan dat nou? Zat er misschien teveel vet in?’

Mijn vader kijkt mij trouwhartig aan.
‘Nee, hij was voor minder dan de helft gevuld.’

‘Ik zou de pan wegdoen pa. Wat kost dat nou? Een nieuwe? Trouwens, je kan misschien ook ovenhapjes kopen, dat is minder vet en misschien wel net zo lekker.’

Mijn vader houdt van lekker eten. Net als ik. Net als zijn kleindochter. Net als zijn moeder, mijn oma. Mijn oma’s hang naar lekker eten, in combinatie met niet bewegen, zorgde ervoor dat zij dikker en dikker werd. Zij groeide als het ware vast in haar grote, zware leunstoel. Aan de zijkant van de stoel, onder de leuningen door, popte haar lichaam tevoorschijn. Oma’s zwaarlijvigheid werd uiteindelijk haar ondergang. Oma brak haar heup en belandde in een droevig verpleeghuis in Haarlem.

Droevig, vooral vanwege haar angstige en afwerende blik als een oude, dementerende mannelijke etagegenoot mijn oma over haar zilverwitte haar kwam strijken. Daar was oma niet van gediend, maar de oude heer liet zich nergens door afschrikken en kwam telkens weer tevoorschijn.

Nog zie ik de wanhopige en vernederde blik van mijn ooit zo mooie en trotse oma in haar grote, bruine ogen. Een nare herinnering. Graag vergeet ik deze. De hulpeloosheid en uitzichtloosheid (‘wanneer kan ik naar huis?’ ‘Nee dat kan zeker nog niet, u zult eerst volledig moeten herstellen’) deden oma uiteindelijk in bed belanden. Daar wilde zij niet meer uitkomen. En langzaam doofde oma uit. Eenzaam, zwaarlijvig, met een ontstoken wond van de heupoperatie, die nooit meer heelde.

Mijn vader houdt van lekker eten. En ook hij brak ook zijn heup. Maar zijn levensvlam brandt nog zeer krachtig en zo zwaar als zijn moeder is hij niet. In het revalidatiecentrum gaat hij wel aardig haar kant op. Alle voor- en nagerechtjes, – ‘vanavond kregen wij lekker ijs met aardbeien en slagroom, heerlijk!’,- eet hij met graagte op. Alle schaaltjes gaan schoon op. En hij krijgt wel fysiotherapie, maar die moeizaam uitgevoerde bewegingsoefeningen wegen niet op tegen alle toetjes, koekjes en lekkere hapjes. Hij wordt dikker en dikker.

Nu hij weer op zichzelf woont, gaat het beter. Ondanks zijn haperende been en slechte lopen, staat hij om de klip-klap op om wat te pakken of te regelen. Dat is goed. Ondanks dat het soms maar net goed gaat bij de hoek van de tafel, de scheefstaande stoel of de kartonnen doos, midden in de kamer, waarin hij afgedankte spullen bewaart. ‘Morgen bel ik de Vintage Store, zij willen deze spullen heel graag hebben.’ Want weggooien, nee, mijn vader gooit niets weg.

Het liefste repareert hij de overlopende frituurpan. Echter, al zijn klusspullen staan in de berging. Geen tijd, geen ruimte en misschien beseft hij wel, diep in zijn hart, dat hij daar niet meer aan moet beginnen.

Laatst wilde hij ook zijn electrische deken ‘repareren’: ‘kijk, dit is zwakstroom en als ik het omhulsel open krijg hoef ik alleen maar…’

‘Nou pa, doe dat maar niet! Wat kost dat nou, een electrische deken? Koop alsjeblieft een nieuwe anders sta je misschien binnenkort met deken en al in de fik!’
Soms moet je duidelijk zijn.

‘Wat ruikt het hier trouwens lekker!’ merk ik op. Trots tilt hij het zwarte deksel van een hapjespan op. Op het aanrecht staan vier plastic bakjes: ‘ik heb lekker paella gemaakt. En dat bewaar ik in deze bakjes, ik kan er wel vier dagen van eten!’

‘Maar vanavond eet je toch bij Bart?’
‘Ja, heerlijk, hij haalt, ja hoe heet het ook al weer? Je kan ze helemaal afkluiven. En je kan er patat of rijst bij bestellen.’
Mijn vader fronst zijn voorhoofd. En ik raad: ‘spareribs?’
‘Ja, spareribs, die zijn heerlijk mals, de spareribs die je broer haalt!’

