Tandsteen

/home/wpcom/public_html/wp-content/blogs.dir/ad1/71051968/files/2014/12/img_5285.jpg
Op de valreep van het oude naar het nieuwe jaar moesten we naar de dierenarts. Een paar weken geleden ontvingen wij een kaart met een uitnodiging voor Moos Balthazar en Saar Bijoux. Onze Siberische boskatten waren uitgenodigd door Sterkliniek Dierenartsen Hillegom voor hun jaarlijkse inenting tegen de katten-niesziekte.

We zochten deze ziekte maar eens op want je wil toch weten of je je met zinnige zaken bezig houdt. Is het wel nodig zo’n jaarlijkse inenting? ‘Dat is dan € 140,- mevrouw, wilt u pinnen of betaalt u contant?’ Ik hoor het het lieve dierenartsmeisje al vragen. En ja, het blijkt nodig te zijn. De tekst over de katttenniesziekte ziet er dermate onrustbarend uit dat we maar niet van deze prik afzien.

De reismandjes halen we uit de schuur en vegen we een beetje schoon. De vochtige handdoek in het wankele plastic mandje kloppen we uit en de poezen worden nog een keer flink gekamd. Je wil toch graag goed voor de dag komen met Moos Balthazar en Saar Bijoux.

Door het gepush van mijn echtgenoot (‘nu moeten jullie echt gaan anders zijn jullie te laat!’) arriveren we tien minuten te vroeg bij Sterkliniek Dierenartsen Hillegom. We nemen plaats op één van de doorzichtig plastic klapstoelen. We hebben alle tijd om rond te kijken. Op de deur van praktijkruimte 1 hangt een poster met tips hoe Oud en Nieuw goed door te komen met je huisdier. De deur staat half open. Ik kan net niet de tekst lezen.

Naast mij hangen zielige A-4 tjes met treurige teksten als ‘Wie heeft onze Poekie gezien? Zij liep weg op 13 december. Een buurvrouw zag haar een paar dagen later, hongerig en verward op de Vossenlaan. Zij is nog niet terug.’ Een vage foto van een angstig kijkende lapjeskat begeleidt het schrijven.

Een vrouw van onbestemde leeftijd stapt de praktijk binnen met in haar kielzog een jongetje van een jaar of drie. Vrolijk roept zij: ‘goede morgen! Hij was net te groot voor een mandje dus ik nam hem maar los mee!’ Ze wijst op haar aanbiddelijke zoontje. Blonde piekhaartjes,- ietsje te lang-, en heel donkerbruine ogen. Zijn spijkerbroekje zakt van zijn platte billetjes af. Moeder haalt uit haar strakke, paars-met-zwart motief versierde, leggingachtige broek haar portemonnee.

‘Atte, welke wil jij dragen, de kleine doos of de grote zak?’
Atte! Dat is een naam die je nooit hoort. Geen Finn, Levi, Sem of Noah, maar Atte. Ik ken maar één Atte. En dat is Atte Jongstra. Schrijver. De kleine Atte kiest voor de doos. ‘Wat zeg je dan tegen deze mevrouw?’
‘Dank u wel’, zegt Atte braaf en hij loopt rustig achter zijn moeder aan.

Ik kijk naar mijn zoon die schuin tegenover mij zit met het mandje met Moos B. We denken beiden hetzelfde: ‘een leuk kind!’ Wonderbaarlijk, ze bestaan. En één ervan heet Atte. Uit Hillegom.

Moos en Saar B. ontvangen hun prikjes. En een prik tegen vlooien. En ze krijgen een ontwormingspil. ‘Ze hebben een beetje tandsteen’, meldt de jonge dierenarts. ‘De volgende keer kunt u deze misschien laten behandelen?’
‘En daarna, moeten we dan hun tandjes poetsen?’, grap ik.
Serieus antwoordt de dierenarts: ‘dat kunt u met een gaasje doen of u schuurt hun lipjes zacht er tegen aan.’ En ze doet het voor. Schaapachtig laten Moos en Saar dit toe. En ik denk: ‘ja, de volgende keer maar.’

We prutsen de onhandige mandjes dicht. En ik reken af bij een aardig dierenartsmeisje.
Dat is dan € 204,85 mevrouw, wilt u pinnen of betaalt u contant?’
‘Ik pin’, zeg ik.

En zo luiden we het oude jaar uit. Ontvlooid. Ontwormd. Met tandsteen.

