Zomerstorm

  

                         Juli

Ik ben mijn jongen kwijt

 goud gaf ik voor geritsel

 mijn nest zit me te wijd.

                 Judith Herzberg

                             *

Vanuit mijn bed ziet de lucht lichtblauw als een strak getrokken babydekentje met het witte uiteinde van een omgevouwen lakentje. Het groen van de boom wordt doorsneden door het uiteinde van de strijkplank naast mij. Frisse lucht stroomt door de openstaande deur naar binnen.

                               *

Vandaag is de dag van de zomerstorm. Een woord waarin de wind langzaam maar zeker opsteekt en van zacht waaien overgaat in windkracht 9. 
Vannacht werd ik een paar keer wakker omdat ik dacht dat de storm zou beginnen. Maar nee, wel korte regentikken en wat onweersgerommel ver weg. En de gedachte aan mijn zoon. Hij is weg. Uit, zoals alle avonden en nachten van deze zomer. 

                               *

‘Waar ga je naar toe?’, vraag ik, terwijl hij zijn veters strikt.

‘Naar Joost’, antwoordt hij. Ik ken Joost. Dat is een jongen die de studie doet waarmee hij ook in september start. En omdat hij nog moet kiezen tussen de opleiding in Den-Haag of Amsterdam denk ik dat hij daarover zijn licht gaat opsteken. Fout.

‘Joost? Spreek je hem nog over wat je moet kiezen?’, vraag ik.

‘Nee, ik ga naar Joost G., dat is een ander.’

‘Waar ken je Joost G. van?’

‘Dat weet ik niet meer’, is het antwoord.

‘Waar woont Joost G.?’

‘Aan de Zijlweg in Haarlem, vlakbij het Nova-college.’
Als mijn man even later ook wil weten waar zijn zoon naar toe gaat zeg ik: ‘hij gaat naar Joost G., die woont aan de Zijlweg in Haarlem.’
En daar gaat ons kind: gedoucht, tip-top gekleed, fris geknipt naar Joost G., wonend aan de Zijlweg in Haarlem. 

                               *

Vannacht word ik wakker. Maar hij is nog niet thuis, realiseer ik mij in halfslaap. En tijdens een flinke regenbui, die door de kier van de open deur goed te horen is, schrik ik nog een paar keer op met de gedachte aan ons kind aan de Zijlweg in Haarlem. Waar is hij nu? Op weg naar huis? Het stortregent. Ik hoor een sirene. De af-en aanzwellende geluiden komen naderbij en zwenken langzaam af in de richting van Vogelenzang. Hij is op de fiets. Er is toch niets gebeurd?

                             *

Zijn vader voel ik opeens zitten op de bedrand aan de andere kant. Een schijnsel licht op. Ook hij is wakker en probeert contact te zoeken via zijn iPhone met ons kind. Hij loopt naar de gang, opent de deur van de slaapkamer van onze zoon, sluit deze en keert even later terug. Weer zie ik het schijnsel. En ik dommel in. Van de halfslaap is de slaap het sterkst. Ik kan toch niets doen.

                             *

En ja, daar hoor ik beneden de deur. Sleutels vallen op het schoteltje. Het tikje van het bolletje aan het touwtje van de lamp dat slaat tegen het glas. De deur beneden gaat open en dicht.
Zachtjes klinkt ‘hoi’ bij de deuropening. Naast mij hoor ik ‘hoi’ terug. Hij is thuis. 

                            *

En nu ben ik wakker. Het is ochtend. De lucht is in rap tempo van helder lichtblauw veranderd in grijs. Door de deurkier waait iets meer frisse lucht. Het haakje van de deur piept vanwege het wrikken in het oogje. De wind neemt toe. Nu waait ook het zware gordijn op.
Zomerstorm. Prachtig.

                          ***

Tussen kunst en kitsch

  
‘Hallo, ik ben er !’

Mijn vader zit voor de t.v. in een oranje kamer. Het zonnescherm zet de flat in een gloed van een diep-oranje zonsopgang of -ondergang. Het is maar hoe je het bekijkt.

                         *

Hij staat op uit zijn stoel en ik loop naar hem toe. 

‘Ik heb je gemist’, zegt hij.

‘Ja, het is ook wel lang, twee weken’, antwoord ik. En ik maak me los uit een ongemakkelijke omhelzing.

‘Nou, dat valt wel mee’, zegt mijn vader. En de betovering, zo deze er al was, is direct verbroken.

                         *

Samen met de herinneringen die in een vakantie zonder afleiding ongehinderd naar boven komen en niet altijd even fraai zijn, moet ik wennen aan dit bezoek. Twee lange weken was ik los van bezoekjes, los van werk, los van alles. Behalve van de herinnering. De jaren van weleer. Niet altijd zulke mooie jaren. We maakten er het beste van maar een worsteling was het. En nu zie ik de oude man weer. Die destijds jonger was. Langzaam koppel ik herinnering los van het heden en dat kost even tijd.
                         *

Mijn vader zit in zijn stoel en kijkt, zo midden op de dag, gefascineerd naar een programma op t.v. Het doet mij denken aan ‘Tussen kunst en kitsch.’ Maar dan zonder de schalkse Nelleke. 

