De dochter

 
Zondag zou ik op de fiets stappen om mijn vader te bezoeken. Maar helaas, het miezert en ik pak de auto. Als ik, iets eerder dan telefonisch aangekondigd, de gang inloop, zie ik de deur van de berging naast de flat, openstaan. In de berging staat mijn vader gebogen over een doos met de kartonnen flappen van het deksel opengeklapt. Hij rommelt erin, duidelijk op zoek naar iets. ‘Hallo, wat zoek je pa?’

                          *
Hij kijkt op, puft en veegt het zweet van zijn voorhoofd. Hij graait in een doos met in elkaar gedraaide kabels, een ondefinieerbaar ijzeren geval: ‘he, hier kan ik mijn vlag aan ophangen!’ en andere rommel. Hij tilt met veel moeite een doos op en zet deze op een flinke stapel andere dozen. Ik verberg mijn opkomende kribbigheid. ‘Wat zoek je?’, herhaal ik.
                            *
‘Een föhn’, is het antwoord, ‘de laden van mijn vriezer zijn weer vastgevroren.’ Dat euvel ken ik. Eerder gebruikte hij daarvoor de föhn van mijn dochter, maar die föhn verhuisde met haar mee naar Amsterdam. Dus zoekt hij nu zijn eigen föhn. In een van de ruim twintig dozen rotzooi, ruim twee jaar geleden door mijn broer en mij ingepakt en verhuisd.
                            *
‘Voor minder dan € 20,- kan je een nieuwe kopen bij de Blokker, dat bespaart je een hoop ellende.’
Maar nee, geen cent geeft mijn vader uit aan een voorwerp dat ‘zeker in een van dozen zit.’ 
                            *
Het is hard, maar ik laat hem alleen in de berging. Hij wil toch niet dat ik hem help en ik erger me aan de capriolen die hij uithaalt voor een föhn. Intussen erger ik me aan mijn ergernis. Wat is dat toch? Wat maakt het mij uit dat mijn oude vader zijn rommel bekijkt? Diep in mijn hart weet ik het. Ik vind het vreselijk dat hij al die rotzooi bewaart, niets weggooit. Ik begrijp niet zijn verzamel-en bewaarwoede van in mijn ogen onnozele spullen als een verroeste vlaggenstokhouder, een föhn uit het Stenen Tijdperk, kabelkluwens die je nooit gebruikt.
                         *
Daarbij wist en weet hij altijd alles beter en heeft hij vast voor een zacht prijsje deze waardeloze koel-vriescombinatie gekocht. Ook dat vind ik ergerniswekkend: altijd voor het dubbeltje op de eerste rang willen zitten, maar uitkomen op goedkoop is duurkoop. 
                         *
Als hij terugkomt en mij in zijn stoel zet: ‘ga lekker daar zitten, die stoel van mij zit heerlijk’, is de ergernis weggezakt en maakt deze plaats voor schaamte. Wat maakt het uit? Deze oude heer, laat hem gaan met zijn dozen, zijn rommel, zijn ‘ik timmer hier even een plankje onder en dan kan ik mijn vlag weer ophangen.’ Ga je gang, veel reuring is er niet meer in dit oude leven.
                         *
En ik blijf extra lang. Om een oorlogsverhaal te horen dat ik nog niet ken. Om te luisteren naar het verslag van zijn bezoek aan een oude vriend waarmee hij binnenkort ‘een ritje wil maken.’ En ik zeg niets maar ik hoop dat dat ritje niet doorgaat. Een 93- en 85-jarige, rondtoerend in een 15 jaar oude auto. 
‘Het heeft geen zin om die nu nog in te ruilen.’
‘Nee pa, dat heeft geen zin.’ 
                          *
En ik neem me voor me niet meer te ergeren, me niet meer te hoeven schamen voor mijn ongeduld en irritatie. De perfecte dochter te zijn. Ja ja, ‘keep on dreaming, my girl…Keep on dreaming…’ 
                        ***
Advertisements

Studiereis

 Vorige week kwam onze dochter thuis. Ze was op studiereis naar Roemenië geweest. ‘Roemenië?’, vroeg iedereen aan wie ik vertelde over de reis, ‘Ja, Roemenië. Ze studeert Criminologie’, zei ik er dan maar bij en toen begreep men het. Knipogen vielen mij ten deel, want Roemenië en de Roemenen, nee, zij staan niet echt positief bekend in Nederland. De bekendheid van Roemenen wordt begrensd door ‘goedkope arbeidskrachten’ (op zijn best) tot en met sluwe inbrekers (slechter) en zwaardere criminelen (op zijn slechtst). 

