Het dorp

  
Vrijdag laat in de middag, het werk zit erop, besluit ik een stukje te kuieren. Om een doel te hebben pak ik het boek van de bibliotheek dat ik de avond ervoor uitlas. Mijn hart maakt een sprongetje als ik de mail lees over een vers aangekomen boek bij de bibliotheek. Het kuieren krijgt zowaar een doel. Niet te zwaar, niet te moeilijk want dat hoort er niet bij. Bij kuieren. Dat doelloos langzaam wandelen langs ‘s heren wegen.

                         *

Met een plastic tas waarin ik het gelezen boek, mijn sleutels, de telefoon, betaalkaart en bibliotheekpas heb gelegd loop ik de achterom uit. Onkruid tiert welig tegen de rand van de schuur aan, ik moet dat toch eens weghalen.

                         *

In de winkelstraat staat in de nis naast zijn winkel de eigenaar van de Spar, Johan. Johan rookt een saffie en kijkt om zich heen. ‘Ziet hij mij?’ Ja, natuurlijk, Johan ziet alles en iedereen. En ik zwaai vanaf de overkant met mijn lege hand. ‘Dag Johan!’

                         *

Bij de visboer hapt een flinke dame in een flink broodje. Belegd met…ik kan het niet goed zien. Maar ze smult, zittend aan het tafeltje op het lege terrasje voor de visboer. Naast het reclamebord met krijtletters van kabeljauw.

                         *

Omdat ik bijna nooit loop maar fiets, vergis ik me bijna en druk ik op het oversteek-knopje voor fietsers. Maar nee, ik moet het knopje voor voetgangers hebben. En o ja, rustig aan, ik was aan het kuieren. Ik bedwing mijn onrust voor de oversteekplaats en kijk in iedere langsrijdende auto of ik iemand ken. Nee, ik zie geen bekenden. 

                         *

Het duurt lang voor het mannetje op groen springt. Naast mij staat een vrouw, een oudere dame. Zij loopt zodra het voetgangertje groen wordt mij rap voorbij, doelgericht. Langzaam loop ik verder en he, daar fietst mijn buurvrouw met haar zoontje. ‘Dag Femke!’ Ik loop de bibliotheek in en leg mijn boek in de terugbrengcontainer. Ik sla een blik op de tafel met nieuwe boeken. En de verleiding van een boek over Hans van Z., moordenaar in de jaren zestig weersta ik niet. Mijn gereserveerde boek staat keurig netjes in het rijtje gereserveerde boeken. Met de twee boeken in mijn plastic tasje kuier ik naar het Franse winkeltje op de hoek. 

                         *

In het Franse winkeltje is het heerlijk koel. Een rustig muziekje waait mij tegemoet als een Frans briesje, de eigenaar groet mij vriendelijk, veegt zijn handen af aan de doek die in het open keukentje hangt. 

                         *

‘Wat is het hier heerlijk koel’, zeg ik.

‘Ja, we laten de warmte buiten, het is benauwd buiten’, is het antwoord.

‘Tja, ik weet ook niet waarom ik een jasje aan heb, het is erg warm.’

‘Prima voor hier binnen toch?’, lacht de vriendelijke eigenaar. En begeleid door deze flitsende conversatie koop ik mijn vaste lekkernijen: truffelbrie, rillette de canard, een echte baguette en een superfles rosé. 

                         *

Omdat ik graag mijn kuieren voortzet loop ik over de nieuwe brug, de trambrug, richting de lege, met graffiti bezaaide Jongerenontmoetingsplek, over het Geitenweitje. Het grasveld der dorpsevenementen. Een jong hondje snuffelt aan mijn baguette. Zijn baasje probeert hem te vangen maar speels huppelt hij om mij heen. Zijn vrouwtje is te omvangrijk om het beweeglijke beestje te vangen. Ze spreekt hem bestraffend toe. ‘Deze mevrouw wil hier ook rustig lopen. Je moet wel naar me luisteren.’ Ik houd mijn tasje met baguette wat hoger en kuier verder.

                         *

Het gegil van kinderen in de grootste speeltuin van Europa komt mij tegemoet. Een zware stem beveelt een groep jonge kinderen in de rij te gaan staan. Ik zie kleurrijk geklede jongetjes en meisjes met rugzakjes braaf twee aan twee achter de stem aan lopen. 

                         *

Het hardste gegil komt uit het spartelbad verderop en neemt toe als de bruine emmer, die zich langzaam vult met water, omkiepert op de hoofden van verwachtingsvolle kinderen. Zwarte, bruine en witte glibberkinderen in felgekleurd zwemgoed. Ouders met opgestroopte broekspijpen, hun voeten in het water, kennelijk immuun voor het gegil om hen heen kijken vertederd toe.

                         *

Onder het bruggetje verderop zwemmen drie zwanen, twee grote en een kleine. Een lelijk zwaantje. Als ik te ver over de reling hang komt de ene grote zwaan mij met gestrekte hals tegemoet zwemmen. Ik las wel eens wat over zwanen die hun jong verdedigen en ik vervolg mijn tocht. 

                         *

Het dorpsrondje zit er bijna op. In onze rustige buurt ruikt het naar bomen en bladeren. Vergis ik mij en ruik ik het najaar? Of zijn het de vochtige zomerblaadjes, gevallen in de zomerstorm, doorweekt geraakt door de voorbije regenweek, nu opdrogend in de warmte? 

                         *

Als ik thuiskom zit het erop. Mijn kuierrondje. C’est-tous.

                       ***

“Kuieren”
Kuieren, wat een zalig woordje, ‘kuieren’

Kuieren, met de handjes op de rug

Kuieren: da’s ‘t vertikale luieren

Kuieren, maar vooral niet te vlug
Ik vind: die trage tred heeft dat old-fashioned sjieke

Niet dat fanatieke, maar dat kalmpies anne laconieke
Kuieren, wat een zalig woordje, ‘kuieren’

In deze wereld van geraas en druk gedoe

Want dat driftige, giftige, ik-mot-zo-nodig blijkt au fond toch overbodig

Kuieren, c’est-tous
                  (…)

Toon Hermans (1916-2000)

Advertisements

Leave a Reply

Please log in using one of these methods to post your comment:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s