‘Ik kom terug’

IMG_5409
Met een gloednieuw boek zit ik op de bank in onze huiskamer. De ensuite-deuren met het glas-in-lood zijn dicht. Om mij heen is het stil. Het boek ruikt en voelt nieuw: de geur van vers papier, de stroefheid van bladzijden. ‘Ik kom terug’ heet het.

‘s Middags is de herdenking van de bevrijding van Auschwitz. Russische soldaten stuitten zeventig jaar geleden met hun ski’s op de barakken van Auschwitz. Frieda Bromet, een meisje uit Nederland, hoorde ze. Doodziek lag ze daar. In de ziekenbarak. En ze hoorde de droge tik van ski’s tegen het hout. Het was 27 januari 1945.

Ooit las ik het boek ‘De laatste zeven maanden, vrouwen in het spoor van Anne Frank’, samengesteld door Willy Lindwer. Gebaseerd op interviews. Een boek met herinneringen van Nederlandse vrouwen, die terecht kwamen in de concentratiekampen. Soms jonge vrouwen, zoals Bloeme Emden. Zij deed op de valreep in Amsterdam eindexamen gymnasium. Zij en nog één klasgenoot. De anderen waren langzaam maar zeker uit de klas verdwenen.

De achttienjarige Bloeme die, toen ze zich in Auschwitz moest uitkleden voor de ogen van toekijkende soldaten, ‘iets voelde knappen’ in haar hoofd. ‘Ik was zo beschermd opgevoed, zo bleu en jong, ik besefte opeens dat hier heel andere normen en waarden golden.’

Frieda Bromet verbleef ook op heel jonge leeftijd in Auschwitz met haar moeder. Net als de zusjes Frank, die daar met hun moeder waren. Moeders die er alles aan deden hun dochters in leven te houden. Ze schoven stiekem door een kier onder de Kratze-barak, waar de drie meisjes met schurft lagen, stukjes brood naar ze toe.

Een andere vrouw, Janny Brandes, was het die Otto Frank na de oorlog moest vertellen dat zijn beide dochters dood waren. Jammerlijk gestorven, zwaar vermagerd door de honger, vervuild en verward door typhusdromen. Eerst viel Margot uit haar brits. Een dag later overleed Anne. Het meisje dat zo graag schrijfster wilde worden. En het uiteindelijk werd.

Tijdens de herdenking in Polen ,-een tent is over de bekende toegangspoort geplaatst-, spreken velen. Overlevenden. De directeur van Auschwitz. De Poolse president. Een oudere heer, begeleid door een jong meisje, loopt voorzichtig en langzaam naar het podium. Wit-grijze haren pieken achter zijn oren.

Haar als het engelenhaar dat vroeger bij ons in de kerstboom hing. Wolkjes van glas. Glas! Dat kon ik niet geloven als klein meisje. Maar tussen je vingers voelde je het. Het knisperen van ja, glas. Of was het een verzinsel van mijn moeder? Tot op de dag van vandaag is het voor mij een raadsel.

De man met het engelenhaar vertelt. Over de ontberingen. De tijd die zich niet aan de regels houdt. Een seconde duurt een dag. Een dag een jaar. En zijn herinneringen leven. Je ziet het aan zijn optreden. Je hoort het in zijn stem. Hij breekt. Emotie klinkt door bij de hartenkreet: ‘We moeten onze kinderen tolerantie en begrip bijbrengen. Wij overlevenden willen niet dat ons verleden de toekomst wordt van onze kinderen.’

Ik weet niet hoe het voelt, overkomt daar in die tent. Hier, in de stille huiskamer, komt deze roep, recht uit het hart, aan. Nee, nooit meer. Geen half miljoen vermoorde kinderen, niet dagenlang de namen voorlezen van vermoorde Nederlanders. Jacob Schwartz, 80 jaar, Vrouwkje Schwartz-Rosenbaim, 33 jaar, Sara Schwartz, 2 jaar.

Het gezang van de cantor in de tent snijdt door de ziel. Verdriet, nee smart, diepe smart hoort de luisteraar. Over sommige oude gezichten glijdt een traan. De meeste ogen staren naar binnen. Naar de herinnering, de pijn.

Ik zie mijn boek liggen op de tafel. ‘Ik kom terug.’ Zij kwamen terug. En zij zijn terug. Dappere, oude mensen.

