A light verse

 Je weet

Je wordt alleen

Maar moe van

Witte wijn
                         *
Toch slok je zo

Dat tweede glas

Hup

Naar binnen
                         *
Bij Nick the Greek

Bill & Salome

Bij Anna’s place

Wherever
                         *
Om daarna

Doodmoe

In slaap te vallen

Op een ligbed
                         *

In de zon

En dat soms 

Gewoon

Midden op

De dag
                       *** 

Advertisements

Ontbinden

 De paden naar boven bestaan uit onregelmatige ribbels alsof auto’s hier al filerijdend voortdurend stoppen, optrekken, stoppen en optrekken. Alleen rijden hier geen auto’s. Er staat wel een hond midden op de weg. Dichterbij komend laat hij een zacht, ondergronds gegrom horen. Onderuit zijn keel. Zijn bruine ogen staan helder en open. Ik houd mijn hardlooppas in, je weet het nooit met honden die ondergronds grommen. 
                         *

Zachtjes pratend, mijn arm vooruit gestrekt lok ik hem naar me toe. ‘Kom maar’, zeg ik zo lief als ik kan. ‘Pas je zo goed op het huis? Braaf.’ Op vijf centimeter van mijn hand af kwispelt voorzichtig zijn staart. Hij ruikt aan mijn hand. Likt. En het is goed. Ik aai hem over zijn snuit. En hij loopt met mij op. ‘Hee, jongen, loop je met me mee?’, vraag ik. Trouwhartig als alleen honden dat doen kijkt hij naar me op. En hij bedenkt zich. Langzaam loopt hij terug en vlijt zich neer op de veranda voor zijn huis. Naast een tafel met blikken feta. Grote, ronde blikken. En ik vervolg mijn hardlooppas naar boven.

                         *

De berg doemt op. Grijs en stijl imponeert hij het landschap. Donkere wolken hangen boven de berg, kruipen langzaam over de top heen. Vanochtend stortten wolken als deze dikke druppels over de heuvels van dit Griekse eiland. Dat dan ook behoorlijk groen is. Alle tinten groen. Omvat door een ovalen ring van blauw is het een bijzonder sieraad, dit eiland. Een groene steen gevat in een helblauw ovaal. 

                         *

Ik loop hard richting de grot van Pythagoras. Een plaatselijke bezienswaardigheid, Cave Pythagoras, de grot waarin de Griekse wiskundige, van de-stelling- van, ooit gesignaleerd is. Wat Pythagoras precies van doen heeft met de grot weet ik niet. Het boekje met bezienswaardigheden heb ik niet goed genoeg gelezen. 

                         *

Het pad verandert van ribbels in stenen. Losse grote en kleine, onregelmatig verstrooid. Het loopt lastig, ik kijk voortdurend naar mijn schoenen die de onregelmatige structuur van dit pad trotseren en ik heb spijt van het achterlaten van mijn telefoon. Als ik nu val, mij blesseer, moet ik wachten tot ik word gemist. Ik laat de gedachte aan de val verdringen door mooiere. Ik denk aan mijn grote verhaal. Het verhaal waaraan ik schrijf, dat groeit en groeit. Week na week, zin na zin.

                         *

Het geluid van het stromende beekje beneden mij verplaatst zich naar voren. Water dat ruist en snel afdaalt. Ik luister. Na de bocht zie ik de stroom die vanochtend is ontstaan: het water snelt, bruin en groezelig, in een brede stroom naar beneden, schuin over het pad. Ik keer om.

                        *

Op de weg terug verandert het moeizame klimmen naar soepel dalen. En opeens is het inzicht daar. Inzicht in Het Verhaal. Mijn pas versnelt, ik blijf geconcentreerd op de horizontale en soms verticale asfaltlijnen. Ik besluit het inzicht te laten bezinken. Maar ik weet, hoop: dit is de oplossing van het probleem dat ik ervaar na het schrijven van de eerste tien hoofdstukken.