Ik denk aan de vier bakjes paella met bederfelijke garnalen. ‘Waar bewaar je eigenlijk de paella, in de ijskast of in de vriezer?’
‘In de vriezer.’
Gelukkig.

Hij is nog niet verbrand door overkokende olie, staat niet in de fik door een ‘gerepareerde’ elektrische deken en, als hij die bakjes echt in de vriezer doet, is de kans op een serieuze voedselvergiftiging klein.

Mijn vader loopt terug van de keuken naar zijn gemakkelijke stoel in de kamer. Hij stoot hard zijn been aan de hoek van de veel te grote salontafel, maar hij geeft geen krimp.

‘Eet smakelijk zometeen bij Bart! En tot dinsdag hè ?’

‘Ja, dag! Leuk dat je er was. Tot dinsdag! O ja, dat vergat ik je nog te zeggen: alle douchehulp zeg ik af tijdens de feestdagen hoor! Dat is niet nodig!’

Ik zucht en slik in dat ik dat jammer vind. De douchehulp is ook onze controle drie dagen in de week. Controle op niet gevallen zijn, niet verbrand noch vergiftigd zijn.

Ach, we bellen maar een paar keer extra tussen Kerst en Oud en Nieuw.

‘Dag Puck! Groetjes thuis hè?’

Toppie

IMG_5156.JPG
Vrijdag, laat in de middag, het wordt snel donker buiten. Ik sluit de gordijnen. Er is niemand thuis en ik trakteer mij, na een lange werkweek, op een film die ik een tijdje geleden kocht maar nog niet keek. Ida. Na een half uur verantwoorde zwart-wit beelden, drijven mijn gedachten weg van de Pools-Joodse non en haar wereldse tante.

Ik denk aan tussen-de-middag. Aan kapper C., bij wie ik voor mijn gevoel steeds vaker kom. Voor het verven van mijn grijze haren. In het midden, op de scheiding, verschijnt een zilverwitte baan. Als ik mijn haar van voor naar achteren strijk glinstert het grijs mij tegemoet. De tussenpozen donkerbruin-grijs worden korter en korter.

Het is geen straf naar kapper C. te gaan. C. opende zo’n vijf jaar geleden, als net-gescheiden, vrouw van zo’n jaar of 50 deze dorpszaak in Bennebroek. Ze verfde de muren grijs en roze-rood en ze bracht een hart in het midden van de muur aan met een Libelle-achtige tekst erin geschreven. Iets Engels, over liefde en geluk. Elke keer vergeet ik weer wat er precies staat. C. kleedde de zaak gezellig aan, breidde twee jaar geleden uit met een nagelsalon en is mijns inziens een echte ondernemer. Een zakenvrouw. C. is daarbij altijd opgewekt en positief. Haar nieuwe stopwoordje is ‘toppie!’

De zaak bloeit. C. nam een paar leuke, struise meiden aan die heerlijk je haar wassen en lief je haar kleuren. Ze vragen: ‘wat wilt u drinken?’ en op het schoteltje naast de thee ligt een pepernootje of chocolaatje.

Altijd lees ik bij C. een vrouwenblad als Margriet of Libelle. Ik red het net om tijdens het intrekken van de verf één blad te lezen. Ik lees hoe gelukkig Isa Hoes is en hoe trots ze is op haar (goed verkopende) boek. O nee, ze is eigenlijk nooit trots op iets wat ze doet. Ook goed.

Ik lees hoe ene Annemarieke zo lang mogelijk de kanker bestrijdt omdat ze bij haar 7-jarige dochter wil blijven. Ik lees ingezonden brieven van lezeressen over kinderen en kleinkinderen. Mode: warme vesten, zachte truien in ‘alle mogelijke grijstinten.’

Na het kleuren, wachten, lezen en wassen knipt C. mijn haar. We kennen elkaar al vijf jaar. En de kapper weet alles. ‘Hoe was je vakantie, Annelie?’ Ja, die was leuk alhoewel deze week zo hectisch was dat de warme zon van Lanzarote ver naar achteren gedrongen is in hoofd en hart. C. vindt het ‘toppie’ dat de vakantie goed en geslaagd was.