Roman Kent. De man met het engelenhaar. Dappere, oude man.

De reis naar oud

2015/01/img_5402-0.png
Vermindering neem waarneembaar toe. Ek hoop om te voldoen aan omgekeerde bloei en leeg genoeg te loop om vol te loop met wat vanuit hierbuite binnevloei’

Elisabeth Eybers

dinsdag 21 januari 2015
De verjaardag nadert.
‘Heb je nu al gereserveerd?’ vraagt mijn vader ongeduldig.
‘Pa, het is dinsdag, we gaan pas volgende week woensdag uit eten!’
‘Ja, maar je broer moet weten hoe laat we eten.’
Nou, dat kunnen we toch afspreken! Half zeven?’

En dat vind hij goed. Woensdag 28 januari 2015. Half zeven. Hij zal het doorgeven aan mijn broer. ‘s Middags bel ik het restaurant om te reserveren. Ik verontschuldig me voor de tijdigheid van de reservering. Waarom? Geen idee. Wel weet ik dat de ogen van mijn vader dwingen. Ook al ben ik geen kind meer. Ik reserveer een week plus een dag van te voren het restaurant. Braaf.

zaterdag 24 januari 2015
Zaterdagmiddag zit ik in de trein. Eén van de schaarse treinen die vandaag rijden. ‘In verband met de eerdere weersomstandigheden is er beperkt treinverkeer’, meldt een vrouwenstem om de vijf minuten over het Heemsteedse perron. Het ijzelde ‘s ochtends. Wat jammer was in verband met ons eerder geplande uitstapje naar Amsterdam. En dan komt toch een trein aanrijden. Compact en dus vol. Ik schuif op een stoel-alleen, vlak achter het klapdeurtje. Tegenover een vrouw van een jaar of zeventig. Zij neemt bijna twee stoelen in beslag. Een bruine handtas, die zij krampachtig vasthoudt, staat naast haar op de bank. Evenals een stoffen tas met opdruk. Mijn man schuift op de stoel naast de vrouw maar er is nauwelijks plaats.

‘U kunt uw tas ook naast u op de grond zetten’, merkt hij geërgerd op.
‘Dat kan niet’, antwoordt ze vinnig, ‘er zitten breekbare spullen in.’ Wat ik uit de tas zie piepen is een notitieblok, in zo’n nepleren kaft. En een boek, A-4-formaat. Ik ben benieuwd wat er breekbaar is in de tas. Het bruine handtasje, blijkbaar zonder breekbaar spul, legt ze zuchtend op het tafeltje voor ons. Mijn man en de dame. Ze zitten gezellig dicht tegen elkaar aan.

Met haar ogen achter een montuurloze bril wijst zij hem op de lege plek schuin tegenover hem.
‘U kunt ook..’
‘Ja, ik kan ook daar gaan zitten, maar ik kan mijn vrouw niet alleen laten’, zegt hij. Zij lacht zurig. Tijdens de reis naar Amsterdam dommelt ze weg. Naast de tas met het breekbare materiaal.

Zondag 25 januari 2015
Zondag bezoek ik mijn vader. Hij telt de dagen af tot woensdag 28 januari. De dag van De Reservering. Zijn Verjaardag. Het Etentje. Zijn wangen glimmen. Zijn huid, lichtbruin in de winter, is één tintje bruiner dan die van mij. Hij ziet er goed uit.

‘Je ziet er goed uit’, zeg ik.
Maar daar reageert mijn vader niet op. Ik vertel hem van ons uitje naar Amsterdam, het werk, we nemen de actualiteit door. Het wekelijkse ritueel.

‘Ik haal je woensdag om 18.00 uur op’, zeg ik bij het weggaan.
‘Dank je wel, dat je er was. Ik vind het altijd erg gezellig.’ Ook dat behoort inmiddels tot het ritueel. Evenals mijn onbeholpen, vaak non-reactie.

Als ik terugrijd naar huis denk ik aan een gesprek een tijd geleden.
‘Ik kan heel goed alleen zijn. Ik vind het zelfs prettig om alleen te zijn’, aldus mijn vader.
Ik denk aan mijn moeder die mijn vader cynisch ‘de eeuwige vrijgezel’ noemde. Zij voelde wel dat haar aanwezigheid voor hem nauwelijks toegevoegde waarde opleverde. Het is wonderbaarlijk dat hij mij het afgelopen jaar is gaan bedanken voor mijn bezoekjes.