                         *

Vederlicht verwijder ik mij van de grot van Pythagoras. Het voelt alsof ik de stelling heb ontworpen, a² + b² = c². En ik denk aan mijn wiskundeleraar waar we allen zo bang voor waren.

                         *

Als je twee kwadraten met een plus ontbond bij de tweewekelijkse som op het bord moest je een lied zingen. Voor de klas. Op de melodie van Vader Jacob. Dit was de tekst:

Twee kwadraten

Twee kwadraten

Met een plus

Met een plus

Kan je niet ontbinden

Kan je niet ontbinden

Denk goed na

Denk goed na.

                         *

Van de laatste twee zinnen ben ik niet zeker, misschien waren het andere woorden. Meer dan 35 jaren gingen over deze herinnering heen. Zachtjes zing ik het lied in mijzelf, in de hoop op de laatste woorden te komen. Maar het lukt me niet de zekerheid te vinden.

                         *

Die som op het bord? Nooit kreeg ik een beurt. En dat lied? Ik zong het nooit. Twee keer per week hadden wij wiskunde. In lokaal 14 of 15. Twee keer per week maakte ik mij klein. Zo klein als ik kon. Piepklein. En hij zag het, meneer Mantel. Hij zag het.

                         *

a² + b² = c². Niet ontbinden. 

                        ***

 

Ademtocht

 Naast mij zit een man met een pet. Een grijze pet. De man zelf ziet ook grijs: grijze trui, grijs/donkergrijs gestreepte sjaal en over zijn gezicht zweemt een lichtgrijze stoppelbaard. Er zit 0,5 cm tussen mij en de man. Dat is weinig. Genoeg om soms een vleugje zweet te ruiken, zijn adem. Verschraalde wijn, ongepoetste tanden. Ik draai mijn hoofd schielijk weg. Maar mijn neus heeft het onraad geroken. 
                         *

De gemiddelde leeftijd van het verzamelhok op Schiphol is 60, 65 jaar. Het is fijn om buiten de schoolvakanties op vakantie te gaan maar ik vraag mij af wat erger is: een verzameling ouders met blèrende kinderen of een groep uitgebluste VUT-ters. Allebei is het erg. Maar dit alles dient een doel, een goed en hoger doel. We vliegen naar Samos. 

                         *

Op Samos is helaas de komende dagen het weer niet best. Dat zag ik op de weerapp met de vrolijke naam Yahoo! Nou, niks yahoo! op Samos de eerste twee dagen. Wolkjes met druppels. Van de regen in de drup, zeg maar. Wel zijn de kleuren en vooral geuren anders op Samos, zo anders. Gele geuren, oranje kleuren, citroen, sinaasappel, fris en fijn, zo fijn. 

                            *

De bejaarde massa komt direct tot leven zodra de crew kwiek binnenstapt. Lange piloten, dunne, verzorgde meisjes met sjaaltjes en koffertjes. De emancipatie leidde nog tot niets anders. Naast mij kucht de man in het grijs en het vleugje adem bereikt mijn geursensoren. Weer te laat het hoofd afgewend. 

                          *

De dame naast mij, zilveren oorringetje en comfortabele gympen probeert op mijn iPhone schermpje te kijken. Daarop tik ik dit verhaal. Als ik haar aankijk schrikt ze en ze kijkt gauw weg. Haar nagels heeft ze donkerroze gelakt. De randjes lak zijn rafelig. 

                         *

De man met pet gaapt. Een hele vleug waait richting mij. Ik adem door de mond en houd stand. Het alternatief is twee plekken rechts van mij gaan zitten, daar zijn twee stoelen vrij. Maar dat zou raar zijn. De man zou kunnen raden dat hij ruikt. Vooral uit zijn mond. 