                         *
Ons kind zag er na die week Roemenië goed uit: niet al te zware kringen onder de ogen, weer een tikje volwassener leek wel en nadat ze was neergeploft op de buitenbank, kwamen de verhalen.
                         *
‘Roemenen zijn heel onaardig en Boekarest, daar is niks te zien.’ Zo, voor iedereen die nog plannen heeft de kant van Roemenië op te gaan, is dit duidelijke taal. ‘Ik dacht dat we midden in het centrum logeerden, nou, ik heb geen centrum gezien. Blijkt er ook niet te zijn, er is niets. Geen leuke winkels of mooie winkelstraten, alleen maar brede straten met loshangende draden ertussen.’ En ze illustreert haar verhaal met een enkele foto: ‘ja, ik heb maar een paar foto’s, er viel niets te fotograferen’, moppert ze. ‘Kijk, mam, van een afstand lijkt dit nog wel een aardig gebouw, maar (twee fijne vingers vergroten het beeld) nu zie je dat het een armoedig gebouw is. Zie je al die draden?’ En ik zie ze: een kluwen electriciteitsdraden hangt tussen twee gebouwen in. Een in elkaar gedraaide, onontwarbare kluwen. Waarschijnlijk net zo onontwarbaar als de politieke en sociale situatie in Roemenië, want daar zijn we nu beland.
                         *
‘Op straat zie je echt armoede, veel kinderen die bedelen. Ik heb bijna al mijn geld besteed aan het kopen van broodjes voor deze kinderen. Ik kon het niet aanzien.’ Ze staart voor zich uit. Ons nuchtere kind is gelukkig wel een mens. Een mens dat onrecht en misstand ziet en op haar eenvoudige wijze daar wat aan doet. En dat is fijn om te zien, fijn om te horen.
‘Bij het hostel mochten we niets geven, anders zou iedereen daar naar toe komen, maar in de stad heb ik het zoveel mogelijk gedaan’, vertelt ze, nog steeds met een starende blik in de ogen. In die blik zie ik haveloze jongetjes met donkere ogen en een grauwbruine huid die hun handen smekend uitsteken naar deze bevoorrechte studenten. Hun kleding gehavend en groezelig. 
                         *
Ik moet denken aan de beelden van Roemenië na de val van Ceaușescu: verschrikkelijke beelden van kinderen, vel over been, vastgebonden in vieze bedjes. Donkerbruine ogen in uitgemergelde gezichten, weggestopt in tehuizen waar al deze kinderen vegeteerden zonder liefde, zonder zorg, met net genoeg eten om net in leven te blijven. Het zal nu iets beter zijn, hoop ik, maar in de ogen van mijn kind zie ik nog steeds een groep kwetsbaren die zonder verzorging op straat rondlopen.
                        *
‘We waren ook in de gevangenis. Ze vertelden dat het de modernste gevangenis van Roemenië was. Na dit verhaal dacht ik dat we een soort hotel zouden zien. Ze zitten daar met vijftien mensen in een cel. We mochten er gewoon in lopen, al die mensen, ze staren je aan, vanaf hun bed. Na een cel had ik het wel gezien.’ 
                        *
Vervolgens vertelt ze het verhaal van een kroegentocht waarbij een van de meisjes bewusteloos raakte van de ‘shotjes’. ‘Ja, ik neem die niet, ik weet dat ik daar niet tegen kan. Ik drink wel, maar niet iedere keer zo’n shotje. Het is zo’n aardig en serieus meisje, ik krijg altijd haar samenvattingen. Opeens raakte ze bewusteloos. Wij allemaal in paniek, we dachten dat ze dood ging.’ Nu staan haar blauwe ogen wijd open. ‘Ik heb midden op de weg gestaan om een taxi aan te houden. Ze zijn allemaal zo onaardig. Eindelijk stopte er een, deze taxi-chauffeur was wel vriendelijk. Hij legde haar achterin de auto. Het was nog wel een eind naar het ziekenhuis. Ook daar zijn ze zo onaardig. Niets zeggen ze, ze kijken je alleen aan. Wij moesten allemaal huilen, we dachten nog steeds dat het heel slecht ging met haar. Maar wij hoorden niets. Toen moesten we haar ouders bellen.’ 
                         *
Wij horen het verhaal ademloos aan. Ik denk aan de ouders: hoe voel je je als je hoort dat je dochter bewusteloos is geraakt en in een Roemeens ziekenhuis ligt? ‘We konden ze verder niets vertellen want wij hoorden dus niet wat er aan de hand was en of het beter zou gaan met haar. Wel zagen we dat ze een infuus kreeg.’ Weer denk ik aan de ouders. Waarde destijds ook geen aids rond in Roemenië? Iets met bloedtransfusies en smerige naalden? Ik huiver en dank stilletjes God dat mijn dochter hier zit, naast mij, als verteller en toeschouwer.
                         *
‘Gelukkig knapte ze ‘s nachts op en mocht ze weer met ons mee.’
                          *
Daarna krijgen we het verhaal te horen over het bezoek aan de ambassade (‘ik gooide daar nog een glas wijn om, gelukkig was het een witte en kwam de wijn niet op het pak van de ambassadeur’), een lezing op de universiteit (‘een vriendin van mij werd ziek en moest overgeven. Ik ging met haar mee. Daarna verdwaalden we in dat enorme gebouw. We deden een deur open maar daar was een vergadering. Iedereen keek naar ons’) en een bezoek aan de rechtbank (‘Nederland doet veel aan het opzetten van een goed rechtssysteem in Roemenië. Maar het land is nog super-corrupt’).
                         *
Er is nog meer: het misselijke meisje wordt flink ziek en wil eerder naar huis. Op het vliegveld bemachtigen haar vriendinnen een ticket. Echter, deze kan alleen met credit-card betaald worden. ‘Wij hadden geen van allen een credit-card. Maar je gelooft het niet: opeens zagen we onze hoogleraar lopen. Hij ging ook eerder naar huis. Hij heeft voor haar dat ticket betaald.’ Thuis blijkt het meisje een acute blindedarmontsteking te hebben. Dan is er nog het verhaal van een taxi-chauffeur (‘niet die aardige’) die de paniekerige meisjes tijdens die nacht van de ‘shotjes’ € 60,- liet betalen (‘zo’n ritje kost eigenlijk maar € 3,-, alleen waren wij zo van slag dat we niet meer nadachten…’) 
                         *
Kortom, het was een interessante studiereis. Nou ja, studiereis…Een reis naar het leven, een stap in de wereld, groter dan Bennebroek, Amsterdam, Nederland. Een stap naar volwassenheid, ‘one small step for a woman, one giant leap into maturity’. 
                         