En zo verloopt de reis naar oud. Onvoorspelbaar. In een compacte trein. Met je tas krampachtig in de hand. Vertrek hooguit één keer in het uur. Zoals de dienstregeling in wintertijd. Dankbaar.

Oud? Ja. Eenzaam? Nee.

Een groot schrijver

2015/01/img_5395.png
Soms loop ik ‘s nachts naar het Victorieplein,
Als kind heb ik daar namelijk gewoond.
Aan vaders hand zijn zoon te zijn,
Op moeders schoot te zijn beloond.

Om niet. Om niet is het, dat ik hier ga,
De vrieskou in mijn jas laat dringen,
Alsof de tijd zich ooit zou laten dwingen,
Terwijl ik roerloos in de deurpost sta

Om thuis te komen. En zo simpel is de gang
Om tot dit moeilijk inzicht te geraken:
Dat ik geen kind meer ben; dat ik verlang

Naar iemand die nooit kon bestaan:
Een jongetje dat alles goed zou maken –
De tijd die stilstond en hem liet begaan.

Ischa Meijer (1943-1995)

Maandag over een week begint het. Een nieuwe cursus, verhalende non-fictie. Gegeven door schrijfster en columniste Aleid Truijens. Haar columns in de Volkskrant lees ik graag. Vaak over onderwijs, daar waar ook mijn hart ligt. Alhoewel, ver weg in de tijd. Voor mij. Ook schreef zij een paar mooie boeken. Over haar doodzieke zoontje, dat gelukkig beter werd. Biografieën, onder andere die van schrijver F.B.Hotz. Een groot schrijver.

Wat zoek ik maandag 2 februari daar, aan de Herengracht in Amsterdam? Ik zoek moed. Moed om in de plastic tas te duiken onder ons bureau in het ‘kantoor’ thuis. Een oude plastic tas met brieven. Brieven van mijn ouders, van mijn moeder. Een flard van een gecompliceerd leven en een gecompliceerde geest ligt in ons veilige huis.

Tot nog toe heb ik geen moed. Geen zin om met het openen van de tas de verre pijn te voelen van het meisje. Het meisje dat alles goed zou maken. Niet wetend wat dat alles is, moest zijn.

Misschien moeten we het laten bij de plastic zak, daar ver weg onder het bureau. En leven we door met werk, eten, lezen, kranten, groter-wordende kinderen en zo nu en dan een schrijfsel.

De tijd zal het leren. Vanaf maandag 2 februari bestaat er een kans. Een kans op het openen van geschreven, vaak ook getypte brieven. Met de elektrische typemachine getikt. Ratelend in de voor-slaapkamer van de enorme flat die we ooit bewoonden. Het kustdorp. Waar ik dag en nacht de zee hoorde, de wind die fluitend, soms gierend door de kieren en het sleutelgat van mijn balkondeur joeg.

Zie, de woorden komen vanzelf. Nu nog de tas. En de moed. En Aleid.

Een groot denker

2015/01/img_5382.jpg
De velden achter de rails slaan wit uit. Het is koud. De zon. Zij schijnt maar is niet warm genoeg om de vrieskou te compenseren. Iedereen op het perron staat doodstil. Bewegen kost warmte. Niet bewegen dus.

‘Gisteren heb ik Pieter gebeld en gezegd dat ik vrienden wil zijn maar geen relatie meer wil.’
‘Ach, jammer, wat vond ie ervan?’
‘Ja, jammer wel. Het gaat me niet eens om het uiterlijk. Met een dieet is veel te winnen.’

Twee dames, moeilijk in te schatten qua leeftijd. Zestig? Ja, zoiets. Ze staan achter mij en op hun mond na beweegt ook bij hen niets. Ze zijn beiden sportief gekleed. De lippenstift van de dame van de verbroken relatie verbrokkelt en doet haar uitstraling geen goed. Ik weet niet wie nu beter af is: dikke Pieter of de verbrokkelende dame. Misschien is het voor beiden goed zo.

