Achterom

 Hoe het voelt om oud te zijn
Ik ben nu oud, het wordt door zovelen gezegd.
En als het niet wordt gezegd, dan wordt het verzwegen. 
Ik lees het in elke blik die zich op mij richt, 
in elk gebaar dat in mijn richting wordt afgegeven, 
in elke groet die in het niets wordt geschreven, 
in elke zucht, in de glimlach die mij overslaat. 

Hoe voelt het om oud te zijn? wordt mij gevraagd.
Het voelt lang niet slecht, geef ik eerlijk toe.
Het voelt vaak goed niet zo lang meer te hoeven leven
en afscheid te nemen van jou, u, jullie, voorgoed.
Maar je bent wel ver van je geboorte afgeraakt
en nu werkelijk heel dicht bij de dood gedreven. 


Soms, als je de hoek van een straat omslaat,
het is winter, voel je zijn adem brutaler dan toen
je nog jong was, en sterk, en een stootje kon geven.
Je voelt je tot onder je kleren koud, en heel naakt.
Je gruwt van de dood, al is het slechts even.                                  
Kom, gauw naar huis, denk je, want je voelt je geraakt.

Adriaan Morriën (1912-2002)

              *
Na een dag gezaag, geboor en puin, hard vallend in een bak,- zo een die achter een auto wordt aangetrokken-, valt de stilte over onze tuin. In de verte luiden de kerkklokken. Vaag hoor je het verkeer, ver weg, een motor, een vrachtwagen, een claxon. Linksboven steekt de ontluikende bloesem van de buurman wit af tegen de lucht. De blauwe lucht waartussen wattenwolkjes drijven, iets witter nog dan de bloeiende bloesem.

                          *
Het vallende puin is afkomstig uit het huis van onze destijds stokoude buurman. Meneer van K. woonde zijn hele leven in deze laan. Hij was hovenier. Ooit zagen wij meneer van K. poedelnaakt staan in zijn tuin. Ram-mager, zijn enorme geslacht bungelde losjes heen en weer tussen zijn stakerige benen. Die keurige meneer van K. Wat bezielde hem? Op deze ene keer na zagen we hem nooit meer naakt, maar steeds meer en meer schuifelend door onze laan lopen. 
                          *
Meneer van K. werd oud. Soms kwam je hem tegen, achter in de poort. Hij had de gewoonte de grijze en groene vuilnisbakken van ons allen naar achteren te rijden. Grijs de ene week, groen de andere. Netjes in het gelid wachtten de bakken aan de achtergelegen Zwarteweg op het moment van legen. Daarna sjokte meneer van K. met de wel twintig, dertig bakken aan het einde van de ochtend of het begin van de middag terug. Hij zette ze neer, bij iedere poort een. 
                         *
Hij vroeg wel eens: ‘weet je hoe oud ik ben?’ Telkens ontkenden wij dit of wij huichelden ‘tachtig?’ Guitig keek meneer van K. je aan. Langzaam, goed articulerend zei hij: ‘onlangs ben ik eenennegentig jaar geworden!’ Hij straalde en wij schudden ongelovig ons hoofd. ‘Eenennegentig jaar! En u bent nog zo gezond en kwiek!’ 
                          *
Eens maakte hij, met afgedankte trottoirtegels en oude grindtegels van ons modderige pad een stenen achterom. Een voor een versjouwde hij de tegels, legde ze neer, sloeg erop met een rubberen hamer. Na een paar dagen was het pad klaar. Nooit meer stonden modderige fietsbandjes in onze schuur. Nooit meer hoefden wij de aarde van onze schoenen te stampen voor het naar binnen gaan. 
                          *
Met onze oude buren, Bep en Miel en de buren daar weer naast eerden wij meneer van K. Bep, onze zeer krasse buurvrouw rechts, had haar creativiteit botgevierd op een bordje. Op een dag vond de onthulling plaats. Wij allen stonden in de smalle doorgang achter onze tuinen. Meneer van K. was onze hoofdgast. Een doek bedekte het kunstwerk van Bep. De kinderen huppelden overal doorheen, blij van spanning en opwinding. 
                          *
De twee oudste buurmeisjes, Wietske en Julia, onthulden plechtig het bord, vastgetimmerd op de schutting van Bep en Miel. Op het bord stond geschilderd. ‘W. van K. laan’. Zo heette vanaf dat moment onze achterom. We lachten en brachten een toast uit op onze krasse buurman. 
                          *
Hij hield het bijna vol tot het einde. Wij sjouwden inmiddels zelf onze vuilnisbak naar achteren en namen die van hem mee. Het moment waarop zijn kinderen besloten dat het echt niet meer ging staat mij nog goed bij. Een oudere, gedistingeerde dame belde bij ons aan: ‘mijn vader gaat naar een verzorgingshuis. Hij zorgt niet goed meer voor zichzelf. Ondanks de hulp die hij krijgt redt hij het niet meer.’ De tranen stonden in haar ogen. 
                         *
En daar ging meneer van K., Drieënnegentig jaar oud. Hij heeft nog een paar maanden in dat verzorgingshuis geleefd. Wij herinneren hem. Meneer van K. Bakkensjouwer. Tegelpadmaker. 
Buurman. Uw huis wordt eindelijk, na zoveel jaren leegstand, verbouwd. Het bordje in de achterom, het hangt er nog steeds, de letters vervaagd, de W. nog goed zichtbaar. Vaarwel, meneer van K., vaarwel.
                        ***

 

Advertisements

Leave a Reply

Please log in using one of these methods to post your comment:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s