                       ***

 

Afscheid

Is afscheid nemen – zo
Alles nog eenmaal – en alsof
‘t voor het eerste was – en zien
Een beetje pijn omdat ‘t mooi is en voorbij is
(…)

Maria Dermout (1888, 1962)
                         ***
Vanwege het grote succes treedt Diederik van Vleuten nogmaals op met zijn theaterstuk ‘Daar werd wat groots verricht.’ Een vertelling over Diederik’s oudoom Jan die werd geboren in het voormalig Nederlands-Indie. De lovende recensies van destijds en een tip van een goede vriendin lokt ons naar het voor ons onbekende theater in Noordwijk, de Muze.
                         *
De gemiddelde leeftijd van het theaterpubliek schat ik op een jaar of zestig. Overwegend grijs, bebrild en sportief gekleed. Lieve dames in een rood hesje met een bijkleurend sjaaltje staan, vier op een rij, klaar om de jassen in ontvangst te nemen. De sfeer is rustig en beschaafd. Tot aan het opengaan van de zaal zijn wij de jongsten, echter een minuut voor tijd arriveert in de zaal een gezin met twee pubers.
                          *
Wij zitten op zachte stoelen, zo zacht dat je lichaam comfortabel naar achteren helt. Rij G, stoel 19 en 20. Het is een fijne plek, zo recht voor het het podium, geen hoofden voor mij, die het zicht belemmeren. Ik kijk naar het eenvoudige decor met enkele rekwisieten: een piano, een tafeltje, een dekenkist met ijzeren beslag (he, deze had mijn vader vroeger ook, zo’n loodzware kist. De kist stond bij ons op zolder met de verkleedkleren en de hoge hakken-schoenen van mijn oma en moeder erin. Het rook altijd een beetje muf als we de kist openmaakten, ook de kleren roken stoffig, maar toch, we speelden erin en voelden ons een deftige dame met dito jurk en sjieke hakken, waar we voortdurend mee rondzwikten, daar op onze enorme zolder.)
                      *
Op de achtergrond van het toneel hangt een enorme kaart van Indie, Oost-Indie, ik kijk en kijk: Sumatra, Java, Bali, Lombok, daar waren wij ooit. In mijn hoofd maak ik het rijtje af: Soemba, Soembawa, Flores, Timor. Ik ken dat rijtje van het prachtige lied van Don Quishocking:
‘Het moet er allemaal nog zijn
De deur, de bomen en het plein
De grote heg
Alleen die mooie lichte plaat
Waarop een kleine desa staat
Is misschien weg
Bali, Lombok, Soemba, Soembawa,
Floris, Timor enzovoort’
(Willem Wilmink, 1936-2003)
                      *
En nog voordat Diederik van Vleuten het podium betreedt ben ik in Indonesië, het land waarin ik niet geboren ben. Maar wel het geboorteland van mijn overgroot-ouders, grootouders en vader. Het land, zwanger van geur en kleur, overweldigend qua schoonheid met overvolle straten op de markt in Bandoeng, rijen scooters en auto’s, waar je je gewoon met de hand vooruitgestoken doorheen moet waden. Een vaardigheid waar we tijdens onze vakantie zeer bedreven in worden. De menigte voertuigen wijkt als een zwerm lawaaierige vogels, even uiteen en sluit zich achter jou, de oversteker.
                        *
Diederik neemt ons meer dan twee uur lang mee naar het land van zijn familie, overgroot-ouders, grootouders en vader. Oom Jan was de broer van Diederik’s opa. De hele geschiedenis voltrok zich aan het leven van deze oudoom en ik herken de verhalen van mijn familie.