                            *

De crew gaat aan het werk en de reizigers staan al dan niet moeizaam op om in de rij te wachten. Wachten dat duurt en duurt. Scannen van instapkaarten. Hoeveel keer zegt het meisje: ‘goedemorgen’? Hoeveel mensen passen in een vliegtuig? 100, 150? Ik weet het niet. Ik kijk op mijn instapkaart. Wij zitten in het midden, rij 16. Ik reken: 32 rijen x 6 stoelen, 3 aan 3 = 192. 192 keer zegt het scanmeisje ‘goedemorgen.’ Het is 5.30 uur.

                         *

In het vliegtuig is het enige dat hindert een elleboog van de man naast mij. Ik kan mijn rechterarm niet kwijt en plaats deze dan maar strak tegen de leuning aan. Ik sluit mijn ogen. 

                         *

De geuren en kleuren kloppen en zijn toch anders dan daarvoor. Frisgroen dit keer, de bomen en struiken. Blauw, zo blauw de zee. En de zon verwarmt kleur en geur. Ik adem diep in. We zijn er.

                         ***

 

Over schrijven

 En opeens is tie daar. Het schrijfduiveltje. Een paar dagen verstopt achter in een kast, weg, foetsie, waar dan ook ergens ingedoken om er voorlopig niet uit te komen. Het is raar, dat schrijven. Schrijven vereist leegte. Met een vol hoofd is het lastig schrijven. Een vol hoofd ontstaat niet alleen door werk. Ook een kind dat examen doet en witjes thuiskomt, een man tegenover je met de krant – ook al zit hij heel stil -, boodschappenlijstjes, bezoek van een vriendin, mails en prettige etentjes veroorzaken reuring. Het is prima allemaal, meestal meer dan prima, maar ze jagen het schrijven naar de achtergrond.
                              *

Kijk naar nu: op de achtergrond doet de Ipod zijn best met klassieke muziek die eeuwig voortduurt. Het wonderlijke doosje brengt al vanaf tien uur vanochtend klassieke werken ten gehore. Het is nu twee uur in de middag. Buiten hoor ik het fluiten van een vogel, wakker geschrokken door de zon die opeens na druilregen verschijnt.

                             *

Onder mijn Ipad ligt een stukje krant. Een glossy magazine dat op zaterdag tussen de krant verscholen zit. Na het lezen van de krant en een deel van het magazine weet ik dat de hele wereld schrijft. Harlan Coben, een Amerikaanse thrillerschrijver, die vertelt dat zijn boeken op het nachtkastje liggen van Hillary Clinton, heeft een nieuwe boek geschreven. Dat moet ik even noteren, een goede schrijver deze Harlan Coben, lekkere thrillers schrijft hij. Rick Nieman, de ietwat arrogante nieuwslezer van RTL schreef ook een boek. Een ‘Ventoux’ met motoren, begrijp ik. De dochter van Leon de Winter, net als mijn zoon eindexamen-kandidaat, schrijft. Ze schrijft zelfs in plaats van voor haar examen te leren, vertelt Leon trots in zijn Bloemendaalse woning, zo te zien heerlijk gelegen in het groen.

                              *

Mijn woning ligt ook heerlijk in het groen, en ja, sinds kort wonen wij officieel ook in Bloemendaal. Wel in het dorpse, wat achtergebleven zusje, met wat meer 25-onder-een-kappers dan in het echte Bloemendaal. Het echte Bloemendaal waar ik van houd, omdat ik daar als zesjarige naar school ging en dagelijks door mijn moeder gewezen werd op de mooie bomen in de laan die loopt van het pannenkoekenhuisje naast de toegang van Thijsse’s hof tot aan de Lage Duin en Daalse weg. Lage Duin en Daalse weg, hoe lieflijk en poëtisch klinkt dat?  

                                *

En dan word je schrijver. Gewoon van een simpel blogje. Ooit wellicht van een minder simpel blogje. Een kort verhaal waarvan men denkt: ‘zo een lees ik nooit meer.’ Een verhaal als het verhaal dat ik zelf ooit las. Was het van Belcampo? Ik weet het niet meer zeker. Ik weet wel dat onze lerares Nederlands in de derde klas de stapel stencils uitdeelde en dat ik, toen al een enorme lezer, verstomd op de groene zitbank in onze woonkamer de stencils las en een voor een naast mij neerlegde. Hoe kon iemand zo schrijven? Wie moet je zijn om zoiets te verzinnen? 