Vanaf Dordrecht begint de coupé te lijken op een stilte-coupé. Een babbelende dame houdt eindelijk haar mond over het vulkaan-eiland waar ‘het heerlijk was, even drie weken lekker niets.’ Een paar langslopende pubers verstoren een momentje de rust, een friet-en alcoholwalm achterlatend. Iedereen leest, werkt, appt of schrijft. Buiten houdt het wintersportweer aan.

In de stationshal van Rotterdam Centraal voelt de mens zich nietig. Een enorme ruimte omgeeft de reiziger. Links en rechts draait het om eten: Burger King, Smullers, de Broodzaak. Een verzadigingsroute. Aan het einde van de hal bevindt zich de Stationshuiskamer: bruintinten, zacht leer, gedempt licht. Werkenden en zacht-sprekenden. Veel werkenden. Met lap-top, iPad, iPhone.

De tocht eindigt voorlopig bij Lebkov. Een naam die doet denken aan een Russische schrijver, een groot denker. Schaker misschien. Nee. Hier eet de werker een dubbele sandwich carpaccio/tomatenmayonaise/rucola. Zij drinkt er thee bij uit een papieren beker. Een intrigerende constructie draagt het open theezakje zó dat de thee in het water trekt. Een middelgrote café latte volgt later. En zij werkt. Overlegt. Denkt. Leert. En keert huiswaarts met twintig ideeën in haar tas.

Op de terugweg schieten voorbij moestuintjes, huisjes. Knotwilgen met takken als de haren van de Stampertjes, recht omhoog. Woonwagens. Een wagen met het opschrift ‘Vis en broodje’. Een berg zwarte aarde, waar de damp vanaf slaat. Een graafmachine, klein formaat, doorklieft de damp. Weilanden, doorsneden als boterhammetjes met randen van slootwater. The British school. Een strak sportveld. Texaco. Graffiti. Onleesbaar en kleurrijk.

Snelheid 134 km per uur
Buitentemperatuur 0 graden
Binnentemperatuur 22 graden.

Thuis. In de spiegel zie ik mijn lippenstift, verbrokkeld.

Sjalom שָׁלוֹם

2015/01/img_5375.png
Meer dan 300 mensen lazen de afgelopen dagen mijn blog ‘Insjallah’. Het verhaal over de kleinzoon van mevrouw van der Wieken, de Saoedische blogger Raif Badawi, de meiden van Halal en mijn verontrusting over het al dan niet vreedzame karakter van de Islam raakt een snaar.

Een oud-klasgenoot schreef mij maandagavond een prachtige mail:

‘Wat een steengoede blog heb je geschreven. Ik ben zo vrij geweest het te delen op mijn Facebook-pagina.

Ik ken de genoemde oma vrij goed en zal haar jouw bericht mailen. Dit zal zij zeker als een enorme steun ervaren. Zoals je begrijpt leeft dit enorm in de joodse gemeenschap hier. (…)’

Mijn oud-klasgenoot, waarmee ik dertig jaar geleden enorm kon lachen vooral om de malle blokfluitlessen en oeverloze non-discussies op de Pedagogische Academie, leidt, naast zijn ‘gewone’ werk, diensten in de synagoge en stuurde mij de tekst van zijn laatste speech toe. Ook hij is verontrust.

Wat willen wij beiden? Wat wil mevrouw van der Wieken? Wat willen de meer dan 300 blog-lezers?
Ik gun mijn bijna-volwassen kinderen een samenleving van vrijheid, vrede en vriendschap. De samenleving waar ik in groot geworden ben. Kiezen wat je wil, worden wat je wil, zijn wie je bent, katholiek of jood, moslim, atheïst. Homo of hetero.

Gisteren zat Ahmed Aboutaleb op de bank bij Eva Jinek. Ik zapte in het programma na een dag en avond werken. En ik veerde op. Deze man, afkomstig uit het gebied waar laatst onze gestolen iPhone opdook, verpersoonlijkt de Islam waarvan ik denk dat deze prima past in onze samenleving. Open, zelfbewust, duidelijk en ja, ook met humor komt Aboutaleb op voor de samenleving ‘waar ook ik zo hard aan heb gewerkt.’