Advertisements

Lijstje

/home/wpcom/public_html/wp-content/blogs.dir/ad1/71051968/files/2014/12/img_3806.jpg
Het jaar loopt ten einde. Alle kranten produceren beste boekenlijsten. Beste filmlijstjes. We kijken het jaaroverzicht sport met ‘wat was het een mooi sportjaar!’ Dat cliché heb ik nu al tig keer gehoord. Ook het NOS-jaaroverzicht is smullen van de o ja-gevoelens. O ja, de vliegramp. O ja, IS, en ach, Bram is geen advocaat meer. En vlak die top 2000 niet uit. Jaar in, jaar uit dezelfde nummers in een iets andere volgorde. We zijn beland in de week van terugkijken. Een week in het vacuüm tussen de Kerstdagen en het einde van het jaar. Als we pech hebben met grijs, koud, kutweer. Als we geluk hebben schijnt de zon en verstilt de natuur in vorst.

De week tussen Kerst en Oud en Nieuw; de Kerstdagen zijn alweer verleden tijd. Het familiegebeuren dat altijd tegenstrijdige gevoelens oproept, zo ook dit jaar.
Het is gezellig, maar…
Volgend jaar gaan we…
Nooit meer doen we dat, wel…
En ieder jaar doen we gewoon hetzelfde.

We gaan voor het gewone, het geijkte las ik laatst, juist omdat we zoveel kunnen kiezen. Volgens de flamboyante Amerikaanse hoogleraar psychologie Barry Schwartz is dat prima. Zijn studie-advies aan een Nederlandse scholier luidde onlangs: ‘durf te gaan voor goed genoeg in plaats van altijd het allerbeste (…) Niet alles hoeft meteen perfect te zijn. Haal die druk van de ketel.’

Kiezen betekent vrijheid, vrijheid betekent welzijn. Maar al die keuzes (40 soorten tandpasta in de supermarkt: ‘kies ik de tandpasta voor witte tanden, tegen terugtrekkend tandvlees, met fluor, zonder fluor, de tube met rechts-of linksdraaiende dop? etcetera etcetera) leveren stress op. De bijzondere speech van Barry Schwartz, ‘de keuze-paradox’, losjes verteld in short en ongestreken roze t-shirt, is te vinden op You Tube.

En ja, de lijstjes. Wat was voor mij het mooiste boek, de meest indrukwekkende film, de beste serie, de fijnste krant, het mooiste vakantie-plekje, de ontroerendste muziek? Van een, ook flamboyante, collega ontving ik vlak voor de Kerst een c.d. met zelf opgenomen muziek. Daarbij zat een beschrijving van de verschillende muziekstukken die hij met ons wil delen. Geweldig. Alleen weet ik niets van muziek.

Waar ik een klein beetje verstand van heb zijn boeken. Want ik lees graag. En veel. Ook denk ik wat te weten van mooie (vakantie-) plekjes. Eén van mijn hobby’s is het wegdromen op internet bij de mooiste vakantiehuisjes (‘weg van het massatoerisme!’), de meest adembenemende plekken (‘hier vindt u een groen vulkaanmeer, naast een diepblauwe zee, met in het dorpje een aantal bijzondere visrestaurants’) en de meest fantastische reizen (‘je rijdt ‘s middags achterop een brommer bij een Indonesische student langs alle culinaire hotspots van Jogjakarta’).

Ik waag mij, zo op de rand balancerend van het oude en nieuwe jaar, aan twee lijstjes. Een boeken top drie en een vakantieplekje top drie. Voor wat het waard is.

Boeken top drie
1. ‘De wonderbaarlijke reis van Harold Frye’ van Rachel Joyce
Over de schuchtere Harold Frye, die gewoon een ommetje maakt dat uitloopt op een voetreis van Zuid- naar Noord Engeland. Ontroerend en ja, wonderbaarlijk…
2. ‘Het verhaal van een leven’ van Aharon Appelfeld
Een 7-jarig, beschermd opgevoed, Joods jongetje moet zich tijdens de Tweede Wereldoorlog alleen zien te redden, zwervend over het Oekraïense platteland. Een boek waarin de barre overlevingstocht van deze jongen met zijn contrasterende achtergrond prachtig wordt beschreven
3. ‘Kinderwet’ van Ian Mc Ewan Een vrouwelijke rechter die moet oordelen over het behandelen van de zieke, intelligente 17-jarige Adam. In een geweldige schrijfstijl werkt Mc Ewan toe naar het verrassende plot van dit zorgvuldig opgebouwde verhaal.

En waar blijft ‘Nacht’ dan van Knausgard? En de mooiste thriller van dit jaar: ‘Zoon’ van Nesbo? En wat is er te zeggen over Flanagan’s ‘De smalle weg naar het verre Noorden’? Dit laatste boek is zorgvuldig afgekraakt in de Trouw van afgelopen zaterdag, maar geloof die recensent niet, het is een prachtig boek!

