Afgelegen



De week ski-vakantie in Oostenrijk zit er op. En er valt wéér sneeuw. Aan sneeuw geen gebrek dit jaar. Aan zon wel. Maar hé, mij hoor je niet klagen! Mijn wangen zijn rood van de buitenlucht, de frisse wind, de koude sneeuw. Hoe stoer is het te skiën in vlagen van vlokjes naar een afgelegen berghut? 

Mijn zwarte sjaal, Sint-cadeau van de kinderen voor mijn man, is ook zo stoer. Het nepmerkje is door alle sneeuwval vaak bedolven onder wit. Kriegelig zegt mijn zoon ‘s ochtends: ‘draai die sjaal om.’ Hij ergert zich aan het nepmerkje om de nek van zijn stokoude moeder. Maar ik draai hem niet om. Ik ski met mijn stoere sjaal plus nepmerkje naar de afgelegen berghut.
De weg naar de hut loopt via een smal pad met daarin wat ski-sporen van avonturiers voor ons. Vele hobbels in het pad wippen mij en mijn ski’s op onverantwoordelijke wijze veel te snel achter elkaar de hoogte in. Ik herinner mij opeens de skilessen van ‘Der Toni’. Vijfenveertig jaar geleden: ‘beugen, die Knieën!’ O ja, buigen moet je ze. En ik hobbel onflatteus het pad af. 
In de hut is het warm. En het hobbelpad schrikt niet af want vol is het. We schuiven aan bij een tafel met vier jonge Duitsers. Twee stellen. De man naast mijn zoon is groot en blond. Onwillekeurig denk je direct aan het woord Edelgermaan. Deze Germaan lijkt sprekend op een jonge Hans van Breukelen. Die forse kin. Ja.  Sprekend. De meisjes, jonge vrouwen, zijn donker. Eén is zeer knap. Dat vinden zowel mijn zoon als ik. Er is weinig te doen hier in deze hut. Geen WiFi en de menukaart hebben wij helemaal doorgenomen. Deze is gevarieerd en beschrijft in krullerig schrift sprookjesachtige gerechten als ‘Holzhäckerbrot mit Speck und Ei’. In het boekwerk is te lezen dat ‘Werner und Bettina’ alles ‘mit Liebe’ bereiden. Alle ingrediënten zijn biologisch, het brood komt van een ‘spezial-Bäckerei’ en de worsten zijn zelf gemaakt van biologisch vlees. 
Het is daarbij brand- en brandschoon in de Wolfrathauserhütte: blinkende toiletten, warm water uit glimmende kranen en voldoende zeep uit de automaat. Zonder aangekoekte restjes aan het tuutje. 
De vriendin van Hans van Breukelen kijkt mismoedig door één van de popperige raampjes naar buiten. Het sneeuwt en sneeuwt maar door.  Zij bestelt nog maar ‘ein Schiwasser.’ De vrouw van stelletje twee is echt mooi: donker haar, bijna zwart in een gedraaid knotje. Een lach waarbij spierwitte, rechte tanden te zien zijn. ‘Indisch?’, opper ik. ‘Turks’, denkt mijn zoon. En ja, dat kan ook. Ik denk opeens aan de televisie-serie ‘Unsere Mütter, Unsere Väter.’ Ja, daar doen deze vier mij aan denken. De in de serie vijf vrienden en vriendinnen die de Tweede Wereldoorlog doorkomen van al hun illusies beroofd. De Duitse soldaat, de Joodse jongen, de Duitse verpleegster. Een compleet uit elkaar geslagen generatie en vriendenclub. Tragisch en zo mooi gefilmd. 
Even later moeten de twee stellen, net als wij, na alle biologische heerlijkheden toch de berg weer af. Het sneeuwt en sneeuwt. Ik zet mijn helm op, mijn bril eronder. Mijn jas dicht. En mijn sjaal! Ik knoop deze zorgvuldig om mijn oude nek. Driedubbel dik. Het merkje naar voren.

Advertisements

Starbucks

IMG_5542
Bij de Duitse Starbucks, München Hauptbahnhof, is Godzijdank alles hetzelfde als bij ons. Heerlijke herkenning. Cafè Latte, Cappuccino, Cafè Mocha, iets vaags met Vanille en Dat Alles In Hoofdletters.

