Veel violen en een scooter en een doos

Het is zaterdag. Omdat de zon dreigt te gaan schijnen, de lente in de lucht hangt, heb ik violen gehaald. Twee bakken met kleine gele, twee bakken met grote oranje en twee potten met fijne paars-gele bloemetjes. Alleen al het neerzetten van de bakken op het terras is voorjaar.

Ook waste ik onze auto. Mijn zoon die alleen naast mij zat om naar een nieuwe auto te kijken in een gelikte showroom en die ik zou afzetten in de stad zegt: ‘ik ga niet meer lunchen in de stad met Joris, het gaat niet door.’

‘O, ik moet zo nog de auto wassen, ga je mee dan?’
Hij, stoer aan het stuur, zonnebril van zijn vader op de neus, gaat mee. ‘Het is wel een dag van sjouwen en klussen doen’, bromt hij.
‘s Ochtends om half acht stond hij bij de bakker, waar hij doordeweeks afwast, het terras in te richten. Toen hij doodop thuis kwam tilde hij een bed en matras naar boven. Zette dat met zijn vader in elkaar. En droeg hij wat dozen naar beneden. Volgende week verhuist zijn zus naar Amsterdam.
Ik zuig de auto, mijn zoon haalt cockpitdoekjes en doekjes voor het schoonmaken van de ruiten bij de automaten van de wasstraat.
‘Jezus, wat stinkt dat’, moppert hij en inderdaad: de chemische dampen uit de doekjes stijgen op en maken mij, voorover hangend in de auto met de stofzuiger, een beetje duizelig.
‘Zal ik zo de auto de wasstraat inrijden?’, vraag ik hem, ‘dat is best lastig, je moet de auto precies in zo’n rails zien te krijgen.’
Maar nee, dat vindt hij juist leuk. ‘Ik probeer het wel, mam’, en griezelig precies rijdt hij in één keer de auto tussen de rails. ‘Dat doe je beter dan ik!’, zeg ik en ik meen het. 
Even later staan we in de wasstraat. Schuim, water, zwiepende zwepen en draaiende borstels. Wij kijken beiden op onze telefoon.
Ik denk even aan vroeger. Toen de wasstraat een attractie was. ‘Weet je nog hoe leuk je dit vroeger vond?’  ‘Tja, welk kind vindt dit niet leuk?!’, antwoordt hij en geroutineerd tikt hij verder op zijn telefoon.
‘Vanavond heb ik een feest. Robert is jarig.’
‘Leuk, heb je een cadeau?’
‘Ja, die haal ik zo op. We hebben met z’n allen € 25,- betaald en knapten de scooter op van Cole’s zus. Die geven we hem vanavond.’
Mijn ogen worden als schotels zo groot. Een scooter? 
‘Ach ja, z’n moeder brengt hem nu altijd, hij heeft geen fiets. Nu kan hij zelf overal heen met de scooter.’
Ik zet hem af bij een vriend. ‘Ik weet niet of ik thuis eet, vanmiddag ga ik naar het strand. Daarna haal ik die scooter en vanavond heb ik dat feest.’
‘Oké, prima’, zeg ik. Ik kijk hem na. Een lange, dunne jongen, groene broek, zijn grijze shirt komt onder zijn blauwe jasje tevoorschijn. De zonnebril op zijn neus. ‘Dag mam, tot vanavond.’
‘Dag, veel plezier!’
Als ik terugrijd met mijn violen denk ik aan vanochtend. Wat onwennig met z’n tweeën aan het weekendontbijt. Twee broodjes, een stuk kaas van het vorige weekend en ik haalde een half onsje rosbief. 
In de autoshowroom zegt mijn zoon: ‘mam, je kan beter dat kleine model nemen, papa en jij hebben toch niet meer zo’n grote auto nodig?’
Morgen doe ik de violen in de potten. Het wordt voorjaar.
Advertisements

Leave a Reply

Please log in using one of these methods to post your comment:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s