‘Hoe is het met je arm?’ C. vertelde mij vijf weken geleden over de hevige pijn in haar schouder. Het blijkt een peesontsteking te zijn. ‘Ik moet naar de sportfysio en ik krijg ontstekingsremmers.’ Zo weten C. en ik veel van elkaar. Dit jaar hertrouwde C. met haar ‘mannetje’, dat ze leerde kennen via internet. Beiden houden ze van duiken. Ze trouwden op de Antillen. Kochten een huis samen in de Bollenstreek. En zijn gelukkig.

‘Hoe is het met je vader?’
‘Hoe gaat het met je moeder?’
Al knippend nemen we de tussenliggende weken door. De schaar hapert een beetje zodra het gaat over C.’s 23-jarige dochter. Deze dochter heeft al zo’n zes jaar lang geen contact met haar moeder. Dat is C.’s grote verdriet. C.’s moeder werd de afgelopen week 86 en oma wil graag geld aan haar kleindochter overmaken. Oma ziet haar kleindochter nooit en begrijpt er niets van. C. snapt het zelf ook niet. ‘Ze heeft met niemand contact, niet met haar vader, niet met haar broers, met mij niet..’ De schaar hangt in de lucht. Ik begrijp het verdriet.

C. weet dat ik jarenlang mijn moeder niet zag. ‘Probeer het zelf leuk te hebben en te houden, C.’, zeg ik onmachtig en ik hoor hoe cliché het klinkt. ‘Het doet me veel verdriet, Annelie, ik vind het moeilijk.’ C.’s ogen staan diep en donker in haar gezicht. Ze start weer met knippen. Even is het allemaal niet meer zo positief en vrolijk bij kapper C.

En hoe gek, maar opeens schiet mij een scène te binnen van de meer dan indrukwekkende film van Claude Lanzmann over de Holocaust, Shoah. Kapper Abe, die van Claude moet vertellen hoe hij zijn Joodse dorpsgenoten, vrouwen en meisjes, knipt vlak voor zij in de gaskamers van Auschwitz verdwijnen. ‘Abe, weet jij waar we zijn?’ ‘Abe, wat gebeurt hier?’

Abe knipt en knipt tijdens het interview in Tel Aviv en vertelt met moeite over dit grote, niet te begrijpen verdriet. Hoe hij de vrouwen, met wie hij een vertrouwensband had, alleen maar kon bijstaan door hun haren niet al te kort te knippen voordat zij hun dood tegemoet traden. Ook de schaar van Abe hangt vaak in de lucht. ‘Je moet het vertellen, Abe’ dwingt Lanzmann het verhaal af. Nooit ben ik die scène vergeten. Het zal komen door de film over de Poolse Ida en de haperende schaar van C. dat ik hieraan denk.

C. houdt, zoals een echte kapper betaamt, de spiegel achter mijn hoofd. ‘Netjes weer, hè Annelie?’ En ja, het is netjes. Thuis de haartjes in mijn nek afspoelen en we kunnen er opnieuw een tijdje tegen.

Over vijf weken zien we elkaar weer, kapper C. en ik. Toppie.

Haatcampagne

IMG_5136.JPG
Dinsdag stond in het teken van mijn vader. Eerst het nieuws over de veranderende huishoudelijke hulp. Gelukkig blijft iemand bij hem schoonmaken, één keer per week. De drie uur worden twee uur.
‘Meer heb ik ook niet nodig’ zegt mijn vader tegen de vriendelijke dame van de zorg-organisatie.
Het blijkt dat de huishoudelijke hulp eigenlijk een heleboel dingen niet mag doen, die de vorige hulp,- waar mijn vader zeer op gesteld was, maar die inmiddels ontslagen is,- wel deed. Helpen met boeken uit de kast halen, een keukenkastje uitruimen, de ijskast schoonmaken.
‘O, dan heb ik helemáál geen drie uur meer nodig’ zegt mijn vader.

