Dingen die voorbij gaan

 

Mijn vader strijkt. Hij staat met zijn oude maar functionerende lijf, gebogen, de was te strijken. Ik zie dat hij zelfs zijn ondergoed strijkt. Als ik de kamer binnenkom maakt hij een vermoeid gebaar. ‘Ik red het niet, dat bedovertrek…’

                          *

‘O, wacht, dat doe ik wel.’ Ik pak de grote lap. Hij schuifelt naar me toe en wil mij helpen. Maar ik heb de lap al in tweeën, drieën gevouwen. Mijn vader loopt naar de keuken. Hij zet koffie. Ik hoor dat hij het reservoir  van de Senseo vult. Het water uit de kraan klatert in de plastic bak. 
                            *
‘Ik ruim zo de plank en de strijkbout op, pa. Waar laat ik je gestreken was?’
‘Leg maar op bed’, is het antwoord. En ik leg netjes de strijk op zijn bed. Onderbroek op onderbroek, hemd op hemd, de pyjama, het dekbedovertrek. Een week uit het leven van een oude man.
                           *
Met dit keer een geschilde peer, ‘deze is heerlijk sappig, je moet echt even proeven!’ en een kopje koffie zitten we in ons hoekje bij het raam. Ik op de bank. Mijn vader zit in zijn luie stoel.
                          *
‘Hoe bevalt de nieuwe hulp?’
Na mijn telefoontje naar de thuiszorg is de hulp die zich aan de regels hield vervangen door een andere die zich niet zo strikt aan de regels houdt. Zij maakt wel de keuken schoon, sopt zo nu en dan een kastje uit, bekijkt de ijskast.
                         *
‘Kijk, wat ze maandag voor mij meebracht!’, zegt mijn vader enthousiast. Hij staat langzaam op uit de stoel en loopt naar de balkondeur. ‘Zij bracht zomaar een zak aarde mee. Zij zei:’ kijk, de potaarde was in de aanbieding en deze aarde is voor jou!’ 
                          *
Ik heb het met hem maar niet meer over de regels van Cassandra, die hij uit zijn hoofd kende. Over niets extra doen, niet de keuken schoonmaken, niet dit en niet dat. En nu is er weer iemand die het woordje ‘wel’ in haar woordenboek heeft staan. Hoe wonderlijk.
                          *
‘Ze brengt ook haar eigen schoonmaakmiddelen mee’, vertelt mijn vader.
‘Dan vraag ik, zijn de mijne niet goed genoeg?’ En zij zegt: ‘Nee, die van mij zijn beter.’ Hij lacht. Ik merk dat hij haar graag mag.
‘Je drinkt ook een kopje koffie met haar?, vraag ik.
‘Ja en dan eet zij gelijk haar brood op. Ik heb al gezegd: ‘ik maak wel een broodje voor je klaar’. Maar dat wil ze niet. Zij eet gewoon haar eigen brood.’
                         *
Dat zit wel goed. Ik verbaas me over de ommezwaai van de thuiszorg, van regels zijn regels naar aarde en eigen schoonmaakmiddelen, maar ik vind het best. Moet ik nu bellen om Mieke van de thuiszorg te bedanken? Of laat ik het maar zo? Ik besluit het maar even zo te laten. Zolang het goed gaat, gaat het goed.
                         *
Mijn vader vertelt trots dat hij de videorecorder gemaakt heeft. Ook dat is wonderlijk. Mijn broer sloot de recorder voor hem aan. ‘Want dat kan ik niet meer. Ik kom niet achter het kastje met de snoeren. Dat is gewoon te laag.’ Ik vraag welke videobanden hij bekeken heeft, maar ik krijg daar geen antwoord op. 
                         *
Wel vertelt hij dat mijn broer bijna iedere dag belt. En ik weet zeker dat mijn broer dat doet om niet weer de situatie mee te maken dat hij zijn vader, hulpeloos alleen in de slaapkamer met een gebroken heup, na dagen aantreft.
                          *
Ik bespreek kort met mijn vader de periode van de val en hoe mooi het is dat mijn broer kwam, na dagen vruchteloos bellen. Ja, dat vindt mijn vader ook. ‘Wat een situatie was dat’, verzucht hij. Ja, zeg dat wel, denk ik. Nog een dag daar liggen en het was zijn dood geworden. De eigenwijze zonder alarmhangertje.
                         *
En daarom kom ik dinsdag en zondag. Komt mijn kind vrijdag. Heb ik douchehulp gevraagd voor de maandag, woensdag en vrijdag. Komt er een hulp, dit keer op de maandag. Alleen donderdag en zaterdag zijn kwetsbare dagen. Ik hoop dat op die dagen mijn broer belt. En dat hij komt als er niet wordt opgenomen. 
                         *
En dit alles omdat mijn vader geen alarmhanger om heeft. Maar ook omdat het goed is het zo te doen. We hebben contact. Hij ziet zijn kleindochter regelmatig. Hij kan zijn verhaal kwijt aan de douchehulpen en de huishoudelijke hulp. Hij blijft bezig. Leeft in zijn eigen omgeving waarin hij alles kan doen waar hij nog toe in staat is.
                          *
‘Mooie bloemen heb je weer’, zeg ik.
‘Op de markt gekocht. Ik zet mijn auto daar op de hoek. Ik haalde woensdag ook lekkere nootjes. En de groenteboer had weer van die kleine komkommers.’
                          *
Hij redt zich. Die vader van mij. Met alle onzichtbaar en zichtbaar geregelde zorg om hem heen, redt hij zich. En dat is mooi. Heel mooi.
                         *
Als ik wegga, vraagt hij mij of ik een foto wil maken van zijn Amaryllis. Ja, natuurlijk wil ik dat. Hier is hij, de Amaryllis van mijn vader. Met liefde opgekweekt staat deze fier in de vensterbank als een exotisch symbool van oude menschen, de dingen, die voorbijgaan…

                     *** 

Advertisements

Leave a Reply

Please log in using one of these methods to post your comment:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s