Mijn jonge vader, die de Tweede Wereldoorlog doorbrengt in het koude Nederland bij een onbekend gastgezin, moederziel alleen. Mijn vader zei onlangs: ‘Dikkert nam mij er vaak mee op uit en dat vond ik erg leuk’ Dikkert was de bijnaam van zijn gastvader. Op mijn vraag ‘Wat deed je met hem?’, antwoordde hij: ‘ik ging met hem vissen, achter het huis, daar was een vaart. Ook voeren we soms met een bootje naar het Spaarne, de Mooie Nel op. En we wandelden samen met de hond, gek was ik op dat dier.’ En ik zie het voor me: de verlegen 17-jarige, bleek van de kou en eenzaamheid, met bril, knuffelend met de hond. Ik zeg niets, maar ik denk: ‘deze hond was zijn troost. Gaf zijn verlangen naar de warmte van zijn geliefde oma en haar weelderige tuin, waarin hij met ‘blote kakkies’ ronddwaalde, weer.’  En mijn vader vertelt hoe ontroostbaar hij was toen de hond stierf. ‘Het was midden in de oorlog en we spaarden speciaal eten op voor hem. Toch was hij op een dag dood. Dat deed me wel wat.’ Ik zie het aan zijn ogen. Met de laatste eenvoudige zin verwoordt hij het onzegbare verdriet dat hij gehad heeft bij de dood van zijn troostdier.
                      *
Diederik vertelt over de reacties in Nederland op oom Jan’s terugkeer uit de Jappenkampen, die hij op wonderbaarlijke wijze overleefde, evenals zijn geliefde Aukje. ‘Jullie hadden daar tenminste nog een zonnetje.’ En oom Jan zweeg, overweldigd door de gruwelen die de Europese Joden waren aangedaan en de afwerende reacties op zijn verhaal.
                       *
Ik denk aan mijn opa en oma. ‘Zij zitten met dit stralende weer altijd binnen in het donker’, klaagde mijn moeder als we er ‘s zomers heen gingen. ‘Altijd die luxaflex naar beneden en helemaal dicht.’ Als ik mijn ogen dicht doe en denk aan de hitte in Indonesië, het belang van koele huizen, geen zon in het huis, buiten is het warm genoeg, begrijp ik de donkerte van oma en opa.
                           *
In mijn herinnering waren ze zacht en lief: zacht, de buik van opa met een mooie horlogeketting waar ik graag mee frummelde. Lief, het dikke lijf van mijn oma met haar zachte, zilverwitte haar en glimlach. Nooit vertelden zij over ‘hun oorlog’, nooit hoorde ik iets over kampen, honger, hitte en uitputting. Het enige dat ik er van weet is dat mijn vader ze na de oorlog in de chaotische Bersiap-tijd vond, berooid en broodmager. ‘Er was niet veel over van mijn broer, hij was vel over been.’
                       *
Op het toneel eindigt Diederik met de wijze waarop oom Jan zijn memoires, vier cahiers, naar Diederik’s vader bracht op Kerstavond. ‘Op de bonnefooi, dus wij waren niet thuis. Waarom had oom Jan ons niet gebeld?’ Later vertelt een Indische heer aan Diederik dat op de bonnefooi ergens naar toe gaan getuigde van bescheidenheid en respect. Kondigde je je bezoek aan in Indie dan werd er gekookt en sloofden de gastheer en gastvrouw zich uit om het de gast naar de zin te maken. Dat vond Jan niet nodig. Dus bracht hij zijn levenswerk ‘zomaar’ bij zijn neef langs.
                        *
De vertelling is klaar. Diederik draait zich om, staat met zijn rug naar het publiek en hij salueert naar de grote kaart met de archipel. En dat wat nooit gebeurt, gebeurt: zonder het te willen rolt een traan uit mijn oog en nog een en nog een. Om het gemis, het verdriet, het onbegrip. Alles wat ook mijn familie ooit ten deel viel.
(…)
En dat oude woord –
gij zult liefhebben ‘t land
waar gij niet zijn zult.

Maria Dermout
                        ***

 

Biertje?

 

De minister van handel (!) van Indonesië heeft in al zijn wijsheid besloten een bierverbod in te stellen. Bier zou vooral de jeugd in zijn land geen goed doen: ‘Er zijn al tekenen dat jongeren geen respect meer hebben voor hun ouders’, aldus minister Rachmat Gobel (Volkskrant, 18 april 2015).

