Uitje

 Vandaag zouden mijn vader en ik op pad gaan met onze nieuwe auto. Naar de nieuwe kamer van zijn oudste kleindochter, mijn kind, in Amsterdam. Daar drinken we een kopje thee. En dan rijden we weer terug.

                         *
Het regent hard. Het is weer om binnen te blijven. Lekker met de krant bij de kachel. Zo nu en dan kijk je naar buiten: nee, het druipt nog steeds. Druppels vallen langzaam vanaf de pergola naar beneden, van die grote verzameldruppels. De takken van de druif liggen kaal en triest bovenop de vierkante staaldraden tussen de pergola-palen. De loungebank wacht tevergeefs op haar kussens. Een plasje water verzamelt zich op het smalle bovendeel van de bank. Bij iedere regendruppel spat het water lichtjes op.

                         *
Zojuist belde ik mijn vader, het was door de plotselinge zomertijd opeens half één. Direct neemt hij de telefoon op.
‘Hallo, met mij’, zeg ik, ‘jij neemt snel op!’
‘Ja, ik pakte net de telefoon uit het basisstation want ik dacht wel dat je rond deze tijd zou bellen.’
‘Zal ik je zo komen halen? We zouden vandaag een tochtje maken, toch?’
Ik hoor aarzeling in zijn stem: ‘ja, eh, kom je en gaan we dan meteen weg?’
‘Ja’, antwoord ik, ‘Julia komt ook mee, dan breng ik haar gelijk naar huis. Wil je liever een andere keer afspreken? Het is ook zulk rotweer…’
‘Eh, nee, maarre.. heb ik dan nog tijd om te lunchen..?’
                         *
O, dat is het. Ik haal hem met mijn snelle actie volledig uit zijn ritme. Om half één eet hij altijd een krentenbolletje, zorgvuldig besmeerd met een laagje margarine, een geschilde appel en drinkt hij een kopje koffie. Ik drink altijd rustig een kopje met hem mee op zondag. We praten over alles en niets en dan ga ik weer. 
                         *
En nu schop ik alles in de war met mijn directe komst, mijn gelijk-weg-willen en mijn dochter in de auto die naar Amsterdam moet.
‘O, eet gerust eerst wat. Hoe laat zullen we afspreken? Kwart over één?
‘Kan het ook wat later? Half twee?’
‘Ja, natuurlijk’ en ik denk aan mijn kind dat een paper moet schrijven. ‘Mam, of we moeten vroeg gaan dan kan ik in Amsterdam wat doen, of laat, dan schrijf ik thuis dat paper. Nu wordt het dus een half-half-oplossing. Maar zij is eenentwintig en flexibel, mijn vader drieënnegentig en gehecht aan appel en krentenbol. Dus zij begint thuis en schrijft het werkstuk maar in Amsterdam af.
‘Ja hoor, ik kom om half twee. Rustig aan’, zeg ik nogmaals.
                         *
Als we in de stromende regen komen aanrijden bij het flatgebouw waar mijn vader woont, vraag ik aan mijn kind: ‘en, staat hij al klaar?’ Vanaf de rotonde tegenover zijn flat kan je hem soms zien zitten. Meestal zie je een grijs koppie net boven het raam uitsteken. Dan zit hij op zijn gemakkelijke stoel. ‘s Avonds zie je het licht van de televisie blauwig tegenover hem flikkeren.
                         *
‘Ja, mam, hoe schattig, hij staat met zijn jas aan voor het raam te wachten.’ Ik draai om de rotonde heen, strek mijn nek en zie inderdaad een glimp van een grijze jas en bruine sjaal.
‘Hij loopt weg van het raam, hij heeft ons vast gezien’, zegt mijn dochter.
                          *
‘Haal jij hem even op, dan parkeer ik de auto voor de deur.’ Heerlijk dat ik er niet uit hoef. De regen slaat woest tegen het raam, de ruitenwissers zwaaien wild heen en weer. Mijn kind rent met haar hoofd tussen de schouders de hal van de flat in. De overijverige onderbuurvrouw van mijn vader heeft daar een paastafereeltje gecreëerd met een uit de krachten gegroeide paastak, eitjes hangend aan gekleurde touwtjes, een paaskleedje en twee paashazen. Eén paashaas heeft een groen tuinbroekje aan.