Een man hangt over zijn laptop en mompelt onverstaanbare zinnen. Hij heeft een heel diepe, donkere stem. Een accent met dikke sssj-klanken. Hij lijkt dronken. Maar de laptop staat open op het mail-programma. Dronken mails verstuurt hij? Raadselachtig.

Tegenover ons zitten twee donkerharige schonen. Schone één borstelt voortdurend krachtig haar haar. Weet zij dat hard borstelen dode puntjes veroorzaakt? Ik denk het niet. Zij borstelt en borstelt en de plukken haar vliegen in het rond. Gelukkig zijn de bekers van Starbucks gesloten met een deksel. Een klein zuigopeningetje maakt in de hersenen het zalige gevoel wakker van de eerste tuitbeker. Vandaar die Starbucks-verslavingen. Zoete koffie zuigend opdrinken. Terug naar mama.

Mijn zoon en ik wachten hier in München op de trein naar Lermoos. We gaan samen skiën in Oostenrijk. ‘Misschien is dit de laatste keer, mam’, zegt hij in de trein. Ik kijk hem aan: ‘ja, als ik volgend jaar studeer dan heb ik misschien geen tijd meer.’
‘Vind je het wel oké met je moeder op stap te gaan?’, vraag ik. En ik denk aan het moment waarop we twee vrienden van hem tegenkwamen, zojuist op Amsterdam Centraal. Aardige jongens. Beleefd ook. ‘Wij hebben elkaar al eens ontmoet, mevrouw’, lacht de één mij vriendelijk toe en geeft mij een hand. De ander stelt zich netjes voor, ook een hand. De jongens gaan samen uit. Max gaat met zijn moeder skiën.

Verbaasd kijkt hij mij aan: ‘ja, natuurlijk.’ Wat houd je van het kind. Bijna-man. Ik zie zijn ogen, dezelfde als die van de pas geborene. Van heel donkerblauw, rap kleurend naar bruin.

Even later zit hij op het stapelbedje in de piepkleine couchette. Grote voeten hangen boven mij. Smal en lang. En ik zie de baby-voetjes: zacht en dik. Kleine teentjes die wij onwillekeurig snel telden. Hij wil het niet weten maar ik kuste zijn mollige voetjes. Ruikend naar de speciale baby-olie die we in het badje lieten glijden. Een soort wasverzachter voor baby’s. Nooit meer ruik ik die geur. Zo zoet, zo zacht.

De man op de kruk met zijn laptop schreeuwt nu tegen het scherm. Niemand schenkt aandacht aan hem. Hij heeft een druipsnor. We pakken onze tassen op en lopen naar gleis 35. De trein naar Lermoos, Abfahrt 9.13, staat punktlich en piekfijn voor ons klaar. Het is 8.45 uur. Kom daar in Nederland eens om. Een schone, verwarmde trein, tafeltje in het midden, stopcontact boven ons. Een blauw bordje tegen de wand met een doorkruiste telefoon, een doorkruiste sigaret en een gestileerd mens dat het sst-gebaar maakt. Stilte. Tegenover mij hangt een kaartje: Oberau, Garmisch-Partenkirchen, Griesen, Ehrwald, Lermoos. We rijden zo de bergen in. Exact om 9.13 uur vertrekt de trein.

En stilletjes neem ik afscheid. Afscheid van de tijd. Die voortgaat. Voort en voort. Tot en met maat 41.

Droom

IMG_5528
Vanochtend word ik om 04.55 uur wakker. Ontwaken uit een droom waarvan je lichaam schokt, je hart als een razende tikt. Nachtzweet. Mijn vader loopt, eigenzinnig, met zijn oude en stramme lijf mee met een fanfarekorps. Hij houdt met beide handen een trompet vast. Ik sta aan de kant en kijk angstig toe. Pasje voor pasje loopt hij, véél te langzaam, achter aan de rij muzikanten. Hij struikelt bijna over zijn grote schoenen.

Even later tennist hij. Dit is nog angstiger. Ik kijk verwijtend naar mijn man. Hoe kan hij dat goed vinden? En het gebeurt. Natuurlijk. Hij valt. Hard. Ik kijk niet. Maar ik weet. Dit is het einde. Het begin van het einde. Ik ontwaak met het ontstelde gezicht van mijn man, vlak voor mij. Tranen in de ogen. Wijd opengesperde ogen.