                         *

‘Waar kijk je naar?’, vraag ik.

‘O, dit is echt een GEWELDIG programma!’, zegt mijn vader enthousiast. 

En ik weet gelijk dat ik het niks vind.

‘Kijk, zij is de taxateur. En ja, nu gaan de spullen geveild worden!’ Mijn vader buigt zich voorover om niets te missen. Ik zie een monsterlijke kroon die wordt geveild voor € 450,-.

‘Eenmaal, andermaal,…, verkocht!’, roept een dame met lang haar. ‘Ver boven de taxatie-waarde..’, glundert mijn vader. En het volgende object wordt getoond. Twee barok-engeltjes van hout.

‘Die zijn veel waard, let maar op’, verkneukelt mijn vader zich in de oranje gloed van het zonnescherm.

                         *

Ik kijk naar buiten en zie het prachtige weer. Ik zit binnen en kijk naar een programma dat lijkt op ‘Tussen kunst en kitsch’, maar het niet is. 

                         *

Ik loop naar de keuken en pak een glas water. Als ik terugkom is de t.v. uit en loopt mijn vader mij tegemoet. Ik vraag niet of het programma is afgelopen.

                         *

‘Wil je koffie?’, vraagt hij.

‘Ja graag’, antwoord ik. Ik kijk in de huiskamer op mijn telefoon of ik een bericht heb. Maar nee.

‘Ik heb je heel veel te vertellen!’, zegt mijn vader luid in de keuken.

‘O ja?’, zeg ik, ‘ik kom eraan.’ Bijna ontsnapt mij een zucht, maar ik houd deze in. Ik berg mijn telefoon op en loop naar de keuken.

                         *

‘Ik kreeg een hoop papieren van de NVVE. Een boel werk was het om ze te lezen en in te vullen! Ik moet alles in viervoud invullen.’

‘Wat is dat, NVVE?’, vraag ik.

‘Ach, je weet wel, die vereniging voor euthanasie.’

‘O, wil je euthanasie?’, vraag ik vals. Mijn vader negeert deze opmerking.

‘Het ligt allemaal op tafel. Je moet het zo even bekijken. Je moet je naam, zoals je ingeschreven staat aan mij doorgeven.’

‘Die weet je toch wel?’, vraag ik. ‘Dat is gewoon mijn meisjesnaam.’

‘O, ja die weet ik wel.’

                         *

Intussen zet mijn vader koffie. Maar praten en koffiezetten tegelijk gaat niet zo goed. Hij vergeet het apparaat aan te zetten. Hij vergeet een tweede kopje onder het apparaat te zetten. 

Nu concentreert hij zich maar even op de koffie. En is hij stil. Na het koffiezetten zet hij weer het apparaat aan en laat een beetje extra water er doorheen lopen, brak, bruinig water.

‘Wat doe je?’, vraag ik.

‘Ja, dat doe ik altijd. Een beetje extra koffie. Er zit nog genoeg in die pads.’

‘Maar er komt alleen gekleurd water uit nu’, zeg ik. En ik leg me neer bij een vies kopje koffie.

                         *

‘Hee pa, de melk is over de datum.’ Ik heb het pak melk uit de ijskast gepakt. 17 juli staat erop. Vandaag is het de 21e.

‘Nee, dat is nog prima melk!’, verkondigt mijn vader. En ik leg mij neer bij een kopje waterkoffie met bijna-zure melk.

                         *

Even kijkt hij mij aan.

‘Wat een zeikerd ben ik, he?’

En stilletjes denk ik ‘ja’. Maar ik zeg niets.

                         *

Eenmaal binnen is het tweede nieuwtje dat hij de oude snorfiets bijna verkocht heeft. Hij heeft er al meer dan drie jaar geen gebruik van gemaakt. Het onding staat al die tijd ongebruikt in zijn berging ‘om te verkopen.’ Omdat hij te laat was met het schorsen van de fiets voor de verzekering kreeg hij onlangs een boete van € 300,-. 

                         *

En nu heeft hij iemand gevonden. Ik hoor een lang en onbegrijpelijk verhaal aan over iemand die de fiets wilde kopen, maar toch eigenlijk niet. Nu heeft deze vrouw hem vanochtend geholpen met het wegbrengen van de fiets naar een fietsenmaker. Daarna zou ze hem laten zien aan iemand anders. Ik snap er niets van.

‘Ze noemt mij opa’, zegt mijn vader, ‘want mijn achternaam vindt ze te moeilijk.

‘Die vrouw heet Jotie’, en hij wijst op een kladblaadje met haar naam en adres. 

‘Maar waarom doet zij dat voor jou?’, vraag ik.

