Slow Motion

 

In de haast ben ik de sleutel vergeten. Ik bel beneden aan: op het naamplaatje naast 152 staat keurig A.S. Jonquiere. Zwart op wit. Staat het er nu met of zonder streepje op de e? Ik herinner het me niet. Een oude dame wacht op iemand in de hal naast de buitendeur. 

‘Goedemiddag’, zeg ik vriendelijk.
‘Goedemiddag’, zegt ze.
                         *
Het duurt lang voordat ik wat hoor. Ik weet wat er gebeurt: opstaan, lopen, de telefoonhaak pakken, zijn naam zeggen. Ik hoor niets en voel de ogen van de dame in mijn rug prikken. Of is dat verbeelding en interesseert het haar geen klap dat ik daar sta? Ik kijk naar mijzelf: een vrouw, donker haar, leeftijd tussen de 45 en 55, een wit zakje in haar hand. Ze wacht, de vrouw.
                         *
Ja, ik hoor gekraak en het slot van de deur klikt open. Geen ‘hallo’ door de luidspreker, alleen de klik van het slot klinkt door de hal. Ik roep, geheel overbodig, naar de speaker: ‘ik ben het! Annelie!’ Nu weet de dame dat ik bekend ben en niet oude mensen in de flat beroof van geld en sieraden.
                          *
Na de klik ben ik in de gang en open ik de glazen deur rechts. Ik loop de twee trappen op naar boven. Nog een deur. De gang is verlaten. Het is stil.
                         *
De voordeur van het appartement staat op een kier en naast de deur-telefoon (hoe noem je zoiets?) staat mijn vader. Hij ziet er goed uit. Lacht mij toe. En ik zie hoe mooi de bordeauxrode bloes kleurt bij zijn getinte huid. Zijn broek zit losjes om de benen. 
                         *
‘Sleutel vergeten?’
‘Ja, suf hè?, en ik trek mijn jas uit, sjaal af. Ik drapeer ze over een stoel. Het zakje met de twee haringen leg ik op het aanrechtblad.
                         *
‘Heerlijk weer is het, hè? Mijn vader staat in de keuken. Ik zie dat hij zijn boterhammen roostert met boter erop. Boter in het broodrooster! Ik zeg niks. Hij pakt een stuk kaas uit de ijskast.
‘Dit is heerlijke kaas’, en hij schaaft er drie, vier plakjes af.
‘Boerenkaas. Heb ik op de markt gekocht. Ik ben er helemaal naar toe gelopen.’ De kaasboer op de markt staat halverwege de markt. Dat is een eind lopen. 
‘Zo’, zeg ik, ‘dat is best een eind lopen.’
‘Ja, ik ben bijna de hele markt afgelopen vorige week.’
‘Zo, prima, zeg. Ik kocht daar bij die kaasboer eens graskaas, pa, als ze dat hebben mag je een stuk voor me meenemen.’
                         *
Dat vindt hij geweldig. Hij, oud en slecht ter been, kan wat doen voor zijn dochter. Ik zie het aan zijn ogen. Hij heeft nog waarde, een functie. 
                           *
De keukenrituelen, wat gaan ze langzaam en precies. Ik bedwing mijn ongeduld. Meestal loop ik tussendoor naar de kamer. Dan pak ik mijn telefoon en ik check de mail, de whats app, alles om de tijd door te komen.
                         *
Nu blijf ik staan. Boterham twee, weer met boter, in het broodrooster. Haring erop. Snijden. Kleine stukjes, geen uitje wordt verspild. Netjes in het gelid liggen de stukjes brood. Zuur ernaast. Appel. Schillen. Op het bordje. Koffie. Water. Melk. Suiker. Op mijn horloge zie ik dat ik er al twintig minuten ben. 
                         *
‘Ik zat net lekker buiten, het is heerlijk op het balkon.’ Na wat geschuif met een bijzettafeltje en twee stoelen zitten we vijfentwintig minuten later samen op het balkon. Een klein randje zon schijnt op de voorkant van de balkonleuning. Ik heb op een tafeltje naast zijn stoel alles klaargezet. Brood, koffie, appel. We kijken samen naar de rotonde, recht tegenover zijn huis.
                         *
‘Wat een grote wagen!’ Een enorme oplegger met twee liggende kranen neemt de rotonde en rijdt de buurt in.
Mijn vader vertelt over de hijskranen die ooit in de flat van mijn moeder (mijn vader werd in die tijd nog gedoogd als huisgenoot en financier) ook nodig waren.
                         *
‘Voor de schuifpuien in Zandvoort gebruikten ze toen ook zo’n kraan. Dat moet wel op vijftien hoog.’
Ik heb dat verhaal al twintig keer gehoord. Na het plaatsen van de peperdure puien wilde mijn moeder scheiden. Na meer dan dertig jaar min of meer getrouwd zijn. Maar daar hebben we het niet over.
                         *
Er is veel te zien. Op het plein voor de kerk, die statig achter de rotonde opduikt, staan veel mensen. De klokken luiden indringend. Ik heb mijn bril niet op. ‘Kijk, een trouwerij of een begrafenis’, zeg ik.
                         *
‘Een begrafenis’, zegt mijn vader. En ja, nu zie ik een blankhouten kist met bloemen erop, gedragen door zes, acht, mensen. En ik denk aan de kist waarachter wij ooit liepen. Naar deze kerk, met net zo’n kist. We liepen met ons allen op de weg waar ik nu op uitkijk. Het was een treurige tocht. Mijn gedachten dwalen af naar die tocht, die dag. Mijn zoon en zijn vader droegen met vier anderen de blankhouten kist. De klokken luidden indringend. 
                          *
Mijn zoon droeg zijn oom, mijn man droeg zijn broer, mijn neef droeg zijn vader.
                         *
Na een uur zeg ik dat ik weg moet. Ik kus mijn vader. Hij bedankt mij voor de haring. En ik vertrek. Langzaam fiets ik naar huis. Mijn vader heeft gelijk. Het is schitterend weer.
                         ***

 

Advertisements

Leave a Reply

Please log in using one of these methods to post your comment:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s