Vurig en oprecht gaat hij in gesprek met jongetjes die dezelfde onwerkelijke opvattingen hebben als de jongetjes in de huiswerkklas van de kleinzoon van mevrouw van der Wieken. Duidelijk verkondigt Aboutaleb zijn mening over mannen en vrouwen die willen wonen in een kalifaat: ‘ga!’ ‘Ga vooral, maar laat ons in vrijheid leven en doorbouwen aan onze mooie open samenleving!’

Aboutaleb illustreert zijn opvatting over de Nederlandse samenleving met het verhaal dat hij als burgemeester aan ‘nieuwe Nederlanders’ met de plechtige overhandiging van hun Nederlandse paspoort geen reisdocument aan hen afgeeft maar ‘een identiteit’. ‘Je krijgt de Nederlandse nationaliteit, die staat voor alle moois en goeds in onze samenleving.’

Ook praat Aboutaleb, naar hij zegt, met jonge Syrië-gangers. Waarom willen zij naar het gebied waar IS een bloedige strijd levert voor idealen die
zó niet de onze zijn? Hoe is deze drang te rijmen met de vele vluchtelingen die in gammele boten op de Middellandse Zee uit Syrië en Irak onze vrije en veilige samenleving opzoeken? Een helder antwoord krijgt Aboutaleb niet op zijn vragen. ‘Het zijn warrige gesprekken met deze jongeren’, geeft hij toe.

Als Eva blijft doorzagen over zijn ambitie ‘men noemt u de nieuwe partijleider’ reageert hij met de standaardopmerking dat ‘hij burgemeester van Rotterdam is en dat de komende zes jaar met volle energie en overtuiging doet.’
Eva: ‘tja, wat moet ik nu als journalist doen, doorzeuren of niet? Wat adviseert u mij?’

En met een lichtje in zijn ogen krijgt Eva het antwoord ‘ik zou het níet doen.’ Aboutaleb krijgt van zijn woordvoerder waarschijnlijk een 10 voor dit interview. Een een zoen van de juffrouw. Onberispelijk.

Maar hoe zit het nu met mij en mijn verontrusting? Helpen de woorden van deze gezagsdrager mij over mijn nare gedachten heen? Helpen deze woorden oma van der Wieken? Mijn antwoord luidt: ‘een beetje’. Het helpt een beetje. Maar ik ben niet helemaal overtuigd. Ik denk aan de woorden van Paul Scheffer van afgelopen vrijdag:

‘Verontrustend is niet de kracht van de moslimgemeenschap maar de zwakte ervan. (…) Het probleem is niet dat ze allemaal dezelfde kant op willen, juist niet, het is een enorm gefragmenteerde, zwakke, onzekere overwegend defensieve gemeenschap, die meer bezig is met het vasthouden aan de eigen culturele traditie in een vreemde omgeving dan met het beïnvloeden ervan.’

Ik zie dinsdagavond de twee vaders op het NOS-journaal die niet zichzelf maar ‘de autoriteiten’ verwijten dat hun zonen zijn afgereisd naar Syrië.

En toch blijf ik maar hopen, vooral nu ik zojuist deze aankondiging in een tweet van Lodewijk Asscher zie:

‘Rotterdam na Charlie Hebdo | Met burgemeester Aboutaleb & minister Asscher

De wereld is geschokt door de brute moord op de redactie van een satirisch tijdschrift en een antisemitische aanslag. Wat zijn de gevolgen van deze terroristische daden? Zal de spanning tussen bevolkingsgroepen oplopen en zal het geweld ook Rotterdam treffen? Burgers en vertegenwoordigers van de Rotterdamse samenleving komen op deze avond bijeen om stil te staan bij de afschuwelijke gebeurtenissen en met elkaar de toekomst te bespreken. (…) Met burgemeester Aboutaleb, minister Lodewijk Asscher, politici, journalisten, moslims, joden, christenen en andere Rotterdammers (…)

Joden, atheïsten, moslims, vrouwen en mannen, prominente en niet-prominente Nederlanders, die met elkaar en met geïnteresseerde Rotterdammers spreken. Deze moslim-gesprekspartners beschikken over het zelfbewustzijn waar Paul Scheffer het in de Trouw van zaterdag 17 januari over heeft: ‘Ik vind het belangrijk (…) dat moslims inzien dat zij niet alleen het object zijn hoe anderen naar hen kijken, maar zelf het vermogen hebben het beeld van moslims actief te beïnvloeden door te spreken, te schrijven, de politiek in te gaan, een eigen partij op te richten.’