Zo staan ze toch mooi genoemd in dit verhaal: de boeken die net buiten mijn top drie vallen maar ook zo de moeite van het lezen waard zijn. En niks geen keuzestress: gewoon rustig lezen wat je aanspreekt. Verdwijnen in een wereld, een andere wereld, vanuit je stoel in de kamer of liggend in je bed.

En dan de vakantieplekjes top drie van 2014:
1. El Golfo, Lanzarote
Een goddelijk kustplaatsje waar de hoge golven tegen de rotsen slaan, een groen vulkaanmeer en de blauwe zee tegenover elkaar mooi liggen te zijn. En niet te vergeten de visrestaurants met verse vis die je opeet in de zon, zonder woorden kijkend naar de beukende branding
2. Werfenweng, Oostenrijk
Een duurzaam wintersportplaatsje, met lantaarnpalen op zonnecollectoren, elektrische skibussen en bij de VVV een gratis af te halen elektrische auto waarmee je geluidloos naar Salzburg rijdt. En niet te vergeten het restaurantje, met de wonderlijke naam ‘Chili’, op het dorpsplein, waar ze de allerlekkerste pittige pizza serveren (Max) en diverse andere heerlijkheden (Annelie)
3. Los Llanos de Aridane, La Palma
Het stadje op het groene Canarische wandeleiland La Palma dat ons hart stal met haar mooie winkelstraten, de open kantoren (daar wil ik wel werken) en de heerlijke restaurants.

En het groene Normandie dan, waar ik hardliep langs bergen en dalen, een keuterboerderijtje rechts en een oud, verkreukeld echtpaar links, werkend in hun kleine, omgewoelde moestuintje? Ja, ook heel mooi! Maar net buiten mijn top drie van 2014. En zondagochtend, tijdens de vier vrije dagen rond Kerst, het friskoude Woestduin met wit uitgeslagen groen aan de rand van het pad, een paard dat met zijn hoef een ijsplas probeert los te krabben en de zon die schittert over de vlakke velden?

Keuzestress.

Blue Planet

/home/wpcom/public_html/wp-content/blogs.dir/ad1/71051968/files/2014/12/img_5282-0.png
Het is zondag. Na een helse nacht zit ik een beetje verdwaasd aan tafel met de krant. Mijn man is, na wat bijslapen vanochtend, een uurtje gaan sporten. Mijn zoon helpt een vriend met verhuizen en schilderen. En ik heb geen puf om mijn vader te bezoeken vandaag. Ik besluit hem af te bellen.

Nadat de telefoon een paar keer overgaat, neemt hij op:
‘Jonquiere!’, klinkt het duidelijk
‘Ja, met mij, met Annelie. Hoe gaat het?’
‘Nou’, zegt mijn vader geheimzinnig, ‘dat zal je zo wel zien…’
Hij rekent dus op mijn komst.
‘Wat zal ik zo zien?’ vraag ik.
‘Mijn gezicht was gisteren zo opgezwollen als dat van een bokser na een zwaar gevecht. Helemaal dik. En ik ben naar de tandarts geweest. Ja, niet mijn eigen tandarts, maar een ander. Het gaat namelijk om een kies. Die is waarschijnlijk ontstoken en nu doorgebroken.’

Even denk ik dat een kies is doorgebroken, maar na enige minuten realiseer ik mij dat hij waarschijnlijk bedoelt dat de ontsteking een weg naar buiten heeft gezocht en gevonden.

‘Ben je gisteren nog naar het Ziggodome geweest?’ Mijn broer regelde kaarten voor een voorstelling waarvan ik na een hele uitleg op mijn vader’s eigen wijze (‘hoe heet hij ook al weer? Je weet wel, die ruimtevaarder, nee, niet Wubbo Ockels’) begreep dat het iets was met de ruimte. Later bleek het te gaan om de voorstelling ‘Blue Planet’ waarin beelden van de aarde vanuit de ruimte, begeleid door life orkestmuziek, te zien zijn. Mijn broer had dit alles geregeld, van kaarten (‘weet jij wel hoe duur die zijn?’) tot en met een parkeerplek vlakbij de ingang en een goed te bereiken zitplaats voor de 92-jarige en hemzelf. Mijn vader had zich er op verheugd.
‘Nee, heel jammer, ik heb moeten afbellen, ik voelde mij niet goed genoeg.’

‘Pa, ik weet niet hoe laat ik vanmiddag bij je langs kan komen. We zijn de hele nacht in de weer geweest met Julia. Zij is doodziek en gaf voortdurend over. Vanochtend heeft Raymond de weekendarts gebeld en kreeg ze medicijnen om het braken te doen stoppen. Ik moet nu even thuis blijven tot Raymond er weer is.’

