De circusklanten zijn weg

/home/wpcom/public_html/wp-content/blogs.dir/ad1/71051968/files/2014/12/img_5252.jpg
Je maakt wat mee op zomaar een über-druilerige dag in december. Mijn man had mij al gewaarschuwd: ‘onze auto’s moeten weg, morgen. Er staat een bord aan het begin van de straat.’ En wij speculeren over het onheil dat ons wacht.

‘Er komt vast zo’n gat in de weg als in de Krakeling’, sombert mijn dochter. ‘Iedere ochtend spring ik er overheen. Dat gat zit er al weken.’

Zelf heb ik ook visioenen van een (wederom!) wekenlang opgebroken straat, maar waarom? Alles is toch al gebeurd laatst? Aan het gezicht van mijn man zie ik dat hij nog rampzaliger scenario’s voor zich ziet.

Braaf verplaats ik ‘s avonds mijn auto. Deze staat nu voor één van de huizen uit het duurdere segment. In de Krakeling, het villawijkje dat zich inderdaad als een bros krakelingetje langs de Beukenvaart kronkelt.

Ik loop in het donker terug naar huis. ‘Heb ik de auto nu op slot gedaan?’ En ik loop weer terug. Mijn brein is een zeef met kleine gaatjes waar voortdurend kortdurende herinneringen doorheen vallen als fijn, zacht zand.

Ik kijk zowel bij het heen- als teruglopen bij iedereen naar binnen. Op de bank in het hoekhuis ligt een puber met een telefoon in de hand. Zijn vader doet de televisie aan. Zacht lamplicht verlicht de kamer. De twinkelende lichtjes van de kerstboom schitteren. Als ik mijn ogen dichtknijp zie ik kleine sterretjes.

Onze buurvrouw zit aan tafel en zij schrijft. ‘Vast de kerstkaarten’, denk ik. Nooit zit de buurvrouw aan tafel. En schrijven, dat zie ik haar nu voor de eerste keer doen. Even een straatje om en je ziet nog eens wat.

De volgende ochtend horen we in onze doodstille straat opeens een hoop lawaai. Om de hoek verschijnt een optocht van vier mannen in oranje hesjes. Zij blazen de blaadjes weg met een lawaaierige bladblazer.

Daarachter rijdt een blauw wagentje. Aan de zijkant roteren razendsnel, ja, wat zijn het? Ronddraaiende wieltjes. Zij pakken de blaadjes op en werken deze naar binnen, in de buik van de wagen. Achter het blauwe autootje rijdt een kleiner, wit wagentje. Dat ook veegt met ronddraaiende wieltjes.
Je maakt wat mee op een ochtend.

Ik sta zo te gapen voor het raam dat ik door mijn kind word gesommeerd daar weg te gaan. ‘Mam, dat kan echt niet, hoor. Zo stom staan kijken.’

Maar ik sta lang genoeg om te zien dat de wandelende bladblazer-formatie halt houdt. De wagentjes komen voor ons huis tot stilstand. Ik zie een dikke elleboog leunen op de binnenrand van het raampje.

Waarom staan zij stil? Ha, de bladblazers hebben onheil geroken en blazen de tuin van de vijf jaar geleden overleden meneer van Kessel schoon. Het huis staat treurig al vijf jaar leeg te zijn. En ja, bladeren hopen zich op in de tuin. Dat hebben de blazers goed gezien. Anders zou alles voor niets zijn. De van-Kessel-blaadjes waaien natuurlijk zo op en voor je het weet is het weer een rotzooi op straat.

Na drie minuten herstelt de optocht zich. Op de zijkant van het laatste autootje staat een zin. Ondanks de boze blikken van mijn dochter reik ik mijn hals om de letters te lezen:
‘De circusklanten zijn weg’, staat op de vuilwitte zijportier van de veegauto.

Tja, daar kan ik de rest van de dag mee door. Hoe raadselachtig.

Ik hoor een plof op de mat. Een kerstkaart. Van de buren. Ik ga zo maar eens de auto terugzetten.

Advertisements

Leave a Reply

Please log in using one of these methods to post your comment:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s