Ik draai de sleutel van de flatdeur open en roep: ‘hallo!’ Mijn vader staat in de keuken. Zijn voorovergebogen gestalte ontroert. Een beige broek, een crème bloesje heeft hij aan. Gympen aan zijn voeten. De broek slobbert om zijn benen. Kleine stukjes mango liggen in een schaaltje. Een plastic bakje ligt ernaast. Zijn jongste kleindochter, die hij één maal in de twee weken ziet, ‘is dol op mango. Vooral op de mango die ik voor haar schoonmaak. Ik kies altijd de beste mango uit. Ik laat die liggen tot hij zacht is. Dan schil ik hem. Gék is ze erop!’

Mijn vader moppert dat deze mango zwart was aan de bovenkant. ‘Ik snap er niets van. Ik had hem net als altijd even laten liggen. En nu is hij zwart.’
‘Zo te zien heb je voldoende stukjes over’, zeg ik monter. Intussen reddert hij met een mesje, een appel, een droogdoek. Een belegd kadetje ligt klaar. ‘Jij wil koffie?’
‘Ja, lekker.’
Min vader weet niet wat hij nu het eerste moet doen. Het vergeten kopje staat te wachten om gevuld te worden met koffie. Het plastic bakje wacht op de mango. De appel moet geschild worden. Mijn vader schuifelt van links naar rechts.
‘Ik neem alvast je broodje mee.’
Ik pak het bordje en zie een Indisch pasteitje in het oventje liggen.
‘O, lekker, een pasteitje!’
‘Wil jij dat hebben?’ Blij dat hij mij een plezier kan doen pakt hij direct het pasteitje uit de oven en legt deze naast het kadetje. ‘Neem jij lekker deze maar!’
‘Maar die was voor jou, toch?’
‘Ik neem dit.’ En hij pakt een andere Indische lekkernij uit de ijskast. Een soort kaassouffle maar dan met ragout gevuld. Ik weet niet hoe het heet. Het souffleetje gaat in de oven.

Even later, ik ben in de kamer gaan zitten, schuifelt mijn vader naar binnen met mijn koffie. Hij vindt het heerlijk om mij te bedienen.
‘Dank je, lekker.’

Ik hoor mijn vader uit over vroeger. Een paar zaken wil ik weten voor mijn verhaal. Het boek waar ik aan schrijf. Ik druk op het knopje ‘Indie’, het knopje ‘vriendin van mijn moeder’, en mijn vader vertelt. Ik onthoud wat hij zegt. Ik wil niet met een opschrijfboekje naast hem zitten. We hebben gewoon een gesprek. Over vroeger.

‘Ik ga zo naar je broer. De kinderen worden morgen opgehaald. Ik ga een pannenkoekje met ze eten.’
‘Leuk! Eindelijk komt het ervan!’
De pannenkoek is nog ter ere van zijn 93e verjaardag. Drie weken geleden alweer.
‘Ja, eindelijk’, verzucht mijn vader. En gelukzalig prikt hij in het laatste stukje soufflé en eet dit op.

Het was maar een droom.

Weg met de manager!

IMG_5510
Maandagavond, 18.00 uur. Het is heerlijk warm in de trein. De meeste mensen zijn op weg naar huis. De hele dag hebben ze gewerkt, zijn ze naar school geweest. Ze zien er moe uit.

Deze week zag ik een uitzending van Tegenlicht over veranderende organisaties. Het programma begint met een shot van net zulke vermoeide mensen als ik hier zie, in de trein van Heemstede naar Amsterdam.

Tegenlicht laat een aantal sprekers aan het woord die het werken anders willen en anders doen. Een joviale aannemer schenkt zijn medewerkers al zijn vertrouwen en alle verantwoordelijkheid. De groep plant en organiseert zelf de bouw van grote projecten. ‘Allemaal binnen de tijd en binnen het budget gerealiseerd. We groeien als kool.’ De joviale aannemer glimt van trots. Als de interviewer vraagt wat hij zelf nog doet antwoordt hij: ‘ik ben gek op vissen én ik ben gek op mijn hond.’ Als hij zijn kantoor, waar hij bijna nooit meer komt, verlaat zit zijn bulldog op zijn stoel: ‘dat is de nieuwe baas!’, lacht de man. En ik zie hem denken aan zijn hengel en goed aas.