Meestal is mijn vader meelevend bij ziekte en onheil, zeker als het zijn kleindochter betreft, maar door zijn eigen kiesmalaise zegt hij niet direct dat ik niet hoef te komen. Hij wil natuurlijk dat ik kom. Hij heeft een verhaal.

Aan het einde van de middag ben ik bij hem. Het keteltje water voor thee staat al op en hij struikelt over zijn woorden als hij (weer) het verhaal vertelt. ‘Eerste kerstdag, gourmetten, voelde mij niet lekker, naar huis, de volgende ochtend zo’n kiespijn, naar de 24-uursdienst gebeld…’ Hij ratelt opgewonden door. Ik onderbreek hem.

‘Kom, we gaan eerst even zitten. Ik neem de thee mee.’ En, wonderbaarlijk, hij luistert, loopt naar de huiskamer en hij gaat zitten.

Daar, in het namiddaglicht, zie ik echt goed zijn gezicht: de linkerkant is gezwollen en onder zijn oog zit een flinke blauwe plek. ‘O jee’, zegt mijn vader die mijn onderzoekende blik ziet,’gisteren was het nog véél erger!’

En hij gaat verder met zijn verhaal. Over de €150,- cash die hij ‘in kleine coupures’ mee moest nemen naar de weekend-tandarts. ‘Ja, dat had ik dus niet. Ik ben met de auto naar de bank gereden en ik ging daar pinnen. Met mijn koude vingers kreeg ik niet snel genoeg het bankpasje eruit en wat denk je? Hup, weg bankpasje! Ingeslikt! En ik had nog steeds niet die €150,-. Ik ben terug naar huis gereden en ik heb mijn creditcard gehaald. Het pinnen lukte gelukkig toen wel.’

Twee keer pinnen, pasje kwijt, zelf naar de onbekende tandarts rijden met dat opgezwollen gezicht… Klasse dat hij dat allemaal doet.

Ik drink mijn thee, denk ondertussen aan mijn doodzieke kind ‘zou ze nu al wat gegeten hebben?’ Na een lang uur ga ik weer terug.
‘Ik hoor morgen of je naar je eigen tandarts bent geweest, hè?’ vraag ik.
‘Vanaf 8.30 uur kan je hem bellen,’

‘Ja ja’, zegt mijn vader, ‘ik bel je wel.’
‘En ik kan je ook wel brengen morgen, als je dat wil.’
‘Nee, dat kan ik zelf wel’ is het antwoord. En dat is zo. Hij kan het zelf en hij wil het zelf. Prima.

‘Hoe oud wordt je vader eigenlijk volgende maand?’, vraagt mijn man als we samen wat vermoeid aan tafel zitten. Buiten is het alweer pikkedonker.
‘Op 28 januari wordt hij 93’, antwoord ik en beiden denken we hetzelfde.
Ongelooflijk.

Echte mannen

/home/wpcom/public_html/wp-content/blogs.dir/ad1/71051968/files/2014/12/img_5268.jpg
Laatst kwam mijn vader op bezoek. Ik was jarig, dus hij zou rond 14.30 uur ‘s middags bij ons zijn. Er was diverse keren over gesproken en gebeld. 14.30 uur kwam hij. Voor een kopje thee met een taartje. Om 14.45 uur was hij er nog niet.

‘Ik bel hem wel’, zegt Max in zijn vrolijke, dikke wintervest. Maar opa neemt niet op.
‘Hij is vast onderweg’, zeg ik.

Zo’n vijf minuten later zie ik zijn auto onze straat inrijden. Hij parkeert net uit ons zicht. En het duurt lang voor we zijn grijze hoofd voor ons raam zien verschijnen. Alledrie staren we, zittend aan de eettafel, naar buiten. Nee, geen grijs hoofd.
‘Hij zal toch niet direct uit de auto op de grond gevallen zijn?’, vraag ik zo in het algemeen. Niemand antwoordt.

Ik loop naar het raam en ja, daar strompelt hij met zijn stok in zijn rechterhand over de straat. In zijn linkerhand draagt hij een bos bloemen. Ik zie opeens hoe klein hij is geworden. ‘Ik krimp’, zei hij laatst en nu zie ik het. Hij krimpt.

Licht gebogen loopt hij moeizaam de stoep op. Ik snel naar de deur. Op ons tuinpad liggen een paar ongelijke klinkertjes. Door de onzichtbare wortels van onze berkenboom komen wat tegels langzaam maar zeker omhoog. Voordat hij daarover een smak maakt, doe ik de deur open en ik loop hem tegemoet.

