Afscheid

Is afscheid nemen – zo
Alles nog eenmaal – en alsof
‘t voor het eerste was – en zien
Een beetje pijn omdat ‘t mooi is en voorbij is
(…)

Maria Dermout (1888, 1962)
                         ***
Vanwege het grote succes treedt Diederik van Vleuten nogmaals op met zijn theaterstuk ‘Daar werd wat groots verricht.’ Een vertelling over Diederik’s oudoom Jan die werd geboren in het voormalig Nederlands-Indie. De lovende recensies van destijds en een tip van een goede vriendin lokt ons naar het voor ons onbekende theater in Noordwijk, de Muze.
                         *
De gemiddelde leeftijd van het theaterpubliek schat ik op een jaar of zestig. Overwegend grijs, bebrild en sportief gekleed. Lieve dames in een rood hesje met een bijkleurend sjaaltje staan, vier op een rij, klaar om de jassen in ontvangst te nemen. De sfeer is rustig en beschaafd. Tot aan het opengaan van de zaal zijn wij de jongsten, echter een minuut voor tijd arriveert in de zaal een gezin met twee pubers.
                          *
Wij zitten op zachte stoelen, zo zacht dat je lichaam comfortabel naar achteren helt. Rij G, stoel 19 en 20. Het is een fijne plek, zo recht voor het het podium, geen hoofden voor mij, die het zicht belemmeren. Ik kijk naar het eenvoudige decor met enkele rekwisieten: een piano, een tafeltje, een dekenkist met ijzeren beslag (he, deze had mijn vader vroeger ook, zo’n loodzware kist. De kist stond bij ons op zolder met de verkleedkleren en de hoge hakken-schoenen van mijn oma en moeder erin. Het rook altijd een beetje muf als we de kist openmaakten, ook de kleren roken stoffig, maar toch, we speelden erin en voelden ons een deftige dame met dito jurk en sjieke hakken, waar we voortdurend mee rondzwikten, daar op onze enorme zolder.)
                      *
Op de achtergrond van het toneel hangt een enorme kaart van Indie, Oost-Indie, ik kijk en kijk: Sumatra, Java, Bali, Lombok, daar waren wij ooit. In mijn hoofd maak ik het rijtje af: Soemba, Soembawa, Flores, Timor. Ik ken dat rijtje van het prachtige lied van Don Quishocking:
‘Het moet er allemaal nog zijn
De deur, de bomen en het plein
De grote heg
Alleen die mooie lichte plaat
Waarop een kleine desa staat
Is misschien weg
Bali, Lombok, Soemba, Soembawa,
Floris, Timor enzovoort’
(Willem Wilmink, 1936-2003)
                      *
En nog voordat Diederik van Vleuten het podium betreedt ben ik in Indonesië, het land waarin ik niet geboren ben. Maar wel het geboorteland van mijn overgroot-ouders, grootouders en vader. Het land, zwanger van geur en kleur, overweldigend qua schoonheid met overvolle straten op de markt in Bandoeng, rijen scooters en auto’s, waar je je gewoon met de hand vooruitgestoken doorheen moet waden. Een vaardigheid waar we tijdens onze vakantie zeer bedreven in worden. De menigte voertuigen wijkt als een zwerm lawaaierige vogels, even uiteen en sluit zich achter jou, de oversteker.
                        *
Diederik neemt ons meer dan twee uur lang mee naar het land van zijn familie, overgroot-ouders, grootouders en vader. Oom Jan was de broer van Diederik’s opa. De hele geschiedenis voltrok zich aan het leven van deze oudoom en ik herken de verhalen van mijn familie.