In België treft de hoogste baas van het Ministerie van Sociale Zaken een verouderd en vastgelopen systeem aan. Twintig maanden wachten op uitsluitsel over een aanvraag voor een voorziening voor gehandicapten was regel, geen uitzondering. Hoe hij het woord ‘gehandicapten’ uitspreekt doet mij denken aan ‘het taaltje dat zo zoet is’: gehándicápten. Met twee a’s in plaats van onze Engelse nep- ee’s. Medewerkers daar voerden de regels uit. Niets meer en niets minder.

De bezem gaat door dit overheidsorgaan. Medewerkers krijgen en nemen verantwoordelijkheid. Resultaten in plaats van aanwezigheid tellen. Initiatief in plaats van het domweg uitvoeren van regels wordt beloond.

Een medewerkster haalt haar kinderen op van school. Terwijl de kinderen huiswerk maken aan de keukentafel werkt zij. De interviewer vraagt: ‘weet jij hoeveel uur je werkt per week?’ Verrast kijkt ze op van haar laptop en ze antwoordt: ‘nee, eigenlijk niet. Soms is het meer dan 36 uur, soms minder. Maar ik zorg ervoor dat ik mijn werk af heb.’

Een aanvraag voor een voorziening duurt geen twintig maanden meer. Medewerkers combineren soepel privé en werk. Ze boeken resultaten. Iedereen is blij met de ruimte en mogelijkheden en de hoogste baas vertelt over de creativiteit van medewerkers die zoveel meer zichtbaar is nu ze zelf hun werk oppakken en indelen. Ze doen voorstellen voor verbeteringen. Hij vertelt hoeveel meer ideeën hij hoort. Hoeveel meer plezier en tevredenheid hij ziet. Dit alles verloopt niet zonder slag of stoot. Sommige mensen functioneren niet goed. Weten niet wat ze moeten doen als ‘de baas het niet zegt.’ Ondanks de zoetheid van de taal is deze man duidelijk: ‘dan vertellen we hen dat ze beter iets anders kunnen zoeken.’

Tegenover mij in de volle trein begint een vrouw ongegeneerd te bellen.
‘Raad eens? Claire gaat naar een huiswerkarme school. Het lijkt me een hele leuke school. De school schijnt ook goed te zijn want mijn zwager werkt er. Ik heb inside information. Hun resultaten zijn prima.’

De wereld verandert.

Zij eindigt het gesprek met : ‘ik laat even de boel de boel. Ik ga naar mijn cursus. Ja, een cursus op de Herengracht.’

Hé, ik ga ook naar een cursus. Ook op de Herengracht. Hoe toevallig. Ik kijk eens goed naar haar gezicht. Maar nee, ik kom haar niet tegen. Bij de schrijfcursus.

O ja, en door verantwoordelijkheden bij medewerkers te leggen zijn er niet zoveel managers meer nodig. Medewerkers managen zichzelf. Zoeken in hun netwerk naar kennis. Verzinnen oplossingen voor problemen. Werken samen. Maken zelf roosters. En bouwen snel en netjes de huizenrij af.

De baas is vissen. Zijn hondje zit naast hem op het gras.

Dank je wel

IMG_5497
Als ik bij mijn vader binnenkom steekt hij bij wijze van begroeting zijn beide handen in de lucht. Hij draait ze vervolgens enthousiast in de rondte. Hij is kennelijk blij me te zien. Wel blijft hij dit keer zitten in zijn stoel. En ik zie het meteen: hij ziet er patent uit. Tevreden, gezond, een kleurtje op zijn gezicht. Hij kijkt televisie. Ik registreer snel: Buitenhof. Ik zie Halbe Zijlstra. Opmerkelijk, de man ziet er zo gluiperig uit. Zou hij het ook zijn?

‘Tijd niet gezien!’, zegt mijn vader tevreden als ik me naar hem overbuig. Ik kon hem dinsdag niet bezoeken omdat ik met mijn zoon naar een open dag van de Hogere Hotelschool in Maastricht was. Dus het is alweer een week geleden dat we elkaar zagen. Een eeuwigheid als je lange dagen thuis bent. En drieënnegentig bent.