Het wordt een marathon-dagje vaderzorg. ‘s Middags ga ik met hem naar het van der Valkhotel in Haarlem voor een vaccinatie tegen longontsteking. Vier jaar geleden was hij door zijn huisarts gevraagd mee te doen aan een langdurig onderzoek naar het voorkomen van longontsteking onder ouderen.
‘Vier jaar! Man, dan leef ik vast niet meer!’ had mijn vader destijds tegen zijn huisarts gezegd, maar zie: hij leeft nog. Hij kreeg echter destijds een placebo en nu mag hij terugkomen voor een ‘echte’ prik. Omdat hij al eens eerder bij dit hotel was en daar drie levensgevaarlijke buitentrappen had bestegen, (‘er is daar geen lift!’) ga ik mee.

‘Ik kan er best zelf heen’ zegt mijn vader een paar weken geleden. Maar vandaag zegt hij wel drie keer: ‘fijn dat je mee kan.’ Ik vind het ook fijn. Geen probleem.

In het grijze gehaktballenweer komen wij aan bij het droevig stemmende van der Valkhotel in Haarlem. Wat een naargeestige locatie. Niet echt een hotel waarvan je denkt: ‘laten we daar eens gezellig logeren.’ Grijs, grauw beton, temidden van heel veel ander grijs en grauw beton. Zo’n lelijke, grote vogel kijkt vanaf het dak op ons neer.

Ik zet mijn vader af voor de deur en ik loop met hem naar binnen. Hij maakt bijna een doodsmak over het kleed dat bij de ingang ligt. Dat is de zoveelste keer dat hij over zo’n mat struikelt. Maar het loopt goed af. Hij maakt een hupje en ik grijp hem vast. ‘Ga hier maar even zitten’ en ik wijs op een volkomen misplaatste troon in de naargeestige hal. Ik zet snel de auto weg en ga terug. Nee, hij is niet gaan zitten, maar scharrelt rond in de hal, gelukkig ver bij de mat vandaan.

‘Hier is de lift, pa’ want natuurlijk is er een lift. We komen aan bij de etage van de vaccinatie en moeten even wachten in een andere naargeestige hal. Dit keer één met gebloemde vloerbedekking en,- keurig,- een tafel met koffie, thee en witte mokken voor de wachtenden. Ik probeer zo weinig mogelijk om mij heen te kijken, maar mijn vader maakt direct contact met twee ouderen aan onze tafel: grappig, mijn verlegen vader die dat wel gewoon doet. Een praatje maken met wildvreemden.

Een keurige jongeman haalt het inmiddels tot zo’n acht personen uitgegroeide groepje op en leidt deze naar een naargeestig zaaltje. ‘Je zou toch alleen een prik krijgen?’ vraag ik mijn vader.’ Ja’ zegt hij ‘ik weet ook niet wat dit is.’ We lopen gedwee achter de jongeman aan. We krijgen een presentatie over de pneumokokken-vaccinatie. De keurige jongeman is arts. Ik maak een foto van mijn vader, daar aan tafel, want ik ruik een leuk stukje.

Naast mij zit een vrouw van ongeveer 70 jaar. Een dikke, rode fleece-trui en een spijkerbroek om haar enorme dikke billen en dijen. Een notitieboekje en een pen in de aanslag. Zij kijkt streng door haar bril heen naar de keurige arts. Deze mevrouw heeft duidelijk de vaccinatie-brief goed gelezen, zij is voorbereid en heeft, zo te zien uit mijn linkerooghoek, ook enkele vragen opgeschreven. ‘Hè nee dit kan wel eens heel lang gaan duren’ denk ik. Maar het valt mee. De keurige jongeman legt alles snel en helder uit. Hij pareert vaardig de vragen van de fleece-trui met ‘dat is een brede vraag, die u daar stelt’ en ‘dit lijkt me een discussie voor een ander moment,’ Geweldig, ik ga deze zinnen onthouden! Hoe serveer je snel en beleefd mensen af, echt knap.

We strompelen met ons allen door een naargeestige gang, met de keurige jongen voorop, naar een andere naargeestige ruimte. Er zijn, met grijze verplaatsbare wanden, provisorisch hokjes gecreëerd en een vrolijke, Surinaamse verpleegkundige vraagt mijn vader om bij haar te komen voor de prik. Ondanks zijn 92 jaar en zijn stok is hij als eerste aan de beurt. De anderen zijn nog langzamer dan hij. Ik zie dat de rode fleece-trui met een ski-stok loopt, een andere keurige dame loopt met twee krukken. Allen zijn ze een stuk jonger dan mijn vader. Een stiekem ben ik wel een beetje trots op mijn oude knar: is hij toch mooi als eerste aan de beurt!