                         *
Een paar jaar geleden bezochten wij Indonesië, als kinderen en kleinkinderen van in Indie geboren ouders en grootouders. Na de cultuurshock, die bestond uit het ontwijken van duizenden auto’ s en scooters in Jakarta, het aanhoren van voortdurend getoeter, de overweldigende hitte en het krioelen van mensen op straat, in kraampjes met eten, veel en lekker eten, genoten we iedere minuut van onze reis. 
                         *
In het Jakartaanse familiehotel buiten het alledaagse lawaai van het verkeer, een oase in de schrikbarende autogassenhitte, rustten wij in koele kamers en lagen wij naast een klein, met groen en stilte versierd zwembad. Zodra wij het hotel binnenstapten werden wij met alle egards ontvangen, ze waren zo blij met hun enige gasten. Wij dronken veel cola (goed tegen misselijkheid en diarree), aten overal weer andere familie-nasi, ontmoetten hartelijke mensen.
                         *
Bij het bezoek aan het oude stadshart van het voormalige Batavia zagen we nog de sfeer van weleer: vervallen pakhuizen, een groot plein met een postkantoor, een stinkende kade. Maar ook stond daar, speciaal voor ons als toerist, nog het Hollandse cafe: cafe Batavia, dat ons naar de sfeer van de koloniale tijden trok. Niemand zat in cafe Batavia. Een jonge ober nam de bestelling op. Lief en onzeker noteerde hij de eeuwige cola, een thee en een bier. ‘One bear?’, herhaalde hij zenuwachtig. En wij bevestigden: ‘Yes, one bear.’ Het was bloedheet. De ober mompelde een onduidelijke zin. Wij knikten hem vriendelijk toe. 
                         *
Het duurde even voordat de bestelling arriveerde, maar wij zaten daar heerlijk bij te komen op de rotan-stoelen die ons moesten laten denken aan vroeger tijden. We hadden uitzicht op een plein waar giechelende schoolmeisjes in blauw-witte uniformen aan ons voorbijliepen. De cola en thee werden voor ons op tafel neergezet. Weer sprak de ober enkele onduidelijk woorden, langzaam liep hij terug naar achteren.
                         *
‘Waar is jouw biertje?’, vroeg ik mijn man.
‘Tja, ik weet het niet’ en hij riep zachtjes de ober die verlegen aan kwam schuifelen.
‘We did order one beer also’, zei mijn man in zijn beste Engels.
Zenuwachtig wees de ober op de tweede witte theepot en zei: ‘It’s because of the Ramadan…’ en hij keek steels naar buiten. Wij zaten in het voorste deel van het cafe. De glazen ruimte, die godzijdank gekoeld werd, keek uit op het bloedhete plein. 
                         *
Zoals wij naar buiten konden kijken keken anderen naar binnen. En opeens begrepen wij: het bier zat verstopt in de theepot. Lachend schonk mijn man een straaltje bier in zijn porseleinen theekommetje. En we voelden ons enerzijds beschroomd (in de vergaande wens de andere cultuur te respecteren) en anderszins bevreemdde ons de hypocrisie: niet gewoon verbieden (‘we can’t offer you bear, especially not during Ramadan!’), maar het verhuld stiekem toch doen. 
                         *
En dat laatste doet het hem: verbieden werkt stiekem gedrag in de hand. Hypocrisie ligt op de loer. Wat denkt Rachmat Gobel? Zouden de rijke Indonesiërs zich door het bierverbod ervan laten weerhouden om in hun eigen huizen geen dure cognac te drinken? Zullen de straatarmen geen alcoholisch mengsel meer drinken, het zogenaamde ‘oplosan’, bestaande uit bier, Sprite, cola of rijstwijn vermengd met alcohol uit de apotheek? Nee, dat lost deze minister van handel niet op. Wel zorgt hij met dit bierverbod voor het verdwijnen van duizenden banen bij brouwerijen, het verlies van inkomsten van duizenden winkeltjes, het wegblijven van toeristen plus een miljard aan accijnzen en belasting (VK, 18-4-2015).
                         *
En waarom? Dit verbod moet de ‘ware Islam’ in Indonesië op laten rukken, mee in de vaart der geïslamiseerde samenlevingen waarin verboden, geboden, bedreigingen, straffen en onderdrukking van vrouwen aan de orde van de dag is. Maar ook samenlevingen waarin liegen en bedriegen doodnormaal is. 
                         *
En ik denk aan de jonge studenten die ons rondleidden op hun brommertjes door het levendige Yogyakarta. Hoe zij trachten te leven als goed moslim en hoe ieder van hen dat op zijn en haar eigen wijze vorm gaf. Met liefde en respect voor elkaar. Vrouwen en mannen. En hoe zij ons in onze waarde lieten. Met onze cola tijdens de Ramadan terwijl zij wachtten tot na zonsondergang met eten en drinken. Bier bestelden wij niet meer, zo zichtbaar in openbare cafe’s en restaurants tijdens de Ramadan. Waarde en respect in plaats van God en verbod. 
                         *
Ontwikkel uw land, meneer Rachman, steek uw energie in de vele jongeren die uw land rijk is, die graag willen leren en samen leven en die zich ook zonder uw verboden al dan niet houden aan de regels van de Islam. Zorg ervoor dat de miljoenen armen in uw prachtige land aan het werk komen en blijven. Beroof uw land niet van de bezoekers, die met zoveel plezier uw land bereizen, toeristen waar uw inwoners geld aan verdienen. En investeer in schoon en snel openbaar vervoer, waarmee de idiote vervuiling van uw steden door het chaotische verkeer afneemt. Een bierverbod. Lekker belangrijk.
                         ***

 

Geen kat op de zolder

 

Mijn man zuigt. Het geluid klinkt van ver en dat is gek want hij zuigt rondom mij, langs en onder de tafel, de stoelen, de bank. Ik lees de krant, gegrepen door mooie schrijfsels van anderen in de bijlage Tijd van Trouw. Voor mij staat de theepot en een glas met thee tot de rand gevuld, daarachter een groot glas water. De kruimels van het ontbijt op tafel, een paar maar, worden niet opgezogen. 