‘Pas op, ik ben koud hoor’, zeg ik als ik hem kus.
‘Ja, wat ben je koud!’, roept hij uit na zijn gewoonlijke zo’n beetje plofferige kus. Zijn kussen maken een plofgeluidje. Dat hebben ze altijd gedaan.

‘Was het zo koud?’, vraagt hij.
En hij voegt er glunderend aan toe: ‘ik zat vanochtend al lekker in het zonnetje!’ In zijn flat schijnt heel behaaglijk ‘s ochtends de zon. Het is snel warm, ook op zijn naastgelegen balkonnetje.

Mijn jas, sjaal en handschoenen uittrekkend antwoord ik: ‘ja, het is koud, maar wel heerlijk fietsweer.’ Met een half oog kijkt hij naar Zijlstra. Ik loop naar de keuken: ‘wil jij wat drinken? Koffie?’
Maar dat gaat hem te ver. Stijfjes maakt hij aanstalten zijn stoel te verlaten.
‘Nee, ik zet voor jou koffie’, zegt hij vastberaden.

‘Ik neem wat water, kijk jij maar rustig door’ en ik pak een glas uit het keukenkastje.

‘Ik zet zo koffie’, benadrukt mijn vader als ik weer de kamer in loop en hij vervolgt: ‘het is nog geen tijd voor koffie.’ Hij ploft terug in zijn stoel. Ik glimlach. Alles gaat bij mijn vader strikt volgens zijn klok. ‘Ik ben altijd om 7.00 uur wakker, om 7.15 uur eet ik een boterhammetje.’
Om 7.30 uur komt, om de dag, de douchehulp. Om 12.30 uur drinkt hij koffie. Schilt hij een appel of peer. Maakt hij twee boterhammen klaar.

Deze besmeert hij zorgvuldig van korst tot korst met margarine. Daarna gaat er marmite op. Een bitter smeerseltje, dat ik ooit, stoer als kind, een tijdje met hem mee-at. Ook de marmite smeert hij secuur en gelijkmatig over het brood. Dan zet hij koffie. In de kamer, in zijn gemakkelijke stoel, smikkelt hij alles op. Mijn vader laat zich het eten altijd goed smaken.

‘Ik heb de gezondheidsgids van de Consumentenbond gelezen en zoals ik leef word je oud!’, zegt hij trots.
‘Ja, dat geloof ik graag. Gezond en sober eten en leven, dat doe je. Je moet natuurlijk niet de pech hebben dat je kanker krijgt’, antwoord ik.
‘Nee, véél groente en fruit eten, dat is het geheim.’ Mijn vader spreekt mij graag tegen. Het wordt minder de laatste jaren, dat tegenspreken, maar toch, hij kan het niet laten. En ik trap er altijd in.
Korzelig zeg ik: ‘een jongetje van 13 dat kanker krijgt, dat komt niet omdat hij te weinig groente en fruit eet.’ Mijn vader weet dat dit gevoelig ligt. De zoon van vriendin B. overleed drie jaar geleden aan kanker. Afgetroefd zegt hij niets meer en smeert zijn boterham.

‘Kan je zo mijn dekbed goed doen?’, vraagt hij. Mijn vader vraagt niet zoveel en natuurlijk kan ik dat. Ik loop naar zijn slaapkamer en hij schuifelt, voor zijn doen, snel achter mij aan. ‘We doen het even met z’n tweeën!’ Maar daar heb ik geen zin in. Hij loopt me alleen maar in de weg bij zo’n klusje.
‘Ik doe het, pa, thuis doe ik alle bedden!’ Maar toch stelt hij zich op aan het voeteneinde, klaar om zich er op zijn minst mee te bemoeien. Daar heb ik al helemaal geen zin in.

‘Je gaat je er niet mee bemoeien hoor!’, zeg ik en daar moet hij wel om lachen. Hij kent zichzelf. En hij weet dat hij een bemoeial is. Binnen twee tellen zit het dekbed goed, met beide puntjes in het overtrek. Nu even goed instoppen aan de onderkant. Maar daar staat hij. In de weg. Onhandig pakt hij het overtrek.
‘Je moet…’, begint hij.
‘Pa, ga even opzij, ik stop het in en dan zit het helemaal goed.’ Hij capituleert en zet een stap opzij.