Ik droom een beetje weg als opeens de keurige jongeman bij mij komt staan.
‘Mag ik u vragen waarom u een foto nam, zojuist?’
Ik antwoord, een tikje verbouwereerd, dat ik deze misschien gebruik voor een blog, waarin ik verhaaltjes schrijf, onder andere over mijn vader.

‘Ik heb toch liever dat u dat even vooraf vraagt. Ik houd er niet van dat er zomaar foto’s worden gemaakt.’ Vooraf vragen of ik een foto mag maken van mijn vader voor een onschuldig verhaaltje?
Ja, en nu word ik kriegel: ‘ik kan hem zo verwijderen, als je dat wil. Ik heb er niets kwaads mee in de zin.’ ‘En toch had ik liever gehad dat u het vooraf vroeg.’ ‘Nou, mijn excuses’ mompel ik, hij houdt anders niet op met zaniken. Ik meen er niks van en ik denk intussen dat de keurige jongeman van mij in de s….. mag zakken. Wat een eikel. Hij gaat nog even verder. ‘Ik heb heel nare ervaringen met het op internet gooien van informatie. Een haatcampagne tegen Pfizer, dat is bijvoorbeeld wel eens gebeurd.’ Ik kijk hem sprakeloos aan. Haatcampagne? Tegen Pfizer? Man, ik neem gewoon een foto van mijn vader waar jij en je hele Pfizer niet eens goed op te zien zijn! En als ik een haatcampagne wil starten, kan ik dat ook doen zonder foto. Ik ga er maar eens over nadenken. Over zo’n haatcampagne.

Mijn vader krijgt niets mee van dit gesprek en stapt monter op mij af. ‘Zullen wij gaan?’ ‘Ja, we gaan’, zeg ik en we lopen het naargeestige gebouw met de naargeestige vloerbedekking uit.

In de auto denk ik na over de paranoia van de medicijnfabrikant en de jonge arts, die zo bang is voor haatcampagnes. Je zou er toch wat van gaan denken. Wat voeren ze daar in hun schild bij Pfizer, met die pneumokokkenvaccinatie? Ze verdienen daar natuurlijk op enig moment heel veel geld mee, aan al die oudjes die alsmaar ouder worden en geen longontsteking willen oplopen. Misschien wordt hun medicijn wel opgenomen in één of ander landelijk vaccinatie-programma voor ouderen. Al deze gedachten had ik niet gehad als de keurige jongeman mij niet had aangesproken. Ze lokken het gewoon zelf uit. Zo’n haatcampagne.

Bij mijn vader thuis drink ik nog een kopje thee. Ik loop naar de ijskast en haal er een chocolaatje uit. De ijskast ziet er piekfijn uit. Volgend jaar maak ik hem schoon. Het is nu nog niet nodig.

Glad ijs

IMG_5132.JPG
πάντα ῥεῖ καὶ οὐδὲν μένει
‘Alles stroomt en niets blijft hetzelfde’
(Heraclitus, 540-480 v. Chr.)

Een paar jaar geleden begaf ik mij nog graag op glad ijs. Het ijs van de ijsbaan in Haarlem, waar ik begon op de geweldige uitvinding: combinoren. Noren, waarmee je lekker hard kan schaatsen en die toch zo stevig om je voeten zitten als kunstschaatsen. Het was mij tot mijn grote verdriet vroeger nooit gelukt goed te schaatsen op noren,- en op die nuffige, witte kunstschaatsen van mijn moeder wilde ik niet schaatsen,- maar nu zwierde ik moeiteloos over het gladde ijs van de ijsbaan. Het ging zo goed dat ik zelfs, wat jaartjes en schaatslessen later, op op klapnoren durfde te schaatsen.

Echter, dat duurde niet lang. Ik ontwikkelde een tussen-de-oren-angst voor ijs. De aanleiding was een vroege-ochtendtocht naar dat deel van de Oostenrijkse Weissensee waar we de duurtocht van de schaatsvakantie zouden rijden. Schaatsend over donker ijs, vol scheuren en gaten, werd ik banger en banger, terwijl ik mijn kinderen, vrolijk van mij wegschaatsend, over alle scheuren in de verte zag verdwijnen. Nee, daarna werd het nooit meer wat. En drie jaar geleden hing ik mijn klapnoren aan de wilgen.