                        *

‘Ik vind de tulpen in deze vaas niet mooi’, zegt mijn man.
En inderdaad, de verse tulpen uit de Zilk (‘vers van de grond, mevrouw!’) staan op elkaar gepakt in de vaas. Het water troebelt door het glas heen.
‘Ik verdeel ze over twee’ en even later zijn de bloemen verdeeld. Hoe grappig, de vazen staan precies in het verlengde van mijn blik: vanaf mijn plek zie ik vaas één. Daarachter schemert vaas twee.
                          *
Ik staar naar ons boompje in de voortuin. Als je goed kijkt heeft het de vorm van een driehoek. Er komen rode blaadjes aan, één blaadje wappert verloren heen en weer, een verdord blad. De drie net-geplante cipressen groeien fier en strak richting hemel. Beneden is het opeens stil. Een paar buitengeluiden dringen vaag tot mij door. ‘Papa’, roept een meisje een paar tuinen verder. Boven hoor ik voetstappen. Mijn man heeft gedoucht.
                          *
Vanochtend sportten wij samen. De buitenlucht was koud, maar de lucht boven ons blauw, tintelfris. Het is vijf minuten fietsen naar de fitnesszaal. Mijn linkerhand kon ik zo nu en dan in de zak van mijn jas steken. Daarna de rechter. Zo bleven ze toch een beetje warm.
                         *
Na sport en ontbijt zit ik aan tafel. Beland bij pagina 22 van Tijd, de column van Gerbrand Bakker over zijn tuin in de Eifel. Ooit schreef Gerbrand Bakker een wonderschoon boekje, ‘Boven is het stil’, nu schrijft hij voor de zaterdag een column in Trouw.
                         *
De bel gaat en mijn man is naar de buurvrouw om een fiets te bekijken. Ik zit nog in mijn sportoutfit het fleece joggingpak dat ik ooit kocht voor 
€ 9,99 bij een Action-achtige winkel. Het pak bracht zijn geld ruimschoots op want het is een warm ontspanpak en na-het-sport-pak.
                         *
Aan de deur staat een buurvrouw van om de hoek. Ik ken haar van buurtbijeenkomsten, een vriendelijke vrouw. 
‘Hebben jullie een witte kat? Die zit waarschijnlijk bij mij op zolder en ik durf hem niet te pakken.’ Wij hebben een witte kat, hij is een zwerver en een beetje brutaal, dus dat kan.
                           *
Ik loop met haar mee, we bekijken de zolder, alle kamers, het balkon. Geen kat. ‘Moos’, roep ik een paar keer, maar dat klinkt mal, zo in een vreemd huis. 
Ik beloof de terugkeer van de kat in de gaten te houden. Moos wipt regelmatig bij ons aan. Voor eten, aaien, in de zon liggen. Op de terugweg naar huis passeer ik bekenden met hun hond. Ik maak een praatje. Kinderen, gezondheid, sporten.
                         *
En nu zit ik weer. Bij pagina 22. Onze boom in de achtertuin draagt opeens tere, witte bloesem. Mijn zoon slaapt. Mijn man fietst. Mijn dochter reist. Ik ga verder met Gerbrand Bakker, ‘Geen Hund op het Friedhof.’ Gerbrand heeft een hond, daar zal het verhaal over gaan. Onze kat is nog niet in beeld. De stilte duurt voort. Ik drink mijn lauwe thee. Op zaterdagochtend. 
                         ***

 

Baliedame

 

Achter de balie van de bibliotheek in dit dorp staan twee dames: de dames van de bibliotheek. Ze zijn niet opvallend, zeer vriendelijk en behulpzaam en ze werken hier al lang. Zo lang als ik hier woon en hier kom zie ik deze dames. Ze praten met elkaar.