‘Ja, zij wil graag 10% van de verkoopprijs’, zegt mijn vader. ‘Maar het is een prima mens hoor! En sterk! Ze tilde zo die fiets op het rek achter haar auto.’

Ik denk er het mijne van. Maar ik hoop dat het kreng, de fiets, wordt verkocht.

                         *

Het derde nieuwtje is dat, na al die jaren dat mijn vader in deze flat woont, de pick-up en versterker zijn aangesloten.

‘Hoe heb je dat gedaan?, vraag ik.

‘Je broer kwam langs, hij heeft het gemaakt. Ja, ik weet wel hoe dat werkt, maar ik kan er niet goed bij, he? Wil je een plaat horen?’

Hij wacht mijn antwoord niet af maar staat gauw bij de pick-up die ik al vijfenveertig jaar ken. Een houten Philips. Hij legt een plaat erop. Hij staat lang gebukt voor de versterker.

‘Lukt het?’ en ik kom naderbij.

‘Nee, hoe kan dat nu? Hij moet ‘phono’ aangeven..’ Hij klooit en draait aan alle knopjes. 

                         *

Ik druk op de Power-knop van de versterker en hij floept aan. ‘Phono’ is te lezen op het display.

‘He, die had ik al aangezet’, probeert mijn vader nog. 

‘En waarom doet hij het nu nog niet?’, mort hij.

Bijna wil hij weer alle knopjes indrukken en aandraaien tot hij ziet dat de naald nog niet op de plaat staat.

                         *

En hoor! Daar klinkt James Last door de oranje kamer. Ik ben weer terug in de seventies. Toen was onze huiskamer ook oranje met bruine en groene accenten. En toen klonken ook de klanken van good old James door de kamer. 

                         *

Als ik bijna weg ga, gaat mijn vader nog even op zoek naar de wilsbeschikking van de NVVE. Hij doorzoekt de map met de viervoudige wilsuitingen: dementie, euthanasie, niet-reanimeren en een machtigingsformulier.

                         *

‘Maar ik zoek die andere. Waar is die nu?’ Koortsachtig zoekt mijn vader tussen alle stapeltjes tijdschriften en papieren. Ik tel alle papieren en volgens mij zit alles in het mapje van de NVVE.

‘Alles zit hierin hoor!’

Maar nee, volgens mijn vader is dat niet het geval.

                         *

Ik moet echt gaan.

‘Nou, rustig aan, dan kijk ik er toch de volgende keer naar?’, zeg ik en ik pak mijn jasje.

                         *

Als ik buiten ben, op mijn fiets stap, de wind voel, de zon schijnt, haal ik diep adem.

We zijn weer thuis.

                        ***

Larghissimo

 De haan van de buurman kraait op de gekste momenten. Natuurlijk laat hij ‘s ochtends vroeg van zich horen, als het licht zacht door de spleten van de luiken kiert. Maar ook om 11.00 uur en 14.30 uur kraait het dier luidkeels. Hier, op het Franse platteland.

                         *

Bij het ontbijt in de zon horen we de wielewaal, een lieflijk fluiten in de bomenrij naast onze tuin, achter de met dikke klimop-begroeide muur. Hij laat zich niet zien. Een kleine speurtocht mag niet baten. De zangvogel begeleidt als een onzichtbare muzikant onze Franse weken.

                          *

De wijnboer met velden vol ranken naast ons huis is bezig de rijen te inspecteren. Hier en daar rukt hij wat groen onderaan weg. Naast hem staat een smalle tractor waarmee hij tussen de kaarsrechte rijen door rijdt. Van de week deed hij dat rond 6.30 uur. Hij reed als het ware onze slaapkamer binnen. Het aanzwellende en afnemende geluid van de tractor kreeg die ochtend op den duur iets vertrouwds. Als het gelijkmatige gehobbel van een trein, het gekibbel in de auto van je ouders over de vakantieroute, een ruzie-ritme waarop je achterin zo heerlijk wegdommelde.

                         *

Ik fiets nog eenmaal naar het dorp. Langs mij rijden enkele auto’s, harder dan de toegestane 50, even houden ze in bij het passeren van mij, de eenzame fietster. Om daarna weer aan te zetten, scheurend naar het kleine dorp. 

                         *

Ik rijd naar het dorp, enkel en alleen om het restaurant te reserveren voor vanavond. Onze laatste Franse avond. We aten hier eerder, bij Cote Bastide, gewoon gelegen in een woonwijk tussen huizen. Achterin de tuin staat een houten veranda met fraai gedekte tafels. Een wit kleed, daaroverheen een donkerblauw. Het is altijd druk bij Cote Bastide en telefonisch reserveren lukt niet. Een Franse dame tettert telkens in mijn oor een onbegrijpelijk verhaal. Ik fiets er daarom maar even heen. 