En nu begeef ik mij toch weer op glad ijs. Het Zwarte Pieten-ijs. Dat ijs is zo glad geworden dat sommige columnisten, zoals bijvoorbeeld de zich zeer frank en vrij uitsprekende Sylvia Witteman, zich op de vlakte houden. Wat is dat toch? Het kinderfeest dat plotseling voor- en tegenstanders kent. Een feest dat heftige discussies, onbegrip, Pietieties en zelfs doodsbedreigingen met zich meebrengt.

Bespottelijk is het. Zeker als je denkt aan de warme zomer waar we uit komen. De zomer van de vliegramp, de onrust in de Oekraïne en als toetje in het najaar de Ebola-crisis. Het verdriet van Nederland zwaait moeiteloos om naar discussies over het Sinterklaasfeest. Het Sinterklaasjournaal trok de afgelopen week meer kijkers dan het NOS-journaal. De Pietencrisis culmineerde bij de intocht in opstootjes. Hoe armzalig.

Het standpunt van de tegenstanders is helder, zij vinden Zwarte Piet een symbool van racisme: een zwarte knecht van een witte man, die op de daken loopt (moet lopen), een pakje aflevert (moet afleveren) en door de schoorsteen kruipt (moet kruipen) om een wortel voor het (witte! Met zwarte plekjes…) paard van de (witte) Sint uit schoenen te halen van (hè, gelukkig dat wel) witte, (licht-) bruine én zwarte kinderen. Door dat klimmen in en uit die schoorsteen wordt hij ‘zwart als roet.’ Wel raar, want voordat hij door die smerige schoorsteen klimt is hij ook al zwart. Misschien wast Piet zich 3/4 jaar niet? Wat dan wel weer heel dom en vies is.

En de voorstanders? Dat zijn (witte) ouders met kleine en grote kinderen, maar ook pubers (waaronder die van mij), die het gezeur van de Sunny Bergmans cum suis beu zijn. ‘Wat een onzin, Piet is geen symbool van racisme’ zeggen zij. Zij bedoelen te zeggen: ‘wij zijn geen racisten.’ Dat laatste is (hopelijk) waar, maar wat als een aantal mensen Zwarte Piet wel vervelend vindt omdat zij zelf worden aangezien voor een (domme) Piet?

Als ouder voel je je zeer gegeneerd als je kind in volle tram of bus met zijn mollige kindervingertje wijst en brabbelt; ‘kijk, Zwarte Piet!’ Geheel onschuldig, maar wel vervelend. Hoe gemakkelijk is het verlost te zijn van dit soort gêne? Hoe erg is het als onze (klein-) kinderen het feestje vieren met vrolijk gekleurde, roetige, witte, bloemen- of stroopwafel-Pieten?

Laten we de traditie van Sinterklaas vooral in stand houden: ik zie nu al veel cadeautjes die ik mijn kleinkinderen zou willen geven op 5 december. Ik wil met hen naar de intocht, waarbij we bevriezen van de kou, maar blij en warm worden van de goedgelovige en lieve kinderglimlachjes. Ik wil ze hun piepkleine schoentjes laten neerzetten bij onze,- eh, ja oma en opa hebben geen haard,- centrale verwarming. En ik zing met alle liefde de liedjes samen met hen.

Er is geen kind over tien, twintig jaar dat zeurt over een groene Piet die hem of haar de cadeautjes geeft. Als er maar cadeautjes zijn!

Enne o ja, het was niet echt cool, dat schaatsen op combinoren, maar uiteindelijk: het wende. Ik zwierde mooi hard de ijsbaan rond en rond…En in mijn hoogtijdagen op de combi’s schaatste ik 65 kilometer op de Oostenrijkse Weissensee. Dat was nooit gelukt op die enkelverzwikkende noren van vroeger of op die duffe, witte kunstschaatsen van mijn moeder.

Time changes.

Van de costen ende baeten

IMG_5080.JPG
Zaterdagochtend was ik om 6.00 uur wakker. Een vroegte-record. Maar ik lag er vrijdagavond dan ook al om 21.00 uur in. Moe van een dag vakantie.