                               *

De naam van het verhaal, ik zoek het op. Het verhaal zelf ben ik nooit vergeten. Sterker nog, ik denk er vaak aan. Hele zinnen, een alinea kan ik reciteren. Het verhaal draaide om liefde en vertrouwen. Van de nood een deugd maken. Over dromen van vroeger en een ongewisse toekomst. En het plot? Een zo prachtig plot las ik nooit meer.

                             *

Eigenlijk hoort iedereen dit verhaal te lezen. Van een pak stencils op een groene bank, met een beduimeld tweedehands boek in de hand, met een bibliotheekboek op schoot waarin een viezerik een koffievlek en ander onbestemd vuil heeft achter gelaten. Maar heb je 34 minuten en 53 seconden? Dan kan je luisteren naar een stukje uit het leven van een man, – 35 jaar, schrijver, – met zijn jas ‘als losse hond’ en zijn vrouw. Over opoffering en verdriet, omslaand in toekomst en hoop. Over liefde voor het schrijven en over liefde voor elkaar. Ik verklap niks meer. Maar het verhaal is boeiender dan welk verhaal dan ook, dan welke thriller dan ook en dan welke ‘Ventoux’ dan ook. Het verhaal wordt voorgelezen door Maarten Bronst. Ik ken deze Maarten niet, maar hij leest prachtig voor.

                              *

Op zaterdag 6 juni 2015 vindt een reünie plaats van mijn middelbare school. De school met de treurbeuk, midden in het centrum van Haarlem, achter het stadhuis. Ongetwijfeld ruiken we allen die zaterdag in juni de vage stroopwafellucht van meer dan dertig jaar geleden. Die van de marktkraam iets verderop. 

                              *

En als ik haar zie bedank ik haar. Voor het overbrengen van haar liefde voor lezen op mij, op het aanwakkeren van mijn bestaande boekenliefde. En voor dit verhaal. ‘De achtbaan’. Van Belcampo.

                            *

Mieke Tillema, juf Nederlands.

                           ***

Prettig weekend

 

FUNERARY BUST: ”THE BEAUTY FROM PALMYRA”, AD 190-210


Het is geweldig dat arme vissers uit Atjeh de uitgedroogde Rohingya’s, die ten einde raad – al dobberend in hun door mensensmokkelaars onklaar gemaakte wankele scheepjes – hun eigen urine dronken, aan land brachten. 
                         *