                         *

De tijd hier is een raar ding. Waar de tijd thuis ferm doortikt met vele werkwoorden: opstaan, douchen, ontbijten, fietsen, werken, eten en slapen roetsjen we op het Franse platteland langzaam maar zeker in een soezig en tijdmorsend ritme met hier en daar wat werkwoorden, maar andere. Soezen, zitten, de kranten en boeken lezen, schrijven en eventueel fietsen, zwemmen of hardlopen. We doen ook boodschappen, ja, zeker doen we die, maar licht en luchtig. Zonder snelheid, het tempo gaat de eerste dagen van presto over via andante naar lento. 

                          *

Twee weken per jaar schakelt het leven terug naar de laagste versnelling, zo passend bij de warmte van de zuidelijke zomer. 35, 40 graden, daar past alleen larghissimo -zeer langzaam – bij. 

                          *

Ik zet mijn fiets op slot naast het restaurant en reserveer in mijn mooiste Frans een tafeltje bij Cote Bastide. 

‘Votre nom?’ vraagt de vriendelijke eigenaar die met mij meeloopt naar binnen, daar waar het reserveringsboek ligt. Dat weet ik nog van de vorige keer.

‘Jonquiere’, zeg ik met veel genoegen. Zonder nadere uitleg, opkijken of ‘dat is een mooie naam!’ wordt ‘Jonquiere’ genoteerd in het boek.

‘Et votre numero?’

Cijfer voor cijfer, nadenkend bij de een en in het hoofd vooruitvertalend naar de volgende, spreek ik de juiste cijfers uit.

                         *

De restaurant-eigenaar loopt met mij mee de tuin in. Hij was toen ik aankwam de tafels aan het dekken voor vanavond. Hij kijkt mij vriendelijk aan en vertelt een heel verhaal. Met moeite achterhaal ik de clou. En dat komt door de herkenning van een woord in de riedel: ‘orage’. Gisteravond onweerde het in de Dordogne. Na een bloedhete dag, 41 graden op het hoogtepunt, verschenen dreigende wolken en barstte een onweer los zoals dat alleen hier kan. Hard, flitsend, dreigend. Hevige regenval. 

                        *

De vriendelijke heer van Cote Bastide denkt dat het misschien vanavond weer gaat onweren. Dus of we buiten of binnen zitten bepaalt hij aan het begin van de avond. Verwachtingsvol kijkt hij mij aan. Hij verwacht een antwoord, een zin waaruit blijkt dat ik het begrijp. Maar ik kom er niet op. Schaapachtig mompel ik: ‘ce’st oké, pas de probleme’ en ik haast mij naar mijn fiets. 

                          *

Langzaam rijd ik terug in de tijd van langzaam aan. Vanmiddag zetten we aan tot adagio. Bij het inpakken van de tassen. Het passen en meten van tassen in de auto. Het plaatsen van de fietsendrager op de auto. De fietsen daar weer op.

                         *

Morgenochtend rijden wij het grindpad af – moderato – het hek door, langs de gekortwiekte wijnranken, de heuvels van de Dordogne uit. Om vivace te eindigen. In Nederland.

                           *

Het is 19.06 uur. De zon is warm. Daar kukelt weer buurman’s haan. Zouden we de wielewaal nog horen? Morgen?

                          ***

Reis door mijn kamer

  
‘Ik zou in een vliegtuig kunnen stappen en naar Sjanghai vliegen, ik zou scheep kunnen gaan en naar Port Churchill in de Hudsonbaai varen, ik zou in een auto kunnen stappen en naar Parijs rijden. Geld heb ik immers genoeg? Ik zou mijn hele leven kunnen reizen en altijd in hotels slapen en in restaurants eten. Ik zou duizenden mij nu nog onbekende mensen de hand kunnen schudden en zeggen: ‘Goedemiddag, hier ben ik, Maarten Biesheuvel’, of: ‘Bonjour, me voilà, Maarten Biesheuvel.’ 

                         *

Dit schrijft Maarten Biesheuvel. Over reizen. Over schrijven. Ja, meer over schrijven. Men hoeft niet te reizen om te schrijven. Sterker nog, het reizen leidt af van het schrijven. Schrijven doet men met het hoofd en met de hand. 

                        *

Met het hoofd vol kaarten, de route naar Zuid-Frankrijk, het instellen van de navigatie en de handen zwetend aan het stuur wordt er niet geschreven. Dan wordt er gereisd. Ruzie gemaakt. ‘We hadden de eerste afslag moeten hebben. Ik zei het nog!’ 

‘Maar de navigatie geeft iets anders aan. Naar wie moet ik nu luisteren?’

                             *

Het naderen van de Franse tolpoortjes maakt alle reizigers in de auto bloednerveus. Weken tevoren werd een tolbadge bij de ANWB gekocht, een klein, muisgrijs rechthoekje dat op de voorruit moet worden geplakt met dubbelzijdig tape. Thuis te activeren met behulp van de handleiding op een Franse website. De badge, gekoppeld aan de credit-card, belooft de tolpoortjes met een oranje ‘t’ moeiteloos te nemen.