‘O, dat hoeft niet hoor!’, zegt hij als ik de bloemen overneem en hem bij de stokloze arm pak.
‘Er liggen hier een paar tegels scheef’ en ik wijs ze aan.
‘Ja, dat zie ik wel’, zegt mijn vader ongedurig en ik laat zijn arm maar weer los. De drempel, de mat, nog een drempel en ja, hij is binnen.

‘Gefeliciteerd’, zegt mijn vader. Hij klopt mijn man op de rug. Mijn zoon geeft hem lief een zoen.
‘Dag opa’, zegt hij.
‘Dag jongen’, zegt mijn vader.

Even later, als ik de boekenbon heb gekregen (‘ze weten nergens iets over e-boeken, niks weten ze in de winkels!’) en ik hem heb bedankt leg ik uit dat je met een gewone boekenbon bij Bol.com een e-book koopt. Daarna zet ik dat boek op mijn e-reader. Het is een vrij omslachtige procedure maar het kan.

‘Ik heb mijn rijbewijs gehaald, opa’, zegt mijn zoon.
‘Ja, geweldig,’ zegt opa en hij bekijkt het gloednieuwe, zachtroze pasje.
‘Wat sta je knullig op de foto’, zegt opa.

Mijn vader heeft de onhebbelijke gewoonte tegen zijn mannelijke kleinkinderen niet altijd aardig te doen. ‘Je haar is te lang’, hoorde mijn zoon al een paar keer. Of ‘doe eens goed je best op school.’ Deze opvoedkundige opmerkingen maakt hij ook tegen zijn andere kleinzoon. Deze is pas vijf jaar.

‘Hij gaat altijd huilen als ik wat tegen hem zeg’, vertelt mijn vader, ‘dan rent hij naar zijn kamertje en pas als je broer hem uitgebreid getroost heeft komt hij terug.’
‘Waarom doe je dat?’, vraag ik hem, ‘het is zo’n klein, lief mannetje. Dat is toch niet leuk.’ Mijn vader luistert niet naar wat ik zeg. Hij gaat gewoon door.
‘Ach, ben jij nu een man? zeg ik dan tegen hem. Echte mannen huilen niet.’

Mijn mannen aan tafel lachen als mijn vader zo’n beetje stoerig dit verhaal voor de zoveelste keer vertelt. Ik vind het niet leuk. En ik vind het raar. Hij heeft twee kleinzoons en allebei zijn het lieve, leuke jongens. Hij mag in zijn handjes knijpen met zulke kleinkinderen. En dat hij nog een tijdje met ze kan opleven. Het is een wonder.

Maar zo denkt mijn vader niet. Echte mannen huilen niet, ook al hebben ze net zo’n klein hartje als hijzelf. Dat Indische jongetje dat zich achter zijn oma of moeder verschool als er visite kwam. Of zich urenlang verstopte onder de tafel om maar niet vreemde mensen gedag te moeten zeggen.

Dinsdagochtend, nadat mijn vader aan mij verteld heeft dat het buiten 13 graden is, (‘dat kan ik zien op deze thermometer, die meet ook de buitentemperatuur!’) vertelt hij hoe koud hij het wel niet had in de strenge winter van 1939. Hij was als enige van het gezin op 17-jarige leeftijd met de boot naar Nederland gekomen om de HBS af te maken. Hij kwam in een opvanggezin in Heemstede terecht.

Op een onverwarmd kamertje bracht hij één van de koudste winters aller tijden door.
‘Je kon van de Crayenesterlaan helemaal naar het Spaarne schaatsen’, beweert mijn vader.
‘Het Spaarne stroomt, een rivier kan toch niet bevriezen?’, vraag ik.
‘Ja hoor, het Spaarne was echt bevroren’, houdt hij vol.

Ik zie het voor me. Die verlegen, donkere jongen, plotsklaps uit het warme Indie, overgeplant naar het ijskoude Nederland. Zo is mijn vader een echte man geworden. Harde smakken makend op het ijs achter het huis: ‘Ik heb wat scheuren veroorzaakt. Om de haverklap viel ik!’ Tja, echte mannen huilen niet. Ook al staan ze te wiebelen in de ijzige winterkou op te grote schaatsen en verlangen ze naar de veilige warmte van hun geboorteland.