                           *
Daar komt mijn vader aan met mijn kind: oud en jong. Gelukkig heeft ze eraan gedacht twee kussentjes mee te nemen. Met moeite laat mijn vader zich zakken in de lage autostoel op de twee kussens. ‘Kan ik mij nergens aan vastpakken?’ vraagt hij mij tijdens het zakken. Ik ken mijn nieuwe auto nog niet goed genoeg. ‘Ik weet het niet, maar hou mij maar goed vast.’ En ja, daar zakt hij weg in de comfortabele stoel. Met zijn beide handen grijpt hij zijn rechterbeen vast en legt deze in de auto. Ik sluit de deur en loop om naar de bestuurderskant.
‘Mooi hè, opa?’, hoor ik mijn kind zeggen,’van binnen is de auto ook mooi, hè?’ Mijn kind spreekt hij nooit tegen dus hij zegt: ‘ja, heel mooi!’ En dat houdt hij de hele rit naar Amsterdam vol. Ik krijg weinig kritiek op deze aankoop. 
                        *
Het is grappig hoe de oude man, moeizaam lopend met zijn stok, contrasteert met het hippe complex waarin zijn kleinkind woont. In de binnentuin staan groepjes studenten, pratend en rokend. Een eetkarretje, feloranje, met verantwoorde falafel, café latte en smoothies dat vlak voor de ingang van het gebouw staat, heeft weinig klandizie. ‘Helaas geen pin vandaag’ staat op het krijtbordje in grote, ronde letters. 
                         *
We lopen de hal in. De receptie, loungeplekken met heerlijke banken en zachte poefjes glimmen ons tegemoet onder de zachte klanken van laid-back muziek.
‘Mooi hè, pa?’, vraag ik en ja, hij vindt het mooi. Voorzichtig lopen we naar de lift, zorgvuldig een opgerubbelde mat en verraderlijke drempeltjes vermijdend. Ik draag een pakket met zware gordijnen, mijn kind sjouwt drie tassen met zich mee, dus hij moet vooral zelf goed uitkijken. ‘Pas op, kijk uit’, liggen in mijn mond bestorven. Ik lijk mijn moeder wel.
                         *
Aangekomen in de flat van ons kind drinken we thee. Ze pakt een bakje, gevuld met paaseitjes en stroopwafels. Ze zet thee. Ze heeft in een mum van tijd haar zachte slofjes aan. Ze is thuis.
                         *
Ik hang met kunst en vliegwerk de gordijnen op. Ze zijn prachtig en passen precies. ‘Dat heb je goed gedaan, meid’, zeg ik, ‘het is zo’n mooie kleur en ze passen precies.’
Mijn vader mompelt nog iets over ‘te lang’ en ‘ze nemen volledig de warmte van de verwarming weg.’ Maar zij negeert en ik ook. Geen tegenspraak vandaag.
                         *
En ik overdenk hoe prachtig het is dat mijn drieënnegentigjarige vader de kamer van zijn eenentwintigjarige kleinkind bezoekt. Hoe geweldig het is dat zij thee voor hem inschenkt in een mok van Blond. Hem een paaseitje aanbiedt: ‘opa, jij houdt toch van puur?’ Hij drinkt haar thee, bewondert haar kamer, smikkelt van de stroopwafel. ‘Wat een mooie theepot!’, zegt hij.
‘Ja, deze is heel handig: het is een waterkoker en theepot inéén’, legt mijn dochter uit.
                         *
Ik geniet. Dit uitje is eigenlijk mijn uitje. En opeens dringt het tot mij door. Besef ik opeens: mijn vader bewondert niet haar kamer, maar mijn kind in haar kamer. En na al die tijd waarin directe bewondering voor mij uitbleef krijg ik via mijn dochter dat kleine beetje erkenning, dat ik het best goed gedaan heb, goed doe, -dit kind, ons gezin, het huis, studie, carrière, ons leven,- waar ik altijd zo naar verlangde. Verlang, Annelie, verlang.
                        ***

 

Advertisements

Leave a Reply

Please log in using one of these methods to post your comment:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s