Mijn jonge vader, die de Tweede Wereldoorlog doorbrengt in het koude Nederland bij een onbekend gastgezin, moederziel alleen. Mijn vader zei onlangs: ‘Dikkert nam mij er vaak mee op uit en dat vond ik erg leuk’ Dikkert was de bijnaam van zijn gastvader. Op mijn vraag ‘Wat deed je met hem?’, antwoordde hij: ‘ik ging met hem vissen, achter het huis, daar was een vaart. Ook voeren we soms met een bootje naar het Spaarne, de Mooie Nel op. En we wandelden samen met de hond, gek was ik op dat dier.’ En ik zie het voor me: de verlegen 17-jarige, bleek van de kou en eenzaamheid, met bril, knuffelend met de hond. Ik zeg niets, maar ik denk: ‘deze hond was zijn troost. Gaf zijn verlangen naar de warmte van zijn geliefde oma en haar weelderige tuin, waarin hij met ‘blote kakkies’ ronddwaalde, weer.’  En mijn vader vertelt hoe ontroostbaar hij was toen de hond stierf. ‘Het was midden in de oorlog en we spaarden speciaal eten op voor hem. Toch was hij op een dag dood. Dat deed me wel wat.’ Ik zie het aan zijn ogen. Met de laatste eenvoudige zin verwoordt hij het onzegbare verdriet dat hij gehad heeft bij de dood van zijn troostdier.
                      *
Diederik vertelt over de reacties in Nederland op oom Jan’s terugkeer uit de Jappenkampen, die hij op wonderbaarlijke wijze overleefde, evenals zijn geliefde Aukje. ‘Jullie hadden daar tenminste nog een zonnetje.’ En oom Jan zweeg, overweldigd door de gruwelen die de Europese Joden waren aangedaan en de afwerende reacties op zijn verhaal.
                       *
Ik denk aan mijn opa en oma. ‘Zij zitten met dit stralende weer altijd binnen in het donker’, klaagde mijn moeder als we er ‘s zomers heen gingen. ‘Altijd die luxaflex naar beneden en helemaal dicht.’ Als ik mijn ogen dicht doe en denk aan de hitte in Indonesië, het belang van koele huizen, geen zon in het huis, buiten is het warm genoeg, begrijp ik de donkerte van oma en opa.
                           *
In mijn herinnering waren ze zacht en lief: zacht, de buik van opa met een mooie horlogeketting waar ik graag mee frummelde. Lief, het dikke lijf van mijn oma met haar zachte, zilverwitte haar en glimlach. Nooit vertelden zij over ‘hun oorlog’, nooit hoorde ik iets over kampen, honger, hitte en uitputting. Het enige dat ik er van weet is dat mijn vader ze na de oorlog in de chaotische Bersiap-tijd vond, berooid en broodmager. ‘Er was niet veel over van mijn broer, hij was vel over been.’
                       *
Op het toneel eindigt Diederik met de wijze waarop oom Jan zijn memoires, vier cahiers, naar Diederik’s vader bracht op Kerstavond. ‘Op de bonnefooi, dus wij waren niet thuis. Waarom had oom Jan ons niet gebeld?’ Later vertelt een Indische heer aan Diederik dat op de bonnefooi ergens naar toe gaan getuigde van bescheidenheid en respect. Kondigde je je bezoek aan in Indie dan werd er gekookt en sloofden de gastheer en gastvrouw zich uit om het de gast naar de zin te maken. Dat vond Jan niet nodig. Dus bracht hij zijn levenswerk ‘zomaar’ bij zijn neef langs.
                        *
De vertelling is klaar. Diederik draait zich om, staat met zijn rug naar het publiek en hij salueert naar de grote kaart met de archipel. En dat wat nooit gebeurt, gebeurt: zonder het te willen rolt een traan uit mijn oog en nog een en nog een. Om het gemis, het verdriet, het onbegrip. Alles wat ook mijn familie ooit ten deel viel.
(…)
En dat oude woord –
gij zult liefhebben ‘t land
waar gij niet zijn zult.

Maria Dermout
                        ***

 

Advertisements

2 thoughts on “Afscheid

Leave a Reply

Please log in using one of these methods to post your comment:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s