‘Wil jij nog een kopje thee, Nel?, vraagt de een vriendelijk aan de ander
‘O ja, heel graag’, antwoordt Nel. 
                         *
En zo kabbelen de dames voort. In deze stille ruimte, gevuld met kasten, boeken en een paar c.d.’s. En tegenwoordig ook twee uitstaltafels waarop boeken liggen. Soms op thema, ‘vakantie’ of ‘moet je gelezen hebben’. Dat laatste wantrouw ik. Wie zegt dat ik dat boek moet lezen? Op de andere tafel liggen thrillers: waarom juist deze thrillers uitverkoren zijn weet ik niet. Zouden de dames deze zelf uitkiezen? Of krijgen ze instructies van hogerhand? Ik loop altijd wel vluchtig langs die tafels. Wie weet, zit er wat bij. 
                         *
Van achter mijn kast zie ik dat de dames allebei thee drinken. Een zit half in de vensterbank, de ander staat achter de uitleenbalie. Innemen doen ze niet meer. Sinds een maand gooien we onze boeken, uitgelezen, in een grijze container. 
                        *
Er komt een oudere heer binnen en Nel zet haar kopje thee in de vensterbank.
‘Ik kreeg laatst deze brief’, zegt de heer op een half-vragende toon. Nel bekijkt de brief.
‘Ja, uw boek is anderhalve maand te laat’, antwoordt Nel.
Nu start de heer een heel verhaal over zijn vrouw die het boek verlengde. In Haarlem. Dat kan tegenwoordig: alle bibliotheken in de regio werken samen en het maakt niet meer uit waar je je boek haalt en brengt.
                          *
‘Tja, dit boek is toch echt veel te laat.’ Nel houdt voet bij stuk.
En daar gaat de heer weer. Over verlengen, over zijn vrouw, over Haarlem. Ik hoor niets nieuws.
‘Nou vooruit’, zegt Nel, ‘voor deze keer.’ En ze houdt een heel verhaal over het zelf verlengen van boeken waarbij je goed moet opletten dat je alle handelingen juist verricht. Maar dat er meer mensen zijn die er moeite mee hebben. Die lieve Nel. Ik kijk even om het hoekje van mijn kast. Het is echt een oudere heer. Opgelucht doet hij zijn, dit keer door Nel verlengde, boeken in zijn tas. Hij bedankt de dames uitvoerig en zegt ze gedag. Hij heeft een vreemd accent. Ik kan het niet thuis brengen. De dames kunnen weer aan de thee.
                         *
Inmiddels is er een andere man in de bibliotheek bijgekomen. Hij loopt voor de kast met de d. Ja, daar wil ik nu net kijken. Ik schuifel langzaam in de richting van de d, maar ik deins terug. Deze man stinkt: een verschrikkelijke mengeling van sigarettenrook, zweet en ongewassen kleding. Bij het terugdeinzen naar de z, ruik ik vleugjes stank die hij op zijn pad achterlaat. En deze man leent ook de boeken die ik misschien leen. Geleend heb. Zal lenen. Opeens begrijp ik de mensen die zeggen: ‘ik lees nooit een boek uit de bibliotheek. Dat vind ik zo smerig.’ Ik zie dat de ongewassen man ook beschikt over ongewassen haar. Het haar hangt sliertig en onverzorgd op zijn boord. 
                        *
Hij loopt op instapsloffen van nepleer. Vroeger als kind had ik deze ook: dicht bij de neus, open bij de hiel. Je schoot er zo lekker gemakkelijk in. Ze waren vooral fijn op de camping. Je stapte eruit bij het binnenlopen van de caravan en erin bij het naar buiten gaan. Onze caravan stond in de duinen. De scherpe, geperste, schelpjes van het pad naar de winkel hadden met je sloffen geen vat op je voeten. Er kwam weinig duinzand in je schoen als je met beleid liep: voet naar voren, ferm en recht neerzetten.
                         *
Ik vind gelukkig vrij snel drie boeken en ik verwacht, of beter gezegd, hoop niet dat mijn smaak overeenkomt met die van de man op de sloffen. Mijn bezoek zit erop en ik loop naar de dames.
                         *
‘O, dit boek is zeer populair!’, zegt de dame waar ik de naam niet van weet. ‘Ik heb me laatst een ongeluk ernaar gezocht.’ Waarom en voor wie ze er naar zocht is niet duidelijk.
                        *
Ik weet niets zinnigs te zeggen maar ik lach haar vriendelijk toe. Ik krijg mijn printje met het overzicht van de geleende boeken en ik loop naar buiten. Ik heb mijn drie schatten. Zo voelt het al sinds mijn kleutertijd, als ik met een volle tas boeken aan de hand van mijn moeder van de bibliotheek naar huis liep. De zon schijnt. En dan is het ook nog weekend. 
                       ***

 

Slow Motion

 

In de haast ben ik de sleutel vergeten. Ik bel beneden aan: op het naamplaatje naast 152 staat keurig A.S. Jonquiere. Zwart op wit. Staat het er nu met of zonder streepje op de e? Ik herinner het me niet. Een oude dame wacht op iemand in de hal naast de buitendeur. 