                          *

Zodra we het eerste poortje in Frankrijk naderen slaat de onzekerheid toe. Zou het apparaatje werken? Voorzichtig en zeer langzaam rijdend naderen we de slagboom, een blik op de achteruitkijkspiegel werpend. Een Franse auto achter ons, daarachter een vrachtwagen. Bij de ticketautomaat doe je toch maar het raampje omlaag. En kijk, er komt een kaartje uit de automaat. Tegelijkertijd gaat de slagboom open en klinkt er een piepje in de auto. Alleen jij hoort dat piepje. Je medereizigers horen niets.

                             *

‘Waarom pakte je niet dat ticket?’ vragen zij. 

‘Omdat de slagboom omhoog ging voordat ik het kaartje pakte. Wij hebben toch die tolbadge?’ De hele weg rijd je stilzwijgend door. “Nu heb ik geen ticket. Wat gebeurt er bij het tweede tolpoortje?”, maalt het door je hoofd. “Zouden wij in de problemen komen? Zit aan het einde van deze tolweg een mens in de hokjes aan wie je kan uitleggen dat je een tolbadge hebt en geen ticket omdat het piepje klonk dat niemand hoorde behalve jijzelf, de slagboom omhoogklapte en dat je toen besloot door te rijden. Hoe zeg je dat in het Frans? J’avais achete un …..” 

                           *

En je vraagt aan je medereizigers of zij willen opzoeken hoe dat heet in het Frans. Zo’n tolbadge. Het staat niet in de meegebrachte informatie.

‘Houd de folder maar even bij de hand, dan kan ik het zo daarmee uitleggen’, zeg je. 

                           *

Tolpoortje twee komt naderbij. De dame van de navigatie in de auto waarschuwt vriendelijk: ‘U nadert een tolhuisje.’ Hoe lief zegt ze dat! Tolhuisje. Het doet denken aan een huisje met een mens erin dat glimlacht en de slagboom voor je omhoogduwt. ‘Bonne journee!’ wenst de dame van het tolhuisje je toe en ze zwaait.

                              *

Maar er zit geen dame bij het tolhuisje. Er zit niemand. Het zijn koude apparaten waar je je credit-card in moet stoppen of contact geld in moet gooien. We houden alles bij de hand. Maar we hebben geen ticket. De handen aan het stuur zijn kletsnat. Je veegt je rechterhand af aan je jurkje. Daarop verschijnt een vochtige plek. Het is een nieuwe jurk. Oranje. Gemaakt van een eigenaardig, koel stofje. Ideaal om in te reizen bij warm weer. Het kan niet goed tegen vocht. Je blijft de plek waar de hand neerkwam zien.

                          *

Als de auto dicht, heel dicht, bij de slagboom is – we rijden 20 kilometer per uur tussen twee betonnen muren in – zwiept de slagboom open. We horen nu allen het piepje. Hij doet het! De tolbadge doet het! Blij en opgelucht rijden wij verder. Wij nemen een slok water.

                             *

Terug naar Biesheuvel.

‘Sic omnis res habet suam historiam! Nu ik mijn pijp weer opsteek zie ik dat doosje lucifers British Matches waar ik het al over gehad heb en schiet me nog een uitspraak van Jerzy Lec te binnen: ‘Bedenk dat in hetzelfde vuur dat Prometheus aan de goden ontstal, Giordano Bruno werd verbrand.’ Ik weet niet wat voor man die Bruno was, maar ik vermoed dat hij een lotgenoot van Jan Hus was. Dat is het eind van ‘Reis door mijn kamer’, drie bij vier meter.’

                             *

Volgend jaar, neem ik mij voor, reis ik ook door mijn kamer. Zo veel rustiger. En ook heel avontuurlijk. Je hoofd is leeg, je handen tikken op het toetsenbord. Ze zijn hooguit wat zweterig van de Nederlandse warmte. Niks geen zweet van nervositeit, kaarten noch routes in het hoofd, geen navigatie, geen tolhuisje, geen piep, maar een reis door mijn kamer met boeken waarover ik al eerder schreef, het bed waarin ons tweede kind achttien jaar geleden werd geboren, de wandvullende boekenkast die de timmerman speciaal voor ons timmerde. De nachtkastjes, of beter gezegd, tafeltjes, ooit gekocht bij Ikea. Zilverkleurig. Ze kostten niks. De stoel waarover mijn kleding hangt is nieuw. Het oude stoeltje ging mee op kamers met ons eerste kind. 

                         *

In de kledingkast rechts hangt mijn kleding. Mijn trouw-outfit, een vergeeld ensemble van Agnes B. Hoe trots was ik erop! Een prachtig, kort rokje met een klassiek hesje. Gebroken wit, glimmende stof. 

                            *

Onder de twee rijen kleding, boven elkaar hangend aan kleerhangers, staan mijn schoenen. Of liever gezegd, ze liggen door en over elkaar heen. Warme, lelijke laarzen staan achterin. Uggs.  

