Scholletje

Als ik de sleutel omdraai in het slot schiet het opeens door me heen. Hij kan zomaar achter de deur liggen of zitten in zijn stoel, stil, dood. Het duurt maar kort, de gedachte en het is niet zo. Hij ligt niet achter de deur, zit niet dood in zijn stoel, maar hij staat achter de voordeur. Met een rood hoofd van inspanning verscheurt hij een kartonnen doos. De stukken vallen op de grond. Hij kijkt mij aan tijdens het scheuren. Hij hijgt. Het kost hem zichtbaar al zijn kracht, dat scheuren van de kartonnen doos.

‘Ja, hij was al stuk, dus ik moet hem weggooien.’
                         *
Hij is zo moe van het gevecht met de doos dat hij rechtstreeks naar de bank loopt en gaat zitten. Niet in staat om iets te doen kijkt hij mij aan. Ik pak een glas water uit de keuken en ga in zijn stoel naast de verwarming zitten. Als hij is uitgehijgd gaat hij van start.
                          *
‘Ik heb laatst gegeten met mijn onderbuurvrouw in een restaurant.’ De onderbuurvrouw is een dame van in de zeventig. Deze dame belde destijds aan om te klagen over het geluid van mijn laarzen tijdens het klussen in het huis. Een warm welkom. Maar hij vindt haar aardig. En ik weet waarom. Mijn vader valt op kleine, blonde vrouwen met een bijdehante inslag. Ze lijkt op mijn moeder. Dit is natuurlijk psychologie van de koude grond, maar ik vind het leuk om er zo over na te denken. En ik vind het ook leuk dat hij haar aardig vindt. Twee jaar geleden verloor zij plotseling haar man. Maar zij vermaakt zich en houdt fantastisch de openbare ruimten in de flat schoon. Ook heeft ze een prachtig tuintje waar mijn vader met plezier op uitkijkt. En nu is hij uit eten geweest met haar. Geweldig.
                          *
‘Waar heb je gegeten?’, vraag ik hem
‘Bij een visrestaurant in IJmuiden’, vertelt mijn vader, ‘daar kan je goedkoop heel verse vis eten. Scholletjes ofzo, daar had ze het over.’
‘En zij reed?’, vraag ik.
‘Ja, zij reed’, zegt hij.
‘Lekker was het, die verse scholletjes. En je kreeg ook zo’n heel klein hapje vooraf, hoe heet dat ook al weer?’
‘Een amuse?’, gok ik.
‘Ja, een amuse, heel klein hoor. Trouwens, al die porties waren klein. Een paar aardappeltjes, een klein bakje groenten.’ Hij kijkt mij schalks aan. ‘Eigenlijk had ik nog honger toen ik thuis kwam.’ Maar dat heeft hij natuurlijk niet gezegd tegen zijn onderbuurvrouw.
                         *
Daarna vertelt hij dat hij ook op bezoek ging bij een ander echtpaar in het gebouw: daar bracht hij een bos bloemen. Onlangs kreeg hij spontaan van de vrouw een bosje bloemen toen hij haar tegenkwam in de gang. Ze hadden het over de bloemist die wekelijks bij het gebouw komt om bloemen te verkopen aan alle ouderen die daar wonen. ‘Hier, deze zijn voor u, kijk maar of u ze mooi genoeg vindt om volgende keer ook hier te kopen.’ En nu bracht hij heel attent haar een bloemetje van de markt. ‘Die zijn toch beter’, beweert hij. ‘En goedkoper’, denk ik bij mezelf want dat vindt hij ook belangrijk. Maar dat zegt hij natuurlijk niet tegen de aardige dame die haar bloemen altijd bij de flat koopt.
‘Een mooie flat hebben ze!’, vertelt hij vol bewondering. ‘Heel mooi verbouwd, alle muren eruit, het is een grote ruimte. Maar ja, hij is klusjesman en kan alles zelf. Hij is alleen nooit thuis’, vertelt hij.
‘Goed van je hoor, dat je bij iedereen zo op bezoek gaat’, complimenteer ik hem.
Hij kijkt mij vragend aan. ‘Ja, je kan ook in je flat gaan zitten kniezen, toch?’ Maar daar begrijpt hij niets van. Zitten kniezen, dat is niks voor hem. Niet zijn ‘cup of tea.’
                            *
De dag voor mijn bezoek was hij bij mijn broer om de kleinkinderen weer te zien. Ook knutselde een tweeënnegentig jarige vriend een vlaggenstokhouder voor hem voor op zijn balkonrand. ‘Daar moet je me zo even mee helpen.’ En ja, daar word ik kriegel van. Ik ‘moet’ niks. Maar ik houd mijn mond. Het heeft geen zin om hem daar van af te houden. ‘Moeten’ ligt in zijn mond bestorven. Dat krijg ik er niet meer uit.
Het regent pijpenstelen en het houdt niet op. Maar ik weet dat hij graag de vlag uithangt op bevrijdingsdag. Dus we gaan naar het balkon waar we in de stromende regen de constructie op de balkonrand proberen te bevestigen. Het is een heel gedoe met kleine afdekplaatjes en schroefjes. Een uitdaging om die niet in het fraaie tuintje van de onderbuurvrouw te laten vallen. Uiteindelijk, na veel gedoe lukt het de constructie enigszins stevig te bevestigen. Een gaatje is net iets te krap aangebracht. Met geen mogelijkheid krijg ik de schroef er in. Maar het ding zit aan drie kanten muurvast.
                           *
‘Ik denk dat het wel lukt met die vlag overmorgen’, zeg ik.
‘Ja, dat denk ik ook’, beaamt mijn vader.
‘Vraag anders aan Henk of hij dat gaatje een beetje bijboort, dan kan de houder ook aan die kant aangeschroefd worden.’ En dat zal mijn vader doen. Vandaag is het 4 mei. Ik zal zo eens kijken of de vlag hangt. Halfstok vandaag. En morgen? Dan hangt de vlag er fier bij. Wapperend in de wind. Hij weet wat dat betekent. Vrijheid. Zeventig jaar geleden werd hij bevrijd. Toen was hij drieëntwintig. Nu is hij drieënnegentig. En viert hij de vrijheid, met zijn eigen vlag in zijn eigen vlaggenstokhouder, samen met met zijn dochter vastgeschroefd aan zijn eigen balkon.

 

Advertisements

Leave a Reply

Please log in using one of these methods to post your comment:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s