Even later zitten we samen aan de koffie. We hebben veel te bepraten. Reizen, dat hij zo graag en veel deed, mijn naderende wintersportvakantie, zijn laatste wintersportvakantie met mijn moeder, een nieuwe auto. En kijk, daar veert mijn vader van op.

Verbazingwekkend snel hijst hij zich op uit zijn stoel en hij keert terug met de laatste Autoweek en de consumentengids-special over auto’s. Een nieuwe auto, dat is voor hem niet meer relevant. Zijn veertien jaar oude auto, daar rijdt hij in. En op je 93e is dat je laatste auto. Maar meedenken met je kinderen kan wel. En ik kom verrassend genoeg terug op de verleiding een ander merk te kiezen dan het automerk waar ik al jaren in rijd.
‘Ja, die komt altijd goed uit de test!’, zegt mijn vader alsof hij zelf de auto in elkaar zet.

De consumentengids. Ook zoiets dat verdwijnt als hij er niet meer is. Zelf heb ik die niet en zal ik ook nooit nemen. Maar mijn vader, hij zweert erbij.

Het wordt dus weer een Opel. Ik ben eruit. Dankzij de special. Dankzij mijn vader.

Van piep throat en een Maltje

IMG_5488
Deze week las ik een artikel in de Volkskrant over corps-meisjes die altijd een hese stem hebben. ‘Hese corpsmeisjes’ staat boven het artikel. ‘Piep throat’ lees ik later. Grappig. De heesheid verklaart men uit (te) veel feesten, met je stem boven de andere meiden uit willen komen en de kwetsbaarheid van vrouwelijke stembanden. Zelf ben ik niet lid geweest van een corps. Als volwassen student was ik dat stadium allang ontgroeid. En zou ik het niet ontgroeid zijn, dan nog was ik er geen lid van geworden. Laten we het maar houden op een aangeboren aversie tegen kakkineuze ongein.

Woensdag bezocht ik met mijn zeventienjarige zoon de Hogere Hotelschool in Maastricht. We maakten er een fijn uitje van. Een nachtje in een sjiek hotel, een middagje naar de sauna, lekker eten. Het is altijd weer een openbaring, met één kind op stap. Dit kind heeft net zijn rijbewijs en is, in tegenstelling tot zijn zus, een ‘eagere’ rijder. ‘Mag ik zo rijden?’, bedelen zijn ogen als ik de reis zelf start achter het stuur. Bij de eerstvolgende stop wisselen we van plek. Mijn handen zijn maar een beetje zweterig. Ik leg ze op mijn knieën en probeer een ontspannen indruk te maken.

Ik weet nog hoe het voelde toen ik, volleerde en volwassen autorijdster, met mijn moeder naast mij in de auto zat. Bloednerveus werd ik van haar. Zij hield zich angstvallig met haar rechterhand vast aan de bovengreep boven de portier. Alsof ze ieder moment het heelal in geschoten zou worden. Prompt reed ik altijd verkeerd. Pure zenuwen. ‘Dat nooit’, nam ik mij voor. En dus grijp ik op de heenweg maar twee keer naar het portier om mij schrap te zetten. En hoop ik dat hij het niet heeft gezien.

Mijn zeventienjarige is een rustige jongen. Ik kijk hem soms van opzij aan. Donker haar piept onder zijn petje uit. Zijn gezicht serieus en geconcentreerd op de weg. Nauwkeurig houdt hij zich overal aan de maximumsnelheid. Van 100 naar 130, weer terug naar 120. Het wisselt in Nederland om het kwartier.

Zodra we de Limburgse heuvels in rijden gaat mijn hart open. Ooit woonde ik hier. Als 23-jarige verhuisde ik naar Heerlen voor mijn eerste onderwijsbaantje. Het waren de jaren tachtig en ik mocht in mijn handjes knijpen met een baan. Een echte baan! Niks invallen, hier of daar, nee ik kreeg een kleuterklasje uit een zogenaamde prachtwijk onder mijn hoede. Het wijkje achter het Heerlense station dat vergeven was van de junkies en ander onbestemd volk. Het tunneltje waar ik iedere dag onderdoor fietste en waarvan ik later hoorde dat een vreselijke verkrachting plaatsgevonden had. Ik werkte met de prachtkinderen in mijn klasje die Stevie, Zoe of Maurice heetten. Er waren ook twee schriele zusjes: Fallon en Pamela, genoemd naar de voluptueuze heldinnen uit de kitscherige t.v.-serie Dynasty.

