De reünie 

 Het is druk in de stad want de zon schijnt en de mensen zijn blij, het is weekend, het weer werkt mee dus gaan we de stad in, zitten we op terrassen, drinken we een kop koffie, smullen we van een salade en eten we broodjes, ijs en garnalenkroketjes. Ik zie een vrouw een te grote hap nemen van haar salade. Een blaadje sla en een zongedroogd tomaatje vallen uit haar mond. Ik laveer met mijn fiets tussen giechelende tienermeisjes door, ontwijk gearmde stelletjes en babbelende vriendinnen, oude mensen, jongeren. 
                       *

Zo fietste ik vroeger nooit naar school. Destijds kwam ik aanfietsen vanuit het rustige, Haarlemse stadspark vlakbij het station. Ik zwenkte over de Parklaan naar links de Kruisstraat op. Langs Broekhof, de traiteur waar mijn moeder wel eens beleg kocht. Ik fietste op mijn paarse Sparta de Barteljorisstraat in, uitgestorven zo ‘s ochtends vroeg rond 8.00 uur. In de Barteljorisstraat liep meneer de Jongh, zwaaiend met zijn werktas en zijn hupse loopje. Meneer de Jongh was wiskundeleraar bij ons op school. Hij was niet mijn wiskundeleraar, maar ik zag hem iedere ochtend naar school lopen vanaf het station naar de Prinsenhof. 

                             *

Ik reed met mijn fiets tegen de richting in de Zijlweg op en schoot het steegje in naast de socialistische boekhandel. Uitgekomen op de Prinsenhof tilde ik mijn fiets over een enorme, betonnen drempel heen het fietsenhok in dat achter de school lag. Ik liep het bakstenen gebouw in. En daar beleefde ik zeven mooie jaren. 
                         *

Waarom waren die zeven jaren zo mooi? En waren ze echt zo fijn? Ik kreeg een keer een keiharde sneeuwbal in mijn nek, daar in dat fietsenhok, de grootste plaaggeesten van de school Teun en Jeroen, stonden mij uit te lachen toen ik mij ongelukkig en verlegen met de situatie bevrijdde van de kou onder mijn jas. Ook herinner ik mij het onhandige schuiven in de pauze om in de kring te komen van pratende klasgenoten. Ik verstopte mij wel eens in de pauzes in de bibliotheek omdat ik genoeg had van dat eeuwige geschuifel en de onzekerheid of je opgenomen werd in die kring daar buiten op het plein. Ik bleef in het ongelukkige jaar 1979 zitten en moest wennen aan een andere klas, mijn vrienden en vriendinnen achterlatend en zij mij voorgoed verlatend.

                       *

Waarom overheerste dan toch dat geluksgevoel in deze school, in dit gebouw, in die tijd met gesloten en verbroken vriendschappen, het eerste echte vriendje, deze leraren? De eerste drie jaren waren zorgeloos, op het bijbenen van de moeilijke lesstof na. We kregen les van Mieke Tillema met haar grote lach en enorme oorbellen. Stapels boeken lagen op haar bureau waar ze uit voorlas: Wolkers, Cremer, Kellendonk, Dermout. Ze organiseerde een gedichtenwedstrijd, we hielden boekbesprekingen en we schreven alsmaar opstellen die ze becommentarieerde met: ‘Je hebt je schandalig aan de opdracht onttrokken, maar hier heb ik niet van terug. Een 10!’ 

                         *

We kregen les van Lodewijk Wiener, schrijver en leraar Engels. Hij declameerde Shakespeare met het accent van Queen Elizabeth herself. Hij rook zo heerlijk, meneer Wiener – als hij langs je liep een vleugje parfum in je snuffelende neus – en zag er uit als een Engelse dandy uit een film met de karakters van Jane Austen. 

                         *

We kregen Latijn van de erudiete en strenge meneer Kegel, waarvoor wij allen sidderden. De joviale meneer Jansen gaf Grieks: ‘als we nu snel door die teksten heen gaan, gaan we lekker filosofie doen.’ En hij schreef eens op het bord: 

‘The gods may throw the dice

Their minds as cold as ice

And someone way down here

Loses someone dear.’

                          *

‘Van welke schrijver is deze tekst?’ was zijn vraag en zijn lachrimpeltjes verdiepten zich om zijn ogen. Wij raadden en raadden. Alle bekende en minder bekende Griekse schrijvers, Latijnse dichters en geschiedschrijvers kwamen langs. En meneer Jansen lachte en lachte steeds harder. 

‘Nee! Allemaal fout!’, schaterde hij en hij schreef op het bord: ‘Abba’. De tekst kwam uit een lied van Abba, ‘The winner takes it all.’ Die meneer Jansen, hij had ons tuk.

                         *

Ik zet mijn fiets vandaag niet in de stalling met de hoge drempel achter de school. Ik loop over de volle Grote Markt met mijn fiets aan de hand naar de Smedestraat. Ik zet deze in de bewaakte stalling. Ik loop terug over de markt. Alle terrassen zijn gevuld. Iedereen een zonnebril. Langs het stadhuis, in mijn ooghoek een trouwerij van twee heren in fel gekleurde pakken, lachende mensen eromheen, en dan sla ik rechts af de Jacobijnestraat in.

                          *

Een grote menigte mensen staat daar al. Op het plein naast het hek van de hortus, de tuin waarin de zesdeklassers hun rondjes liepen. Het ‘echte’ beeld van Laurens Janszoon Coster – de replica staat op de Grote Markt – peinzend uitkijkend over het plein naar de menigte oud-scholieren.  

                          *

Ik speur naar een bekend gezicht. En ik vind er een paar. Ik zoek naar het geluk van weleer. En ik vind het. Op het zonovergoten plein met de enorme treurbeuk. De fietsenstalling, de hoge trappen en lokaal 14. De nu fris-geel geverfde deuren, destijds kotsgroen. Ik spreek mijn scheikundeleraar, nog precies dezelfde babyface als toen, mijn strenge wiskundeleraar die mij verrassend-lieve bijlessen gaf. Een vriendin van vroeger die mij onhandig kust. Oud-klasgenoten die ik toen nauwelijks opmerkte maar erg aardige volwassenen geworden zijn. 

                          *

Daar is het. Het geluk van de school. Leren was leuk en nieuwsgierig zijn werd beloond. De school was een rustpunt in de woelige baren van een onrustig thuis. En nu het thuis rustig is, is de school een liefdevolle herinnering aan bevlogen docenten, saaie aardrijkskundelessen, moeilijk Grieks en het nog lastiger Latijn. Maar wat smaakte de overwinning van al dat moeilijks naar meer. En daar zit het hem in. Jezelf overwinnen en de smaak van meer willen proeven.

                         *

Tevreden fiets ik naar huis. 

                         *

‘The gods may throw the dice

Their minds as cold as ice

And someone way down here

Loses someone dear

The winner takes it all

The loser has to fall

It’s simple and it’s plain

Why should I complain?’
                        ***

Advertisements

Leave a Reply

Please log in using one of these methods to post your comment:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s