Het is mooi dat een man uit Atjeh, -was het een burgemeester, overheidsfunctionaris of gewoon een inwoner? Het doet er niet toe – op het journaal vertelt dat ‘als er eten en werk voor Atjehers is er ook eten en werk gedeeld kan worden met Rohingya’s.’
                          *
Het is verschrikkelijk dat Indonesië, Maleisië en Thailand gezegd hebben dat zij geen vluchtelingen willen opnemen en dat dan ook niet doen.
                       *
Het is, ach, wat zal ik zeggen…schattig dat Zalm het boetekleed aantrekt over de schaamteloze verhoging van de bestuurders-salarissen waarop zij toch, eh.., ja, gewoon recht op hadden. 
                       *
Het is jammer dat Amsterdam werkelijk overspoeld wordt door golven – vaak en veel blowende -toeristen maar erger, veel erger nog zijn de bierfietsen waarop twaalf, dertien onnozelen lallend dan wel giechelend dan wel zinloos verkleed hun boertige vrijgezellenfeesthumor ten toon spreiden. Het allerallerergst zijn de samengepakte sloepjes op de Amsterdamse grachten met kakkers, witte wijn en kakkersgekakel dat galmt tegen de prachtige gevels van grachtenhuizen, stuitert tegen de kadewanden, door-echoot naar de prachtige Magere Brug om tot stilstand te komen tegen het schitterend gerestaureerde Centraal Station van Cuypers.
                         *
Sprakeloos maakt je het bericht dat IS op het punt staat Palmyra in te nemen, Palmyra, met haar Unesco- werelderfgoed van eeuwenoude beschaving. De stad der duizend zuilen staat te trillen en beeft op haar duizenden jaren oude grondvesten. De stad, ooit een van de rijkste en grootste steden van het Romeinse Rijk. Tijdens Palmyra’s glorietijd, de tweede en derde eeuw na Christus, passeerden karavanen met nomaden op honderden kamelen de stad. Ze waren beladen met kleurrijke zijde en geurige kruiden uit India en China. Grote hoeveelheden goud en zilver gingen de andere kant op. Grieks-Romeinse en Perzische bouwstijlen domineerden de stad. 
                          *
Machteloos kijken wij, alle bewoners van alle werelddelen, toe hoe barbaren, onderweg burgers onthoofdend waaronder vrouwen en kinderen -achteloos neergezette zinnen in een nieuwsbericht – opmarcheren naar een van de wortels van de beschaving en de route van zilver en zijde veranderen in een weg van bloed, smerigheid en zinloze barbarij. 
                            *
Het is verontrustend niets meer te vernemen over de Saoedische blogger Raif Badawi, u weet wel, de vader van drie jonge kinderen die om het uiten van zijn mening duizend zweepslagen zou ontvangen. 
Badawi kreeg de eerste 50 zweepslagen voor de Al-Jafalimoskee in Jeddah op 9 januari. Hij beschrijft in zijn brief hoe “een joelende menigte” hem die dag omringde en ‘Allahu akbar’ (Allah is groot) riep. “Deze wrede straf is mij alleen aangedaan omdat ik mijn mening heb geuit”, aldus Badawi.’ (www.trouw.nl, 28 maart 2015). 

Hoe gaat het met Raif Badawi? Is er iemand die het weet? 
                         *
Dit is, op Raif na, -daar hoorden we na maart niets meer over – een greep uit het nieuws van zaterdag 16 mei 2015. Een frisse lentedag die met motregen begon en eindigt met een oranje zon, schijnend op een ontluikende Goudenregen.

Prettig weekend. 

Broos bestaan 

 De donkere stem vraagt: ‘En zijn dat ook verhalen? De lichte stem antwoordt: ‘Ja, dat zijn verhalen van Biesheuvel, maar dat zijn niet de vrolijkste verhalen.’

De donkere stem verplaatst zich en vraagt: ‘maar zijn het verhalen?’
‘Ja, het zijn verhalen’, is het antwoord.
‘Dan neem ik deze.’ De zware stem klinkt beslist.
Opgewekt zegt de lichte stem: ‘dit zijn ook verhalen, van David Sedaris.’
‘Wie is dat, David Sedaris?’
‘Dat is een Amerikaanse schrijver van verhalen, luchtige en meer humoristische verhalen.’ De lichte stem klinkt aanprijzend.
De donkere stem is niet overtuigd van de lichtheid en humor van David Sedaris.
‘Ik neem dit boek mee van Jan Siebelink.’
‘Denkt u eraan dat u al vier boeken op uw pas heeft staan?’
Even is het stil. 
‘Ik heb geen vier boeken op mijn pas staan, het zijn vier tijdschriften.’
‘En uw pas verloopt over enkele weken, verlengt u deze op tijd?’
De lichte stem, die eerst respectvol en geduldig de donkere stem adviseerde klinkt meer en meer neerbuigend.
Nu verschijnt er een mens, de mens achter de donkere stem met de voorkeur voor verhalenbundels. Het is een vrouw: een grote vrouw met rafelig halflang, geverfd haar in een kleur die voor blond moet doorgaan. De lichte stem hoort bij de gastvrouw van de bibliotheek in dit dorp. 
Ik ben van mijn stuk, ik zou zweren dat de donkere stem toebehoorde aan een man met een stoornis in het autistisch spectrum. De stem klinkt zwaar, traag en tegelijk grappig en bij de pinken. 
Maar het is ontegenzeggelijk een vrouw. Of een transgender, dat kan ook. Ik denk aan het psychiatrisch ziekenhuis om de hoek. Een client van hen?
‘En nu ga ik even plassen en beneden kijken’, klinkt het traag en zwaar door de stille ruimte. De lichte stem antwoordt iets onverstaanbaars.
Broosheid, zwaarte en lichtheid van het bestaan in hooguit acht minuten.
Biesheuvel weet er wel raad mee.