Ik was alleen. Moederziel alleen. Maar in de weekends ging ik met mijn Randstad-vriendje naar Maastricht. Of we gingen fietsen in de heuvels rond Gulpen en Epen. We reden met mijn eerste Renaultje rond in het Limburgse. Heuvels, groen, holle weggetjes. Vlaai van de bakker om de hoek en friet van Reitz.

Mijn zoon rijdt ons voorbeeldig van het hotel naar de stad en van de stad naar de Hotelschool. Daar aangekomen zijn we de eersten. Meisjes in mantelpakjes zijn in de weer met het leeg maken van kapstokken, thermoskannen thee en koffie en het klaarzetten van statafeltjes met witte kleedjes.

‘U bent op tijd!’, lacht een oudere dame, ook in mantelpak maar met een gebloemde, lange sjaal. Ze ziet eruit als een lerares. Ik kijk naar mijn zoon. ‘Het begon toch om 13.00 uur?’, vraag ik. Ik vis de uitnodigingsbrief uit mijn tas. Het begint om 14.00 uur. Verwijtend kijk ik hem aan. ‘Waarom heb je niet goed gekeken?’, maar dat kan hij net zo goed tegen mij zeggen. Dat lees ik tenminste in zijn ogen.

We maken er het beste van. We slenteren over het schoolterrein dat qua sfeer niet onderdoet voor een bejaardencomplex. Wat een rust. Wat een ruimte. In de verte staan een paar kinderen bij elkaar. Ze roken en lachen. Gelukkig gewone kinderen. Ook al dragen sommigen een pak of mantelpak. We beginnen de open middag met een overweldigend gesprek met een eerstejaars student: ‘ik heet Patrick en ik deed hiervoor de Middelbare Hotelschool.’ Op een ontwapende manier vertelt hij: ‘mijn leercapaciteit is minder groot dan die van een HAVO- of VWO-scholier dus doe ik over wat langer over de opleiding.’ Ik sluit Patrick in mijn hart. Een schat van een joch en het interesseert mij niks, die leercapaciteit.

Een geweldige presentatie van één van de vrouwelijke managers laat ons sprakeloos achter. Drie buitenlandse stages. 70 % van de afgestudeerden een baan. Drie talen leren. Een hotel runnen, in het restaurant werken. Het duizelt ons.

Daarna leidt Lotte ons rond. Lotte is hees. Piep throat. ‘Ik heb gisteren een feestje gehad’, bekent het net achttienjarige meisje. Haar mantelpakje zit strak en het rokje hangt een beetje scheef over haar billen. ‘Ik ben het afgelopen half jaar wat kilootjes aangekomen’, lacht ze, ‘ dat gebeurt met iedereen hier. Gelukkig hoeven we dit pakje niet vaak aan, het zit me veel te strak.’ En als ze met pretoogjes vertelt: ‘ik was pas zeventien toen ik op de Hotelschool begon. Dat noemen ze hier een Maltje. Je mag niet drinken en daar zijn ze heel streng op’, sluit ik ook Lotte in mijn hart. We mogen haar kamer van 10 m2 bekijken. Ik stoot met mijn tas haar schamele keukengerei om. ‘Geeft niets hoor! Mijn was hangt daarboven, dus er is nog minder ruimte dan anders.’

Verbouwereerd rijden we terug naar huis. Het Limburgse land, Maastricht, Lotte en Patrick achterlatend. Wat een opleiding! Wat een stad! Wat een provincie!

‘Ik laat het nog even bezinken, mam’, zegt mijn zoon. ‘Natuurlijk jongen’, zeg ik. En feilloos rijdt hij naar huis. Ik grijp maar één keer naar het portier.

Bimbo Box

IMG_5484
Ik zit in La Place. Nee, niet de La Place in het zieltogende V & D. De zaak waar ik vroeger als klein meisje met afzakkende kousjes stond te gapen voor het apparaat dat alle vijftigers kennen. De muziekspelende aapjes die in beweging kwamen als je een…ja, een kwartje meen ik, in het apparaat gooide. Ik vond het prachtig. In mijn herinnering speelden en bewogen de aapjes erop los. Had één geen Mexicaans hoedje op? En speelde een ander niet de castagnetten? Ik weet het niet meer precies. Maar mooi was het. Nu zijn er geen redenen meer om naar V & D te gaan.