Hij dacht op dat koude kamertje vast aan zijn lieve oma die hem jarenlang verzorgde. Nooit zag hij haar terug. Zijn gedachten moeten ook vaak naar zijn ouders en zijn broertje zijn uitgegaan. Hij zag ze pas na zeven lange jaren weer. Hij moet de overweldigende natuur, met zoveel tinten groen, de bonte dieren, de geuren en kleuren van dat prachtige land gemist hebben. Daar in dat kamertje, bij vreemden in huis, in het ijskoude Nederland.

Echte mannen huilen niet. Als ik wegga bij mijn vader valt mij opeens de krans op die hij aan de voordeur heeft hangen.
‘Hé, wat een mooie krans!’
‘Ja, vind je? Hij is een beetje kaal. Geen kleurige ballen zitten erin. Maar het zijn wel echte dennentakken.’ En hij tikt met zijn nagel tegen de krans.
‘Ik vind hem mooi met alleen de dennenappeltjes.’ En ik meen het.

Als ik wegloop zie ik op elke deur in de lange gang een krans. Het begint mij te dagen. Mijn vader past zich aan aan de heersende gebruiken. Hier, in deze flat, is dat een krans op de deur met Kerst. En dus heeft hij een krans. Aan de deur. Van verse dennentakken. Met dennenappeltjes.

Hij roept mij vanuit de deuropening na: ‘bedankt! Dat je er was.’
‘Ja, geen dank hoor. Tot donderdag!’. Ik kijk even om. Een donkere, iets gebogen oude heer onder een groene krans.

Een echte man, die vader van mij.

Zoek mijn iPhone (3)

/home/wpcom/public_html/wp-content/blogs.dir/ad1/71051968/files/2014/12/img_5267.png
2014 was een goed jaar. Voor mij.
Maar niet voor de moeder van Sascha, die tijdens een gezellig etentje met haar zussen hoorde dat haar dochter in het vliegtuig van Malaysian Airlines zat dat neergehaald werd uit een strakblauwe Oekraïense lucht. Niet voor het 13-jarige meisje Gita, dat zo’n prachtige toespraak hield tijdens de herdenking van vlucht MH17. Over de dood van haar moeder en hoe zij nu dapper probeert door te leven. En niet voor de oma die haar dochter, schoonzoon en drie kleinkinderen bij de vliegramp verloor. In één allesvernietigende klap.

Voor het kleine Yezidi-meisje dat vluchtte naar de berg Sinjar is 2014 een jaar dat zij nooit zal vergeten. Nooit vergeet ze het gehuil van de kinderen om zich heen, die tijdens de vlucht voor IS hun ouders verloren. Nooit vergeet ze haar oma, die achterbleef in het dorp omdat ze te oud was om de bergen in te trekken. Nooit vergeet ze de schroeiende dorst, de honger, de angst. Voor haar was 2014 geen goed jaar. Alleen de pakjes drinken die ze na vele bange dagen kreeg van vreemde mannen. Dat was het enige goede. Die dronk ze op. En ze liet de gedronken pakjes nooit meer los.

Maar voor mij, voor ons, was 2014 een goed jaar. We werken, we sporten en studeren. We maken plezier, gaan op vakantie en hebben daar, in het verre buitenland, voor ons gevoel altijd mooi weer. We lezen goede boeken, schrijven kleine verhaaltjes, kijken naar de mooiste films en series (‘Incendies’ en de Amerikaanse ‘Killing’; kijken op Netflix!) en we gaan soms heerlijk uit eten. Iedere zaterdagochtend lezen we drie kranten, drinken we koffie en iedere zondag en dinsdag bezoek ik mijn oude vader. Waar ik, gek genoeg, hoe langer hoe meer plezier in krijg.

Al deze highligts vat Facebook trouwens zo voor je samen. ‘Het jaar van …’. Eén aaneenschakeling van schaamteloos geluk. Een etalage van hoogtepunten.

Maar, waar zijn de missers van 2014? De mindere dingetjes? Waar is de week ziek-zijn? Hoe is het met de rug van Raymond waar hij twee weken geleden, bij het veteren van zijn hardloopschoenen, doorheen ging? Waar zijn de zorgen om een nipte overgang naar de examenklas? De tranen van een dochter, die al drie jaar moe is en nooit uitgaat? Het gemis van Rob, die net als ik zo van koken hield?Hoe ga je om met spanning, het wakker liggen om niets of iets, de opvliegers, de teleurstellingen nou ja, ik kan nog wel even doorgaan. Deze zien alleen wijzelf. We voelen en doorleven ze. En we hangen vooral dit gevlekte en soms vuile wasgoed niet buiten, laat staan dat we er melding van maken op Facebook. Daar is het rozige rozengeur en heldere maneschijn. Fakebook.