‘Goedemiddag’, zeg ik vriendelijk.
‘Goedemiddag’, zegt ze.
                         *
Het duurt lang voordat ik wat hoor. Ik weet wat er gebeurt: opstaan, lopen, de telefoonhaak pakken, zijn naam zeggen. Ik hoor niets en voel de ogen van de dame in mijn rug prikken. Of is dat verbeelding en interesseert het haar geen klap dat ik daar sta? Ik kijk naar mijzelf: een vrouw, donker haar, leeftijd tussen de 45 en 55, een wit zakje in haar hand. Ze wacht, de vrouw.
                         *
Ja, ik hoor gekraak en het slot van de deur klikt open. Geen ‘hallo’ door de luidspreker, alleen de klik van het slot klinkt door de hal. Ik roep, geheel overbodig, naar de speaker: ‘ik ben het! Annelie!’ Nu weet de dame dat ik bekend ben en niet oude mensen in de flat beroof van geld en sieraden.
                          *
Na de klik ben ik in de gang en open ik de glazen deur rechts. Ik loop de twee trappen op naar boven. Nog een deur. De gang is verlaten. Het is stil.
                         *
De voordeur van het appartement staat op een kier en naast de deur-telefoon (hoe noem je zoiets?) staat mijn vader. Hij ziet er goed uit. Lacht mij toe. En ik zie hoe mooi de bordeauxrode bloes kleurt bij zijn getinte huid. Zijn broek zit losjes om de benen. 
                         *
‘Sleutel vergeten?’
‘Ja, suf hè?, en ik trek mijn jas uit, sjaal af. Ik drapeer ze over een stoel. Het zakje met de twee haringen leg ik op het aanrechtblad.
                         *
‘Heerlijk weer is het, hè? Mijn vader staat in de keuken. Ik zie dat hij zijn boterhammen roostert met boter erop. Boter in het broodrooster! Ik zeg niks. Hij pakt een stuk kaas uit de ijskast.
‘Dit is heerlijke kaas’, en hij schaaft er drie, vier plakjes af.
‘Boerenkaas. Heb ik op de markt gekocht. Ik ben er helemaal naar toe gelopen.’ De kaasboer op de markt staat halverwege de markt. Dat is een eind lopen. 
‘Zo’, zeg ik, ‘dat is best een eind lopen.’
‘Ja, ik ben bijna de hele markt afgelopen vorige week.’
‘Zo, prima, zeg. Ik kocht daar bij die kaasboer eens graskaas, pa, als ze dat hebben mag je een stuk voor me meenemen.’
                         *
Dat vindt hij geweldig. Hij, oud en slecht ter been, kan wat doen voor zijn dochter. Ik zie het aan zijn ogen. Hij heeft nog waarde, een functie. 
                           *
De keukenrituelen, wat gaan ze langzaam en precies. Ik bedwing mijn ongeduld. Meestal loop ik tussendoor naar de kamer. Dan pak ik mijn telefoon en ik check de mail, de whats app, alles om de tijd door te komen.
                         *
Nu blijf ik staan. Boterham twee, weer met boter, in het broodrooster. Haring erop. Snijden. Kleine stukjes, geen uitje wordt verspild. Netjes in het gelid liggen de stukjes brood. Zuur ernaast. Appel. Schillen. Op het bordje. Koffie. Water. Melk. Suiker. Op mijn horloge zie ik dat ik er al twintig minuten ben. 
                         *
‘Ik zat net lekker buiten, het is heerlijk op het balkon.’ Na wat geschuif met een bijzettafeltje en twee stoelen zitten we vijfentwintig minuten later samen op het balkon. Een klein randje zon schijnt op de voorkant van de balkonleuning. Ik heb op een tafeltje naast zijn stoel alles klaargezet. Brood, koffie, appel. We kijken samen naar de rotonde, recht tegenover zijn huis.
                         *
‘Wat een grote wagen!’ Een enorme oplegger met twee liggende kranen neemt de rotonde en rijdt de buurt in.
Mijn vader vertelt over de hijskranen die ooit in de flat van mijn moeder (mijn vader werd in die tijd nog gedoogd als huisgenoot en financier) ook nodig waren.
                         *
‘Voor de schuifpuien in Zandvoort gebruikten ze toen ook zo’n kraan. Dat moet wel op vijftien hoog.’
Ik heb dat verhaal al twintig keer gehoord. Na het plaatsen van de peperdure puien wilde mijn moeder scheiden. Na meer dan dertig jaar min of meer getrouwd zijn. Maar daar hebben we het niet over.
                         *
Er is veel te zien. Op het plein voor de kerk, die statig achter de rotonde opduikt, staan veel mensen. De klokken luiden indringend. Ik heb mijn bril niet op. ‘Kijk, een trouwerij of een begrafenis’, zeg ik.
                         *
‘Een begrafenis’, zegt mijn vader. En ja, nu zie ik een blankhouten kist met bloemen erop, gedragen door zes, acht, mensen. En ik denk aan de kist waarachter wij ooit liepen. Naar deze kerk, met net zo’n kist. We liepen met ons allen op de weg waar ik nu op uitkijk. Het was een treurige tocht. Mijn gedachten dwalen af naar die tocht, die dag. Mijn zoon en zijn vader droegen met vier anderen de blankhouten kist. De klokken luidden indringend. 
                          *
Mijn zoon droeg zijn oom, mijn man droeg zijn broer, mijn neef droeg zijn vader.
                         *
Na een uur zeg ik dat ik weg moet. Ik kus mijn vader. Hij bedankt mij voor de haring. En ik vertrek. Langzaam fiets ik naar huis. Mijn vader heeft gelijk. Het is schitterend weer.
                         ***