Lendenen

Als ik thuiskom zegt mijn dochter: ‘opa heeft gebeld. Of je hem wil terugbellen.’                                                Mijn vader belt nooit. Dus ik bel hem terug.

‘Jonquiere’, zegt mijn vader. Zijn stem klinkt schorrig. Hij schraapt zijn keel.
‘Hallo met mij. Je had gebeld?’
Mijn vader steekt van wal. Over pijn in zijn lendenen. ‘Je weet wel, dat vertelde ik je laatst.’
Zo zittend aan de keukentafel dwaal ik af. Lendenen. Wat zijn dat eigenlijk? Intussen gaat het verhaal verder. Ondanks maatregelen in bed met extra kussens is de pijn erger geworden. ‘Ik kan niet zitten, liggen of staan zonder pijn.’
Hij belde het zaterdag-bezoek aan mijn broer af. En ik weet hoe jammer hij dat vindt. Zijn kleinkinderen ziet hij dan vier weken niet. ‘Maar de pijn is te erg. Ik kan geen stap zetten.’
Hij vertelt dit alles nog redelijk opgewekt. Ik bespeur geen wanhoop. Maar het feit dat hij zelf belt en aandacht vraagt maakt mij alert.
‘Ik zou wel maandag naar de huisarts gaan’, zeg ik.
‘Ja, dat zei je broer ook,’ antwoordt mijn vader.
‘En neem twee paracetamols, dat helpt. Je kan dan beter bewegen en de pijn wordt vast minder.’
‘Ja, ik nam er vanochtend een. Dat helpt wel. Maar twee? Ik weet niet of dat verstandig is.’
‘Dat kan geen kwaad, hoor. Doe dat maar.’
‘Maar wringt dat niet met mijn andere medicijnen?’
Ik waag een gok en zeg dat paracetamols nooit kwaad kunnen.
‘Zal ik zo anders even langskomen?’, vraag ik.
Maar nee, dat is niet nodig.
‘Je komt morgen toch? Dat is prima, hoor.’
Het is morgen. Vanuit mijn bed kijk ik naar een blauwe lucht. Zal ik eerst sporten, dan ontbijten en naar mijn vader? Of zal ik hem eerst bellen om te vragen hoe het gaat? Ik besluit eerst te gaan sporten. Maar mijn vader en zijn lendenen spoken tijdens het fietsen en cardio-gedoe door mijn hoofd. Direct na het ontbijt bel ik. Er wordt niet opgenomen. Nog een keer bellen maar.
‘Ik zat op het balkon, en het duurt even voor ik in de kamer ben. Ik moet opstaan, de drempel overstappen en dan loop ik naar de telefoon.’ Hé, dat is mooi. Hij had zin om in het zonnetje te zitten. Gisteren had hij daar geen zin in. Toen had hij nergens zin in.
‘Dat geeft niets. Ik bel altijd nog een keer, maar hoe gaat het?’
‘Ja, het gaat wel.’
‘Ik kom zo even langs, goed?’
‘Ja, goed.’
Als ik bij hem kom zit hij achter de computer. Hij staat op. Moeizaam, maar dat is niets nieuws. Hij zet koffie.
‘Ik heb geen zin in eten’, zegt hij. ‘Van eten word ik misselijk.’ Mijn vader, de lekkerbek, heeft geen zin in eten? Laatst zei mijn kind: ‘opa gaf mij een knuffel. Dat doet hij anders nooit. Toen voelde ik wel hoe mager hij eigenlijk is. Hij heeft een dikke buik, maar mam, hij voelt broos aan.’
‘Dan eet je wat vaker wat kleins tussendoor.’
‘Ik neem geen boterham nu’ is het antwoord. ‘Kijk die kiwi ligt hier ook nog sinds vanochtend.’
Een geschilde kiwi in partjes ligt op een bordje op het aanrecht. Intussen schilt hij zijn appel. Partje voor partje. Heel precies. De schilletjes vallen in de prullenbak. Krullerige, dunne schilletjes.
‘Waar zitten je lendenen eigenlijk, pa?’, vraag ik. Achter, laag in zijn rug aan de zijkant port hij met zijn rechterhand in zijn bloes. ‘Hier zit de pijn.’
Even later zitten we aan de koffie. Hij eet de kiwi achter elkaar op. En samen met mij de partjes appel.
‘Heeft de thuiszorg nog gebeld, pa?’
‘Ja, er komt een nieuwe hulp. Een wat oudere dame. Wel komt ze op een rottijd’, zegt hij knorrig.
‘O ja, hoe laat dan?’
‘Donderdag om kwart voor twaalf.’
‘Ach, misschien kan ze op een gegeven moment wel wat eerder komen. Trouwens dan eet je toch je boterhammetje, rond die tijd?’
Gelukkig. De steeds langzamer werkende Cassandra is uit beeld. En morgen komt de douchehulp Cynthia weer. Die vindt hij aardig.
‘Zal ik je rug zo nog insmeren met Midalgan?’
Volgens mijn vader helpt het inwrijven met dat stinkende goedje enorm goed tegen de pijn in zijn lendenen.
Maar dat gaat hem te ver. Cynthia vraagt hij het maandag. ‘Ze is dan weer terug van wintersport.’ Prima. Wij drinken koffie. praten over van alles.
Als ik wegga druk ik hem op het hart maandag de huisarts te bellen. “Als ik mee moet dan kan dat. Bel je me? ‘s Ochtends kan ik, morgenmiddag heb ik een afspraak.’ ‘Ja, doe ik.’ Maar ik zie aan hem dat hij alleen gaat. Hij zal mij niet bellen. Ik ben benieuwd wat de dokter zegt. En of hij weet wat er aan de hand is. Met de lendenen.
Advertisements

Leave a Reply

Please log in using one of these methods to post your comment:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s