Eén minder dingetje deelde ik dit jaar wel uitgebreid: het dingetje inbraak. Ik schreef daar al eerder iets over. Over de gestolen iPhone waar we dankzij ‘Zoek mijn iPhone’ de verblijfplaats van achterhaalden. Waar de politie achteraan ging, maar toch niet de dader of de heler mee kon pakken.

Omdat het allemaal een beetje knullig verliep.
Omdat ze wel hun best deden maar rekening moesten houden met procedures.
Omdat, -nou ja, we ontvingen een brief drie weken na de inbraak,- (…) ‘vanwege het ontbreken van voldoende aanknopingspunten we uw zaak sluiten.’

En nu is er vorige week in onze straat voor de vijfde keer ingebroken, dit keer bij onze buren. Die niets kwijt zijn, maar nu alle sloten van het huis nalopen en vernieuwen. De dieven forceren niet alleen op klaarlichte dag een voordeur maar zij klimmen ook naar boven, gewoon aan de straatkant. Dus ook wij vernieuwen alle sloten. Omdat dat nodig is. Omdat er niet voldoende aanknopingspunten zijn. Omdat we ons niet veilig voelen.

Vandaag krijg ik, als kers op de inbraaktaart, een Whatsappje van Max: ‘Me iPhone zit in Marokko.’ Zijn iPhone is opgedoken in een Berberdorp in Marokko. Een Marokkaanse klasgenoot zei verrast, tegen mijn zoon toen hij het screenshot zag: ‘hé, dat is een half uur van ons huis vandaan!’

By the way, Max, het is ‘mijn’ iPhone.

Verder was het een goed jaar, 2014. Goed en mooi. Voor mij. Voor ons.

De circusklanten zijn weg

/home/wpcom/public_html/wp-content/blogs.dir/ad1/71051968/files/2014/12/img_5252.jpg
Je maakt wat mee op zomaar een über-druilerige dag in december. Mijn man had mij al gewaarschuwd: ‘onze auto’s moeten weg, morgen. Er staat een bord aan het begin van de straat.’ En wij speculeren over het onheil dat ons wacht.

‘Er komt vast zo’n gat in de weg als in de Krakeling’, sombert mijn dochter. ‘Iedere ochtend spring ik er overheen. Dat gat zit er al weken.’

Zelf heb ik ook visioenen van een (wederom!) wekenlang opgebroken straat, maar waarom? Alles is toch al gebeurd laatst? Aan het gezicht van mijn man zie ik dat hij nog rampzaliger scenario’s voor zich ziet.

Braaf verplaats ik ‘s avonds mijn auto. Deze staat nu voor één van de huizen uit het duurdere segment. In de Krakeling, het villawijkje dat zich inderdaad als een bros krakelingetje langs de Beukenvaart kronkelt.

Ik loop in het donker terug naar huis. ‘Heb ik de auto nu op slot gedaan?’ En ik loop weer terug. Mijn brein is een zeef met kleine gaatjes waar voortdurend kortdurende herinneringen doorheen vallen als fijn, zacht zand.

Ik kijk zowel bij het heen- als teruglopen bij iedereen naar binnen. Op de bank in het hoekhuis ligt een puber met een telefoon in de hand. Zijn vader doet de televisie aan. Zacht lamplicht verlicht de kamer. De twinkelende lichtjes van de kerstboom schitteren. Als ik mijn ogen dichtknijp zie ik kleine sterretjes.

Onze buurvrouw zit aan tafel en zij schrijft. ‘Vast de kerstkaarten’, denk ik. Nooit zit de buurvrouw aan tafel. En schrijven, dat zie ik haar nu voor de eerste keer doen. Even een straatje om en je ziet nog eens wat.

De volgende ochtend horen we in onze doodstille straat opeens een hoop lawaai. Om de hoek verschijnt een optocht van vier mannen in oranje hesjes. Zij blazen de blaadjes weg met een lawaaierige bladblazer.

Daarachter rijdt een blauw wagentje. Aan de zijkant roteren razendsnel, ja, wat zijn het? Ronddraaiende wieltjes. Zij pakken de blaadjes op en werken deze naar binnen, in de buik van de wagen. Achter het blauwe autootje rijdt een kleiner, wit wagentje. Dat ook veegt met ronddraaiende wieltjes.
Je maakt wat mee op een ochtend.

Ik sta zo te gapen voor het raam dat ik door mijn kind word gesommeerd daar weg te gaan. ‘Mam, dat kan echt niet, hoor. Zo stom staan kijken.’

Maar ik sta lang genoeg om te zien dat de wandelende bladblazer-formatie halt houdt. De wagentjes komen voor ons huis tot stilstand. Ik zie een dikke elleboog leunen op de binnenrand van het raampje.