Zal het dan toch over tien jaar zo zijn dat mijn in-de-katholieke-kerk-gedoopte kinderen, Mischa’s kinderen, die van Ahmed, Lodewijk en de kleinzoon van mevrouw van der Wieken in 2025 rustig en vreedzaam samen leven, in Amsterdam, Rotterdam, Den-Haag en Maastricht en ik niet dit soort berichten meer hoef te lezen?

‘Politie of leger, dat is niet de vraag. De vraag is: waarom moeten wij als joden nog steeds worden beschermd? Waarom moeten onze kinderen nog steeds onder bewaking naar school? (…) Dat is toch niet normaal.’ Aldus een joodse advocaat in de zwaar beveiligde joodse wijk in Antwerpen, in de Volkskrant van maandag 19 januari 2015.

Dit is voorlopig het laatste verhaal dat ik over de Islam, de vrede en veiligheid schrijf. Ik, de kwart Twentse, de één-zestiende Indische, bloggende ongelovige.

Sjalom.

Insjallah إن شاء الله

2015/01/img_5360.png
Het is verwarrend, alles wat in de krant staat, op het nieuws te zien is, te horen is op de radio. Wat moet je geloven? Wie moet je geloven?

In een ingezonden brief in de Volkskrant van 17 januari 2015 vertelt een oma dat haar kleinzoon voor het eerst naar huiswerkbegeleiding gaat in de Watergraafsmeer. Samen met een Turkse, een Marokkaanse en een Somalische jongen. Jongen 1 betoogt dat de aanslag op de cartoonisten van Charlie Hebdo door de Fransen in scène gezet is, jongen 2 meent dat de Twin Towers door de Amerikanen zelf zijn opgeblazen en jongen 3 vertelt dat Israel bezig is Jordanië en Syrië te bezetten. De kleinzoon verhuist verbijsterd en stilletjes naar een ander tafeltje in het lokaal. Oma maakt zich zorgen. Haar kleinzoon is Joods. Wat betekenen de opvattingen van deze jongens voor haar kleinzoon over tien jaar? Van wie horen zij deze verhalen? Nu kan haar kleinzoon nog stil in een hoekje zijn huiswerk gaan maken. Maar als hij wat ouder is en zijn leeftijdgenoten volharden in hun complottheorieën? Zij vraagt zich af of haar kleinzoon in Nederland vrij en veilig kan opgroeien.

Paul Scheffer zegt, ook afgelopen zaterdag, in Trouw verstandige dingen over de ontwikkelingen in Europa, over de Islam en Europa. In zijn artikel ‘Terrorisme krijgt de democratie er niet onder’ betoogt hij dat in geen land ooit eerder terrorisme de democratie verdrong. De IRA noch de RAF verdreef in Engeland en Duitsland de democratie. Maar, zo stelt Scheffer, we moeten accepteren dat de migratie in Europa het grootste sociale probleem is van deze tijd. En een fase van ‘conflict en helaas, ja, ook van geweld’ betekent.

Verontrustend. Net zo verontrustend als zijn uitleg over de Islam waarvan je niet kan zeggen dat deze niets te maken heeft met geweld. ‘Islam is geen godsdienst van vrede. De mainstream van de Islam in Europa is conservatief, defensief en er zit een sterk wij-/zij denken in, ook geboren uit het idee dat deze samenleving zo anders is dan die uit hun vrome dromen.’

En dat denk ik ook. Als ik ‘de meiden van Halal’ een paar jaar geleden zuur en zo zonder enig gevoel voor humor zie reageren op de provocerende grappen van Hans Teeuwen bevestigen zij bovenstaand beeld. Zij lokken hem steeds verder uit tot absurde uitspraken, waarop zij preuts en verontwaardigd reageren.

Nee, Hans Teeuwen past zeker niet in hun vrome dromen. Maar een beetje zelfreflectie en zelfspot zou wel fijn zijn, meiden van Halal! Maak een vileine grap terug, alhoewel dat niet gemakkelijk is bij deze cabaretier, maar in vredesnaam, reageer in ieder geval niet zo benauwd en benard. Zo…humorloos.