Vanaf 6.45 uur zit ik buiten. Ik kijk naar het opkomende licht. Flardjes wolk, daarachter lichtblauw, zo licht…een randje violet siert het wolkenrandje.

Wat levert dat nu op, zo’n vakantieweekje, behalve nippend aan je kopje thee de dageraad aanschouwen?

Van mijn verscheurende hoestbuien ben ik op dit warme eiland niet afgekomen. Sterker, het hoofd verzamelde deze week slijm en snot dat zich vooral liggend in bed doet gelden. Doffe hoofdpijn, een nare pijn die uitstraalt naar de maag. Nee, het mag hier dan 25 graden zijn, de malheurs zijn niet verdwenen.

Eenmaal op, uit bed, gaat het wel: het snot zakt langzaam naar beneden en nestelt zich in onbekende holtes. Het slijm op de longen houdt zich rustig en wacht op de liggende toestand waarin het zich kan doen gelden.

Ik eet rustig wat yoghurt, hoor het kraaien van een haan, lees pagina voor pagina de krant. Dat is fijn. Door de week ren ik naar beneden, lees hooguit twee pagina’s van de krant en ben ‘s avonds te moe om de rest door te nemen. De rust op vakantie is baat één.

Een zon in november is baat twee: 25 graden, ook zonder zon, maakt dat je in t-shirt en korte broek rondloopt. Heerlijk! Geen jas, sjaal, muts, handschoenen. Thuis was de eerste ochtend al aangebroken waarop ik, fietsend naar het werk, spijtig bedacht dat ik beter mijn handschoenen aan had kunnen doen. Mijn handen één voor één warmend in de jaszak bereikte ik redelijk ongeschonden het werk, maar het was dus weer zover: handschoenenweer.

Hier, op Lanzarote is het geen handschoenenweer. Ze verkopen ze wel: mutsen, sjaals, handschoenen. Maar ik vraag mij af wanneer hier de eerste handschoenendag valt. In januari?

De meest belangrijke baat van deze week is het zijn met mijn kind. Mijn rustige kind, dat een gat in de ochtend slaapt. Dat slaperig aanschuift aan tafel en miezemuizig één half broodje eet. ”s Ochtends heb ik niet zo’n honger, mam.’

‘Wat gaan we vandaag doen?’ Het is een echo in de tijd. Wat hoorden we dit zinnetje vaak. Vroeger, toen ze nog klein waren. En nu is ze groot en vraagt ze het nog. ‘Wat gaan we doen?’
‘Het maakt mij niet uit’ zeg ik, ruim aan mijn rust-, krant- en leestax toegekomen.

Ze bladert door het ANWB-extra boekje en stelt voor naar El Golfo te rijden: ‘daar is een prachtig vulkaanmeertje’; ze wijst het fotootje in het boekje aan. En daar gaan we. Naar het vulkaanmeertje in El Golfo. Dat inderdaad prachtig is. Het hele plaatsje is schitterend. Wilde golven breken op de rotsige kust en spatten uiteen. We eten een visje in één van de talrijke restaurantjes, en kijken uit over de glinsterende zee. We kunnen elkaar bijna niet verstaan door het lawaai van de branding. Maar dat geeft niet. We staren over onze vis heen naar het water. Knijpen onze ogen dicht tegen de zon. Eten de vis.

‘s Avonds koken we zelf in het huisje: rijst, pasta, salade en toe wat fruit. We kijken naar de meegebrachte spannende serie ‘Damages.’ ‘Zullen we er nog één kijken?’ En ja, we kijken nog een aflevering. Maar dan ben ik moe. En gaan we naar bed. Zij zal zeker nog een paar uur op telefoon of laptop t.v. kijken of You-tube filmpjes aanklikken. Of appen met vriend Marijn.

En ik? Ik hoest de liggende longen uit mijn lijf en probeer met mijn snothoofd te slapen. Denkend aan de mooie dag. Met mijn kind dat een tochtje uitzoekt, met mij kookt, van dezelfde series houdt als ik, gesteld is op lekker eten, braaf de Tom Tom instelt en rustig naast mij zit in de auto. ‘Kijk, wat mooi mam!’ En zij wijst op een roodkleurende bergwand in de zon. Schaduwen van langstrekkende wolken worden geprojecteerd op de helling.

Mooi.

De kosten streep ik weg. Zoveel baten, daar kunnen geen kosten tegenop.