‘Alleen voor kaftpapier’, bromt mijn zoon, met wie ik een dagje uit ben. Twee dagjes eigenlijk. We bezoeken morgen de open dag van de Hogere Hotelschool in Maastricht. En vandaag, de dag er voor, rijden we er naar toe. Op ons gemak. Dus zitten we in La Place. Tussen de snelwegen in. Rechts van ons een vijver met daar omheen een wit gebouw gedrapeerd. Daarachter de onvermijdelijke camping. En aan de overkant van het kunstmatige meer liggen vier woonboten. Of zijn het vakantiehuisjes? Ze liggen gezellig vlak onder de snelweg, afslag 15 richting ‘ s Hertogenbosch.

In deze La Place is het rustig. Lieve meisjes staan allerlei verse ingredienten te snijden. Ze dragen donkerblauwe polootjes met achterop hun rug in zwierige letters geschreven ‘La Place’. Overal hangen van die zogenaamd-zelfgeschreven borden. Gezellige borden. Met tekeningetjes en kleurtjes. ‘Werkplein Gratis WiFi ‘ Ernaast een kek tekeningetje.
‘Win een reis naar The big apple’ staat verderop, op nog zo’n knus bord.

Dat wil ik wel maar ik moet er een app voor downloaden en daar heb ik geen zin in.

Achter mijn zoon en mij neemt een vaag stel plaats. Zij draagt een lelijk zwart mantelpakje. Het rokje is te lang. De blazer gekreukeld. Een te lange, te gebloemde sjaal hangt tot op haar knieën. Lelijke pumps. Ze zou het setje zo bij V & D gekocht kunnen hebben.

Links van mij zit nog zo’n vaag stel. Hij draagt een grijs pak, zo’n gemêleerd geval, en zij heeft krulletjes, veel krulletjes. Zij draagt een zwarte bril, ze zit dicht naast hem. Ze staren voortdurend naar het scherm van een laptop. De telefoon van de man gaat.
‘We hebben een beller’, zegt de vrouw. Hoe verschrikkelijk. Ik spits mijn oren, de man vertelt een heel verhaal. Ik kan het niet horen. Jammer. Maar hij is aan het werk. Dat hoor ik aan zijn professioneel opgezette stemgeluid. Wat doen ze toch op die laptop? Intrigerend, dat is het.

Mijn zoon en ik worstelen ons door een clubsandwich en een pane pastrami heen. Hij, de zeventienjarige in de groei, eet mijn halve broodje pastrami op. Op het ‘Werkplein’ dat ook in van die geinige letters op een bordje staat werken inderdaad mensen. Twee Apple laptops zie ik. Twee dames erachter.

Mijn zoon en ik bedenken intussen een reddingsplan voor V & D.
‘Kies vier mooie kledingmerken uit en leg dat mooi en ruim neer’, opper ik.
‘Het is allemaal te duur daar’ zegt mijn zoon. ‘En wat kan je er nu kopen? Sieraden?’ Hij weet het eigenlijk niet. En dat is het probleem. We Weten Het Niet. Waar sta je voor V & D? En waar zijn die aapjes achter glas gebleven?

Zet die aapjes neer.
Kies een paar mooie kledingmerken.
Pimp je boekenafdeling op (kijk naar die van de Bijenkorf).
Creëer een aparte make-up afdeling met merken die hier nog niet te krijgen zijn (gratis tip van 21-jarige dochter).
Zorg ervoor dat meisjes en vrouwen mooi opgemaakt worden door lieve make-up meiden en jongens.
Die je adviseren en helpen in plaats van je iets aansmeren.
Koester La Place.
Zet daar vlakbij een unieke kook- en bakspullen-afdeling neer. Met mooie, betaalbare serviezen en besteksets.
Ach, wat kan mij het eigenlijk schelen.

Mevrouw 1 op het Werkplein worstelt met een appelbol. Dat was de aanbieding van vandaag bij de koffie. € 3,95. Mevrouw 2 drinkt een koffie verkeerd.

Wij gaan weer verder. Naar Maastricht.

Die aapjes. Hoe schattig waren ze.