De engel


Op een Frans terras in Bergerac is het vinden van schaduw, de l’ombre, van het grootste belang. Een vrouw achter mij is in mijn persoonlijke ruimte minutenlang bezig een vierkante parasol zo te draaien dat deze alle gasten aan de tafel achter mij schaduw verschaft.

Tegenover mij staan dicht tegen elkaar aan middeleeuwse huizen. Bakstenen muren rechts, links glad gestucte, de gevel vergeeld en roetig. De smalle luikdeuren naar het balkon staan half open. Ik fantaseer over de bewoner van de kamer erachter. Een Franse baron van oude, verarmde adel. Een Chinese studente, zo een als we gisteren zagen op een terras in Saint Emilion, geplakt aan haar iPhone. Een oudere dame, denkend aan vroeger tijden, nippend aan haar ‘verre de rosé.’

Een wit kledingstuk, – een onderbroek, een hemd? -, hangt aan de linker balkonrand te wapperen in de wind als een misplaatst spookje. Geen knijpers zo te zien.

Links op de kleurige stoeltjes met dito kussentjes zit een gezin: man, vrouw, meisje en jongetje. Het jongetje is een aanbiddelijk cherubijntje met zachte, blonde krullen. Hij blaast bellen in zijn melk. De ouders vermaken de jonge kinderen met een prentenboek tot het eten arriveert. Ze blijven rustig onder het blazen van hun cherubijntje en het duwen van het meisje tegen de stoel waar haar wankele broertje tegenaan leunt.

De kinderen zitten. En eten gedisciplineerd hun bordje leeg. Met tussendoor een beetje blazen in het melkglas. We spitsen onze oren: spreken ze Frans? Nederlanders zijn het niet ondanks hun blonde voorkomen. De kinderen zijn te rustig. Te lief. Denen? Bij het nader spitsen van de oren blijken het Amerikanen te zijn. Hoe bijzonder: een Amerikaans gezin, dun en blond, op een Bergeracs terras.

Naast ons zit een stel dat voortdurend converseert. Op zachte en beschaafde toon. Kom daar eens om in Nederland. Beschaving op een zonnig terras.

De serveerster bedient in haar eentje de vele, gekleurde tafeltjes. ‘Que est-ce que ce’st votre prenom?’ vraagt ze. En verontschuldigend vervolgt ze: ‘Nous n’avons pas des numeros pour les tables.’ Ook dat is beschaving: wij gasten hebben namen, geen nummers.

Het cherubijntje eet, intussen kleine kreetjes uitslakend van iets willen – de melk, het water, zijn tuitbeker – of gewoon van genot. Het meisje hangt over haar bordje en wrijft in haar ogen. Cherubijntje gooit wat eten op de oeroude Franse pleintegels.

Het meisje staat op en loopt op blote voetjes een rondje om het tafeltje van haar ouders. Zij draagt een spierwit jurkje. Haar blonde haar wappert in het Zuidfranse windje. Het haar waait ondanks het roze speldje in haar gezichtje. Een engeltje.

Tegenover mij zit mijn kind.

Eenentwintig jaar en ook zij, een engel. Een blonde engel met een zwart flaphoedje. Een klein, zwierig zwart rokje om de slanke benen, een shirt met mouwtjes, ze zakken wat af. Een ragdun kruisje van fijne glinstertjes aan een zilveren kettinkje om haar hals. Haar haren waaien, ondanks het hoedje, in haar gezicht. Rustig eet zij haar eten. Zij drinkt haar drinken zonder bellen te blazen in het heldere water.

Comme un ange.

Advertisements

Leave a Reply

Please log in using one of these methods to post your comment:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s