                            *

Vooraan liggen de sandalen en slippers want het is zomer. Als ik de goede schoenen wil pakken moet ik altijd bukken. Want het is een rommeltje daar onder in die kast. Te veel schoenen in te weinig kast. 

                           *

Het kan prima. Reizen door je kamer. 

                           *

Zaterdag 18 juli rijden wij terug. Van Zuid naar Noord. Maar we weten: de tolpoortjes doen het. Ze gaan gewoon open. Je hoort een piep. De slagboom zwiept open. Er is niks spannends aan. Reizen.
                         ***

Formidable!

  
Hier in Frankrijk in het dorp Ste Foye la Grande is het doorgaans uitgestorven. De brug die als een sierlijk elleboogje zwarte macaroni de ene oever van de rivier La Dordogne met de ander verbindt is zo smal dat ongedurige auto’s achter mij-op-de-fiets moeten blijven rijden. 

                         *

De rivier de Dordogne slingert zich onder mij als een glanzend pad langs de beboste oevers met hier en daar op de achtergrond wat wijnvelden tegen glooiende heuvels aan geplakt.

                          *

‘s Ochtends rijden wij met de auto een heel andere richting op. Na drie stukjes snelle D-wegen (70 kilometer per uur) en tijdig afremmen voor de drie tussenliggende rotondes arriveren wij bij LeClerc. Ons twee-, driewekelijkse uitje naar de Albert Heijn van de Zuid-Fransen. 

                           *

En direct houdt hiermee de vergelijking met AH op. Want LeClerc is meer dan een supermarkt. Bij LeClerc kan je een televisie kopen, smeerolie voor je roestige fietsketting, thermosflessen in alle soorten, maten en kleuren, de allerverste vis (die wel een beetje door de hele winkel stinkt), de heerlijkste zelfgemaakte pizza’s, bouchees de la mer (vispasteitjes) en een waanzinnige hoeveelheid verse salades, variërend van een Tabouleh-salade tot een Riz Nicoise met verse erwtjes en wortelflintertjes.

                            *

De oppervlakte van LeClerc is onmetelijk: bij ons tweede bezoek krijgen we door dat boven de schappen handige bordjes hangen met productnamen. Wel fijn dat je niet meer zoekend, met een scheef hoofd van het lezen van de Franse letters op verpakkingen, hele schappen af moet, speurend naar risotto, thee of scharreleieren. Dat laatste, scharreleieren, kennen ze hier trouwens niet. In ieder geval staat er niets van ‘scharrel’ op de tien verschillende verpakkingen met eieren. Dus worden het biologische eieren in de hoop dat de (biologische) poules los lopen en lekker mais pikken op het zanderige pad naast hun Franse kippenhok. 
                          *

De groente en fruitafdeling is te veelomvattend voor een gewone kaaskop: alles, werkelijk alles ligt hier smakelijk en wel voor het grijpen, inclusief tomaten die echt lekker zijn, zoet-geurige meloenen en avocado’s, niet te hard en niet te zacht. Een wonder.
                             *

Bij de kaasafdeling doe ik een kwartier over het uitzoeken van de lekkerste kaasjes. Blauwgeaderde, onbekende geelkaasjes, witte aux noix en nog een blauwader die lijkt op Gorgonzola maar dat niet is.
                            *

Bij de verzameling wijnen, vier rijen van drie schappen plus een aparte ‘tentoonstelling’ met proefwijnen, uitnodigend neergezet, haaks op alle wijnschappen, beproeven we de zoek- en vindmethode waarover we ooit lazen: wachten tot een autochtoon of geroutineerde Engelse bezoeker doelgericht een wijn of wat uit het schap pakt. Deze pak je zelf vlot daarna ook. En dat levert deze week een wijn op die ongetwijfeld zo door Hamersma tot ‘omfietswijn’ zou worden gebombardeerd. Een fruitige, witte wijn met een licht zoetje voor € 5,45. 

                          *

En een rosé, niet te licht en niet te zwaar, maar heerlijk koel en smakelijk zo laat op de middag in de warme zon. Deze rosé pakte ik nadat een roodhoofdige Engelsman zes van deze flessen in zijn wijntas met vakjes stopte, zijn vrouw intussen afsnauwend over haar aarzelend-omhooggehouden fles: ‘no, that rosé is much too sweet.’ Beteuterd zet de vrouw de fles terug en ik grijp na de zesde fles van roodhoofd mijn kans en pak de rosé ‘not to sweet’. 
                             *

Het verhaal kan doorgaan met de meer dan twintig soorten ijsjes (met als stip op 1 een kleine Cornetto met een dakje van oreo-chocola), het brood (een kraakvers pistoletje met een luchtige en fluweelzachte bite) en smakelijke Jambon de Parme, afgesneden door een vriendelijke dame met wit hoedje van de traiterie-afdeling: ‘ce’st pour le salade, madame!’ en hoppa! Ze snijdt vier royaal-dikke plakken van het sappige stuk af.
                           *