Waarom staan zij stil? Ha, de bladblazers hebben onheil geroken en blazen de tuin van de vijf jaar geleden overleden meneer van Kessel schoon. Het huis staat treurig al vijf jaar leeg te zijn. En ja, bladeren hopen zich op in de tuin. Dat hebben de blazers goed gezien. Anders zou alles voor niets zijn. De van-Kessel-blaadjes waaien natuurlijk zo op en voor je het weet is het weer een rotzooi op straat.

Na drie minuten herstelt de optocht zich. Op de zijkant van het laatste autootje staat een zin. Ondanks de boze blikken van mijn dochter reik ik mijn hals om de letters te lezen:
‘De circusklanten zijn weg’, staat op de vuilwitte zijportier van de veegauto.

Tja, daar kan ik de rest van de dag mee door. Hoe raadselachtig.

Ik hoor een plof op de mat. Een kerstkaart. Van de buren. Ik ga zo maar eens de auto terugzetten.

Olie van hars

/home/wpcom/public_html/wp-content/blogs.dir/ad1/71051968/files/2014/12/img_5247.jpg
Er gaat een man voorbij. Grijs haar, slecht geknipt of te lang gegroeid. Of beiden. Pieken haar langs de slapen. Zoals alle grijze 70-jarigen heeft hij een bril. Het regent licht en de man draagt een dunne, gekleurde regenjas. Koud is het niet.

De kale beukentakken wijzen alle richtingen aan. Achter de takken hangt grijs het licht. De luxaflex, zo vertrouwd, de gelijkmatige beige streepjes. Rechts aan de onderkant zijn ze verschoven. Daarboven bewegen de takjes van de groene spar zachtjes in de wind.

De twee poezen liggen vredig in de vensterbank. De warme lucht van de verwarming stijgt op naar hun profiterende lijven. De staarten hangen een beetje over de vensterbank heen. Ze slapen.

Het kerststalletje links op het art-deco-kastje staat stil en eenzaam te wachten. De wijzen staan achter het stalletje met hun cadeaus. Wat neem je mee voor een baby?

Vandaag zou het een rompertje van de Hema zijn, een zachte knuffel van een dure kinderwinkel,- het liefst één met een WNF-merkje achter op de rug,- of een wit-katoenen overslag-shirtje, afgezet met een satijnen biesje. Lief! staat erop.

Destijds kwamen ze, -de wijzen-, na een lange tocht met goud, wierook en mirre op hun bestemming aan. Nooit heb ik geweten wat dat was: mirre. Hoe zoet de klank.

En ik denk terug aan mijn lieve bijbeljuf, mevrouw Schreuder. Zij droeg haar lange, pikzwarte haar altijd in een knot. Een haarnetje strak eroverheen. Zij was opgemaakt, een beetje zoals de excentrieke strafpleiter Inez Weski en de mysterieuze schilderes Ans Markus. Excentriek en mysterieus.

In mijn herinnering vertelt mevrouw Schreuder met een mooie, zachte stem, de mystieke bijbel-verhalen aan ons, kinderen van de neutraal-bijzondere school, en laat zij daarbij plaatjes zien. Eén van de okergeel getinte afbeeldingen komt uit een boek van Rien Poortvliet ‘Hij was een van ons.’

‘Jij lijkt precies op Maria’ en mevrouw Schreuder wijst naar mij: klein, langharig, Indisch meisje in een te grote schoolbank. De opmerking van mevrouw Schreuder vervult mij met trots. Dat wil ik wel: lijken op deze mooie, donkerharige Maria die zo tot mijn verbeelding spreekt. Zij, Maria, heeft zoiets droevigs in haar ogen.

Thuis hebben we het boek van Rien Poortvliet ook. Lang kijk ik naar het plaatje van de mooie Maria.

In ons geknutselde stalletje, bekleed met aluminiumfolie, staat 40 jaar later een piepklein beeldje, Maria. Haar gezichtje is niet duidelijk ingetekend. Haar lichaamshouding is devoot. Armen schuin gekruist, een licht gebogen hoofd. Nee, geef mij maar de Maria van Rien met haar droevige blik. Aan de deemoedige vrouw naast de kribbe voel ik mij niet verwant.

En mirre? Ik heb het opgezocht. Na 40 jaar zalige onwetendheid weet ik dat mirre een geurende olie is, afkomstig van hars. Ze zalfden er koningen, koninginnen en profeten mee. Vandaar.

Ik kijk naar buiten. Het wordt snel donker. De lucht verandert van licht- naar donkergrijs. De man met de bril, hij loopt weer voorbij. Ik ken hem niet.