En dat is ook een punt van aandacht. Humor. Zoals Max Tailleur zijn Sam en Moos-moppen vertelt, zo kan humor en zelfspot bevrijdend en verrijkend zijn. Zodra een volk, een mens kan lachen om zichzelf, zichzelf beschouwt met spot, dan is er veel gewonnen. Maar helaas, daar is wat de Islam betreft, nog een lange weg in te gaan.

Tot mijn afschuw lees ik ook dit weekend dat de Saoedische blogger Raif Badawi, die ‘de Islam heeft beledigd’, veroordeeld is tot 1000 stokslagen en tien jaar gevangenisstraf. Zijn familie, die gevlucht is naar het buitenland, meldt dat na de eerste 50 stokslagen zijn gezondheid hard achteruitgaat. Gisteren ontving hij niet de volgende 50 slagen ‘omdat zijn oude wonden nog niet voldoende genezen waren.’ Mijn hart huilt. Een blogger, een schrijver, veroordeeld tot een misdadige en middeleeuwse straf. In 2015!

Zolang de voorpagina van de laatste Charlie Hebdo niet in de Nederlandse trein- en metrostations mag hangen, zolang cartoons van de profeet geen deel uitmaken van de overzichtstentoonstelling over Charlie Hebdo in het Persmuseum in Amsterdam, zolang feiten verdraaid worden en onzinnige complottheorieën de ronde doen, zolang een Saoedische blogger veroordeeld wordt tot 1000 stokslagen om een kritisch verhaal, is er geen kans. Zonder humor, reflectie, openheid en rechtvaardigheid is er geen kans op vreedzaam, open en veilig samen leven.

Ik kan niet anders dan hopen dat de kleinzoon van mevrouw van der Wieken over tien jaar met zijn keppeltje, niet verborgen onder zijn pet, door Amsterdam-West loopt zonder lastig gevallen te worden. Ik hoop dat de meiden van Halal over tien jaar kunnen lachen om de grappen van die maffe Hans Teeuwen. Ik hoop dat de tentoonstelling over Charlie Hebdo in het Persmuseum in 2025 compleet is. Met cartoons waarop de profeet, al dan niet met een traan op zijn gezicht, staat afgebeeld. En ik hoop dat vanaf morgen de 950 stokslagen geen doorgang vinden. Insjallah.

In gesprek

2015/01/img_5355.png
‘Hallo met mij!’
‘O hoi, hoe gaat het?’
‘Ja, goed wel hoor.’

‘Is Julia thuis? Zij zou vandaag bij mij komen om te strijken.’
‘Ja, zij is beneden, ik loop wel even naar haar toe.’

‘O, ja, als je mij wat wil geven voor mijn verjaardag, dan weet ik wel wat. Ik weet niet of je iets wil geven? Je hoeft eigenlijk niets te geven.’
‘Natuurlijk krijg je een cadeau. Je hebt ook nog wat te goed van Sint. Die friteuse vond je te groot, die hebben wij nu.’

‘Het gaat om twee kussens. Nee, ik bedoel twee kussenovertrekken. Wacht, ik heb hier een krantje, ik kijk even…’
(…)

‘Hier heb ik het: kussenovertrekken bij de Action, allemaal kleuren.’
‘Wat voor een maat kussens heb je nodig? Bedoel je die platte kussens op de bank?’
‘Ja, wacht even, ik kijk naar de maat.’
(…)

’50 bij 50 centimeter zijn ze’
‘Oké, dat lukt wel. Ik heb laatst voor Julia bij de Hema leuke kussenovertrekken gekocht, grijs fluweel, lekker zacht. Is zoiets goed?’

‘Eh, ja, maar ze hebben dus bij de Action kussens in allerlei kleuren. Ik bedoel overtrekken!’
‘Ik kom er wel uit, hoor. Heb je verder nog wensen? Een boek, iets van kleding, een lekker luchtje?’

‘Nee. Nou ja, ik gebruik wél als de douchehulp komt, die douchegel die ik van je kreeg.’
‘Die van Rituals? O, dat vind ik leuk om te geven, ik kijk er naar.’

‘Ja, maar geen drie hoor!’
‘?’ (…)

‘Ik hoef eigenlijk niets voor mijn verjaardag. Je hoeft niets te geven.’
‘Het komt wel goed, ik kijk zondag naar je kussens. Ik geef je nu Julia. Tot zondag!

‘Ja, daag!’