En wat dit alles kost? Vijf kilometer hardlopen ‘s ochtends vroeg, nog voor het te warm wordt. Na het hete middaguur een uur fietsen (rondje Ste Foye-Le Fleix-St. Nazaire) en aan het einde van de middag vijfentwintig baantjes zwemmen.
                          *

Verder is het hier zo mooi. Groen ook. En lekker warm. Maar de driewekelijkse gang naar dit smulparadijs… formidable! 
                          ***

 

Nai e Oxi

  
De zon in het Zuiden verschijnt achter de wattige wolken in het blauw. Een zachte wind doet de hoge bomen ruisen, de haan van de overbuurman kukelt er op los. Vandaag horen wij of het ja of nee wordt voor de Grieken. Ambtenaren zijn druk aan het rekenen, Dijsselbloem bereidt zich voor op de belangrijkste vergadering van zijn voorzitterschap. Op de hielen gezeten door zijn rivaal, de Spanjaard De Guindos, die ook zo graag voorzitter wil zijn van de Eurogroep. Het is een warme zomer. 

                         *

Duitsland steunt de kandidatuur van de Spanjaard. ‘Dat is niets persoonlijks’, zoals gisteravond een Spaanse politicoloog uitlegde op het Nederlandse journaal dat wij in ons Franse huisje gewoon kunnen kijken. ‘Spanje heeft nog geen belangrijke Europese post binnen Europa en vindt, met Duitsland, dat het daar tijd voor wordt.’ Daarbij komt dat de Spanjaard als minister van Economische Zaken flink bezuinigd heeft in Spanje dat ook op het randje van de Europese afgrond bungelde. Een beloning waard, solidariteit uitbetaald in erebaantjes.

                         *

Tijdens het debat in het Europese parlement waarbij Guy Verhofstadt Tspiras als een kleine jongen de les leest, zie ik een glimlach op het gezicht van laatstgenoemde. Hij heeft een koortslip, Alexis Tspiras. Links, een beetje naar het midden toe, zit op zijn volle onderlip een rooiig blaasje dat ongetwijfeld hindert bij het eten, drinken en glimlachen. Hij zal lange dagen hebben gemaakt, deze rebelse premier. Sjors van de rebellenclub. 

                          *

De nog grotere rebel, Varoufakis, was te brutaal. Deze reed op zijn motor met zijn blonde Griekse schone uit het zicht van de camera’s. Ons achterlatend met het gevoel: ‘was dit alles nu gepland?’ Is het geniale strategie? Een ‘bad’ en een ‘good guy’, een razendsnel georganiseerd referendum, opnieuw voorstellen indienen – bijna dezelfde als die van de gehate trojka – maar nu met de trots van 61 % van de Grieken achter zich? 

                          *

Hij lijkt me slim, die Tspiras. Een linkse strateeg.

                         *

Uit de struiken kruipt voorzichtig, maar kwiek en zilverachtig, een hagedisje tevoorschijn. Even staat hij doodstil op de warme, zandkleurige stenen van het terras. Hij heeft een lange, spits toelopende staart. Bij de minste beweging aan de tafel schiet hij terug, de veilige struiken in. 

                          *

In de lavendeltakken die vlak boven de tegels hangen zoemen dikke bijen. Totaal gefixeerd op de paarse bloemen kruipen ze erop en zuigen ze zich vol.

                         *

Hier in het Zuiden, daar waar vele Noorderlingen dezer dagen naar afreizen in warme, volgeladen auto’s, jagend op de autoroute naar de warmte, is het leven verstild. Winkels in dit Zuid-Franse dorp zijn urenlang dicht, op de kapper, een bloemist en de bakker na. Er ontstaat pas reuring op de wekelijkse marktdag. Dan zijn opeens alle winkeltjes open. Men ontmoet elkaar, koopt een tomaat hier, een olijf daar. Men loopt rustig naar la voiture – niemand hier die fietst – en rijdt naar huis. Daar zit men veelal binnen, te warm om buiten te zijn. De turquoise luiken zijn gesloten.

                         *

Frankrijk en Italië steunen de Grieken. Duitsland en Nederland zijn streng. Estland, Letland en Litouwen balen ronduit van het rumoer rond en getreuzel van Griekenland. Zij bezuinigden dan wel hervormden zo streng dat hun bevolking 40% armer is dan de sneue Grieken. 

                          *

Europa balanceert op het touwtje tussen ijver en rust. Koude en warmte. Tempo maken en doorwerken versus de winkel dichtdoen om uitgebreid te lunchen. Een broodje kaas wegslikken achter de computer of twee, drie verrukkelijke gangen nuttigen in een van de vele restaurants of lekker thuis.

                           *

Wat is wijsheid? Het gevoel zegt dat wij elkaar moeten vasthouden. In het verenigde Europa verdienen wij – in ieder geval Duitsland en Nederland – domweg meer geld. Politieke eenheid zou op termijn de economische positie van Europa nog sterker maken dan deze nu al is. 

