Gouden race

  
In de lichtblauwe lucht lopen zwarte wolken als inktvlekken op een blauw vloeipapiertje uiteen. Zo’n zijdezacht vloeivelletje waar je vroeger op school wel eens bloemen van vouwde of raamwerkjes van knutselde met het vloeipapier als nep glas-in-lood. 

                          *

Als je geluk had hing je moeder je werkje trots tegen het raam en daar verkleurde het in de loop der jaren. Het zwart werd stoffig, de kleuren van vloei verdwenen langzaam maar zeker zoals je jeugd verdween, oploste in dof zwart en een vaag kleurenpalet.

                        *

In de trein naar Delft zit ik in een vierkantje met drie donkere dames: een Aziatische, een Marokkaanse, en – gokje – een Tunesische dame. De Tunesische spreekt in ieder geval Arabisch in het luidsprekertje van haar gloednieuwe iPhone. Ze heeft de telefoon voortdurend in haar hand, panklaar voor gebruik. De witte oordraadjes dwarrelen frivool naar beneden over haar rode t-shirt. Haar jas met Burburry-voering ligt op haar schoot. 

                          *

Het is een vredig kwartet. De Marokkaanse zegt: ‘sorry’ bij het weggaan omdat de Tunesische haar been wat moet intrekken. De Aziatische dame lacht mij vriendelijk toe bij het weggaan. Ik schrijf er op los op het kleine toetsenbordje van mijn zwarte IPhone. En ik ben er. Eerder dan ik dacht. In Delft.

                          *

Na mijn Delftse afspraak loop ik de Oude Delft op. Rechts ligt het museum Prinsenhof met daarachter een prachtige tuin. In het midden van de tuin staat Willem de Zwijger. De Pim Fortuyn van de 16e eeuw. Neergeschoten, hier op het Prinsenhof. 

                           *

Een bruidspaar stapt uit een witte, open sportauto. De familie dwarrelt om het paar heen, inclusief twee onwillige bruidskinderen. Een jongetje op zwarte, puntige lakschoentjes wandelt langs me, gevolgd door een parmantig bruidsmeisje op hooggehakte spierwitte schoentjes. Starend naar hun schoentjes klikklakken ze door de tuin van de Vader des vaderlands.

                         *

‘Brian, rustig lopen!’, vermaant de vermoedelijke oma met een schelle stem. ‘Brian, hier blijven!’ Oma probeert beschaafd te blijven. Ik vermoed dat Brian wel eens pittiger door oma wordt aangepakt. Maar he, we zijn op historische grond, laten we het gezellig houden, het is tenslotte feest. De stem van oma dreunt nog lang na. Een onaangenaam geluid. 

                          *

Intussen krijgt een baby verderop een driftbui van jewelste. Hij of zij schreeuwt de hele boel bij elkaar. Tijd om op te stappen. Ik slenter de stad in die ik niet ken. Grachtjes met overhangende bruggetjes, gifgroen water, plukjes toeristen, studenten met witte t-shirts en ballonnen in de hand. Een zonovergoten stad. Op de markt zie ik een vierde bruidspaar. Er wordt hier wat afgetrouwd vandaag. 

                          *

Het stadhuis van Delft ligt er schitterend bij. Hugo Grotius kijkt met voorname blik uit over de markt, zoals Laurens Janszoon Coster uitkijkt over Haarlem. Het stadhuis en de markt lijken op die van mijn geboortestad. Iets meer goud hier dan in Haarlem, het blinkt in de zon. Ik neem een kijkje in de Nieuwe Kerk. Ik meen me te herinneren dat daar de koninklijke familie haar grafkelder heeft. 

                           *

De toegang tot de Nieuwe Kerk in Delft kost geld. Voor het eerst in mijn leven zou ik moeten betalen voor een kerkbezoek. Ik draai net zo hard de deur uit als ik binnendraaide. Zo ver gaat de liefde niet en voor ik het weet loop ik weer de zonnige stad in. 

                           *

Ik denk aan mijn medereizigers van net, de dames uit alle windstreken. Ik zie de opbollende, witte trouwjurken -vol hoop en verwachting – in deze stad met historie, beschenen door zoveel zon, en mijn gedachten nemen een U-bocht naar de beelden die ik van de week op televisie zag. 

                          *

Een vrachtauto langs de kant van de weg, een omgevallen boot met gesloten ruim, een spoorlijn vol sjokkende mensen, een oude heer, lopend met krukken, een traan hangt op zijn stoppelwang: ‘weet u waar ik moet zijn?’

‘Nog twee kilometer, daar is een opvangkamp.’ De man, nog een traan, hij pakt zijn krukken en strompelt voort. Zijn plastic tasje zwaait mee op het ritme van de stok. 

                          *

Intussen schrijft, zonder dat ik het weet om 15.00 uur vanmiddag Dafne Schippers 21-eeuwse oranje historie. En ik hoor de laatste woorden van Willem de Zwijger, Willem van Oranje, Vader des vaderlands:

                          *

“Mon Dieu ayez pitie de mon âme; Mon Dieu ayez pitie de ce pauvre peuple” (Mijn God, heb medelijden met mijn ziel. Mijn God, heb medelijden met dit arme volk)
                        ***

Advertisements

Leave a Reply

Please log in using one of these methods to post your comment:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s