 

J. Cole

Op dit einde van de middag zit een vogel in de boom. Zo’n acht meter hoog, op het tweede treetje van de hoogste tak. Een dunne tak, maar hij zit daar en zingt het hoogste lied. Zijn mollige lijfje zit roerloos, de tak beweegt zachtjes mee op de wind, zijn kopje steekt hij in de lucht, de twee kleine snavelhelftjes tekenen zich af tegen de grijsblauwe lucht. Het hoogste lied.

                          *
Zachtjes kruipt de poes naast mij op de bank. Zij wast zich zorgvuldig, haar roze tongetje in, uit, zo nu en dan moet ze even rigoureuzer werk maken van de schoonmaak, ze bijt en trekt wat haartjes uit haar vacht. Soms piept de zon tevoorschijn, het is zo’n middag waarop, ja waarop je rustig zit, na een drukke dag. Ik kijk op. De vogel is verdwenen. Ach, wat jammer. In de verte hoor ik nog het op en neer-gaande fluiten, verder en verder weg. Loomheid slaat toe. De gouden regen heeft opeens de karakteristieke hangende sliertjes groen: de druif laat voorzichtig wat knopjes en blaadjes zien en de clematis slingert zich tegen het speciaal voor dat doeleinde getimmerde rek aan.
                        *
De hortensia’s, heftig teruggesnoeid door de tuinman ‘dan groeien ze zo lekker weer op, zeker in de bemeste aarde’, dragen hun blaadjes, licht wapperend in de wind.
                          *
Boven ploetert mijn zoon met net zo’n examenbundel als hier beneden rondslingert op de buffetkast. Economie of Duits. Nederlands misschien. Of neemt hij nu pauze met een potje gamen? Ik weet het niet. Wel weet ik dat deze jongen na volgende week de vrijheid tegemoet gaat van een lange, warme zomer zonder verplichtingen. Ik denk aan zijn twee kleine handjes op het glas van peuterspeelzaal De Berenboot, zijn betraande gezichtje en zijn platte, witte neusje tegen het raam gedrukt. ‘Laat mij niet alleen…’, smeekten zijn bruine ogen, rood van traan en verdriet.
                         *
We laten hem binnenkort gaan. Alleen. Dan druk ik mijn neus tegen het raam en kijk. Daar loopt hij, lang en slank, de wereld in en hij verovert deze als Ivanhoe, Thierry de slingeraar. Deze fan van J. Cole, hip hop artiest -: ‘hij treedt vanavond op in Paradiso, zo’n kaartje kost wel €40,-‘- rijdt in mijn auto, ik zit naast hem, zijn hand reikt naar de volumeknop en ik luister naar J. Cole, hip hop artiest van naam.
                         *
‘I’m on my way, on my way, on my way down
I’m on my way, on my way, on my way down
You’re the one that was tryna keep me way down
Like a sun all you know if I’m on my way down’ *
                         *
He, de vogel is terug. En weer heeft hij het hoogste woord. De bloesem van de kersenboom bloeit, de poes is klaar met wassen. Mijn zoon zit naast mij op de bank. Het wordt lente. Nee, het is lente.
                          *
‘Nobody’s perfect, nobody’s perfect ey, ey

 

But you’re perfect for me

 

Nobody’s perfect, nobody’s perfect ey,

 

But you’re perfect for me’ **
                       ***
* ‘Crooked smile’, J. Cole
** ‘Nobody’s Perfect’, J. Cole