                         *

Aan de andere kant zien wij met lede ogen tientallen miljarden euro’s naar het Zuiden wegvloeien. Euro’s die wij ‘uitlenen’ maar waarvan wij diep in ons hart weten, vermoeden, dat wij deze niet terug zullen zien. Niet allemaal althans. 

                          *

‘Wat is een miljard eigenlijk?’, vragen wij ons af, hier in ons gerieflijke, Franse huurhuis. 

‘Duizend miljoen, negen nullen’, weet onze dochter.

‘Honderd miljoen’, denkt mijn man. Maar het is duizend miljoen. Negen nullen.

Nederland leende Griekenland twintig miljard waarvan – zo weet ook onze dochter – wij achttien miljard terug moeten krijgen. Achttien duizend miljoen euro. Achttien duizend winnaars van een miljoen euro in de Staatsloterij. Volgens ons kind moeten we stoppen met lenen. Volgens mijn man ook.

                          *

En ik? Ik twijfel. Ik ben voor het bundelen van de krachten. Voor politieke eenwording in Europa. Voor een duurzame toekomst. Soms een broodje kaas tussen de middag, maar nu twee verrukkelijke gangen in restaurant Cote-Bastide of Au fil de l’eau aan de oever van La Dordogne. Met een glaasje vin du Ste Foye-Bordeaux.

                         *

Bon appetit!

                          *

Nai!

                       ***

De engel


Op een Frans terras in Bergerac is het vinden van schaduw, de l’ombre, van het grootste belang. Een vrouw achter mij is in mijn persoonlijke ruimte minutenlang bezig een vierkante parasol zo te draaien dat deze alle gasten aan de tafel achter mij schaduw verschaft.

Tegenover mij staan dicht tegen elkaar aan middeleeuwse huizen. Bakstenen muren rechts, links glad gestucte, de gevel vergeeld en roetig. De smalle luikdeuren naar het balkon staan half open. Ik fantaseer over de bewoner van de kamer erachter. Een Franse baron van oude, verarmde adel. Een Chinese studente, zo een als we gisteren zagen op een terras in Saint Emilion, geplakt aan haar iPhone. Een oudere dame, denkend aan vroeger tijden, nippend aan haar ‘verre de rosé.’

Een wit kledingstuk, – een onderbroek, een hemd? -, hangt aan de linker balkonrand te wapperen in de wind als een misplaatst spookje. Geen knijpers zo te zien.

Links op de kleurige stoeltjes met dito kussentjes zit een gezin: man, vrouw, meisje en jongetje. Het jongetje is een aanbiddelijk cherubijntje met zachte, blonde krullen. Hij blaast bellen in zijn melk. De ouders vermaken de jonge kinderen met een prentenboek tot het eten arriveert. Ze blijven rustig onder het blazen van hun cherubijntje en het duwen van het meisje tegen de stoel waar haar wankele broertje tegenaan leunt.

De kinderen zitten. En eten gedisciplineerd hun bordje leeg. Met tussendoor een beetje blazen in het melkglas. We spitsen onze oren: spreken ze Frans? Nederlanders zijn het niet ondanks hun blonde voorkomen. De kinderen zijn te rustig. Te lief. Denen? Bij het nader spitsen van de oren blijken het Amerikanen te zijn. Hoe bijzonder: een Amerikaans gezin, dun en blond, op een Bergeracs terras.

Naast ons zit een stel dat voortdurend converseert. Op zachte en beschaafde toon. Kom daar eens om in Nederland. Beschaving op een zonnig terras.

De serveerster bedient in haar eentje de vele, gekleurde tafeltjes. ‘Que est-ce que ce’st votre prenom?’ vraagt ze. En verontschuldigend vervolgt ze: ‘Nous n’avons pas des numeros pour les tables.’ Ook dat is beschaving: wij gasten hebben namen, geen nummers.

Het cherubijntje eet, intussen kleine kreetjes uitslakend van iets willen – de melk, het water, zijn tuitbeker – of gewoon van genot. Het meisje hangt over haar bordje en wrijft in haar ogen. Cherubijntje gooit wat eten op de oeroude Franse pleintegels.

Het meisje staat op en loopt op blote voetjes een rondje om het tafeltje van haar ouders. Zij draagt een spierwit jurkje. Haar blonde haar wappert in het Zuidfranse windje. Het haar waait ondanks het roze speldje in haar gezichtje. Een engeltje.

Tegenover mij zit mijn kind.

Eenentwintig jaar en ook zij, een engel. Een blonde engel met een zwart flaphoedje. Een klein, zwierig zwart rokje om de slanke benen, een shirt met mouwtjes, ze zakken wat af. Een ragdun kruisje van fijne glinstertjes aan een zilveren kettinkje om haar hals. Haar haren waaien, ondanks het hoedje, in haar gezicht. Rustig eet zij haar eten. Zij drinkt haar drinken zonder bellen te blazen in het heldere water.

Comme un ange.