Memory lane

  
Het schemert nog geen eens en ik zit aan tafel. Het is 6.33 uur. Naast mij verandert het donkere gat achter de glazen schuifpui langzaam in wat lichters, de bomen steken de lucht in als grillige gedaanten tegen een grijslila wand. Het is vroeg. Stil. De ijskast zoemt. 

                         *

Weken vol werken vloeien in elkaar over als zand door de vingers glipt de tijd. Zomer gaat over in herfst. Bij het weggaan ‘s ochtends knisperen bladeren onder de schoen. Frisse lucht dwingt tot jas, vest, laars. Ik zag het opeens, gisteren, rijdend langs een bomenrij: dunne stammen met daarop een helgele bol van bladeren. 

                         *

‘Mam, ik kom morgen naar huis. Dan blijf ik vier dagen om te leren. En ik kan dan weer eens bij opa langs.’ Het bericht van een kind zoeft van de week voorbij, net als zijzelf. Een wervelwind van fris en jong, kleding rondstrooiend, papieren liggen her en der verspreid over de tafel. Een etui in de vorm van een haai staart mij aan. “Hoe vind je die? Leuk he?’ Verwachtingsvol kijken 21-jarige ogen mij aan. De ogen staan nog net zo als 21 jaar geleden. Toen leken ze nog groter. Wijd opengesperde, heldere spiegels. Het kind keek dwars door ons heen. “Je moet niet zo staren’, dat hoort ze nog steeds. Kijken en denken. 

                         *

‘Om 11.00 uur komt Adua. Zullen we ergens anders heen gaan om te werken?’ Dat vind het kind fijn. Adua de hulp. Het is onrustig werken met iemand die telkens ‘sorry’ roept bij het binnenlopen, de prullenbak leegt, zuigt. Ik verhuis van kamer naar kamer. Nu moeten wij beiden verhuizen met lap-top, Ipad, Iphone, boeken en papieren. Beter is het weg te gaan. 

                         *

We rijden naar Bloemendaal. Het dorp van mijn kindertijd. Door een kleurrijk decor van pre-herfst rijden wij langs brede lanen. De kinderboerderij, de hockeyvelden. De huizen, zo anders, zo groot. Kinderen spelen op straat. Het zijn kinderen in goede doen. Zij spelen in mooie kleren, hebben het nieuwste speelgoed. Een jongen zoeft voorbij op wat later een zelfrijdend wieltje blijkt te zijn. Hooghartig kijkt hij neer op de andere kinderen, op ons, voorbijgangers.

                         *

Ik staar naar buiten. De tuin naast mij krijgt kleur. De uitgebloeide druif met trosjes druiven als kleine knikkers kleurt van zwart naar lichtgroen. De boom van de buren, donkergroen. Rood is de geranium die nog bloeit. Het opkomende licht weerkaatst in de dakkapel van onze overburen, ver weg. Waar blijft de krant? Een kop thee heb ik op, de ander staat lauw op mij te wachten. 

                         *

In het koffietentje staat een grote ronde tafel. Daar zitten wij met lap-top, tas en iPhone. Moeders met kinderen, vaders met kinderen, een man alleen. Maar wij werken.

‘Wat wilt u drinken?’ Een blonde vrouw met grijs schort en een notitieblokje in de hand staat naast ons. Wij willen cappuccino en cafe latte. Later willen wij een broodje. En nog wat later eindigen wij buiten in de middagzon met thee en citroentaart. Maar dan is het werk gedaan. We hebben het verdiend.

                          *

Terug rijden wij, langs de kinderboerderij, het pannenkoekenhuisje, Thijsse’s hof, mijn oude, lagere school. ‘Dat ligt er mooi, mam’, zegt mijn kind. En ja, dat ligt er mooi. Het gebouw waar mijn schoolleven begon, afzakkende, witte kousen, een zelfgemaakt smock-jurkje, donkerbruine pijpenkrullen. Verlegen aan de hand van mijn moeder, zwaaiend met een plat schooltasje van rood leer. Een gesp als sluiting. 

                         *

‘Kijk, daar woonde de concierge’. Ik wijs naar het huisje dat vastgeplakt aan de school als het huisje van Hans en Grietje staat. In het bos. ‘De concierge reed ook het schoolbusje.’

‘Het schoolbusje? Hadden jullie een schoolbusje?’ Ja, in dat Volkswagenbusje reden wij naar school en werden wij thuisgebracht. Vechten wie er bij de schuifdeur mocht zitten. Deze mocht je open en dicht schuiven bij ieder kind dat in-en uitstapte. Of je zat achterin, zalig heen-en-weer schuivend bij iedere bocht.

                         *

‘Ach ja, we leefden een beetje boven onze stand. Mijn moeder wilde perse deze school voor ons, we kwamen iedere dag van Haarlem hierheen.’ Mijn moeder. Het beste was niet goed genoeg. Deze school in dit dorp moest het zijn. Het dorp waar zij ook zelf les had gegeven, een groene omgeving, rustig, op stand. En niet haar kinderen op de stadsschool om de hoek ‘waar ze in elkaars haren hangen alsof het klimtouwen zijn’, zoals ze altijd beweerde. 

                         *

‘Kijk, hier woonde Ellen!’, wijs ik mijn kind. Het huis ligt verscholen achter hoog groen. ‘Je ziet niks’, zegt mijn kind. En ik denk aan al de keren dat ik bij mijn beste vriendin tussen-de-middag at. We liepen de school uit, de laan in en we waren er. Bij het huis met het rieten dak. Een hond, vijf kinderen, drukte en gezelligheid. ‘Wil je een gebakken ei?’ En ja, dat wilde ik. Op King Corn brood want dat hadden ze daar. Na het middageten liepen we samen terug naar school. Langs het bos, de laan uit, het schoolplein op. 

                         *

We rijden verder langs kapitale villa’s omgeven door groen, bos en duin. ‘Mooi is het hier’, zegt het kind naast me.

                         *

Ja, het is mooi. Het was mooi. Onvergankelijke schoonheid. 
                        ***

De notenkraker

 Als we bij mijn vader binnenkomen roep ik luid en duidelijk: ‘hoi!” Dat moet hem behoeden voor schrik alhoewel hij beweert ‘nooit ergens van te schrikken’ en hij ervan op de hoogte is dat ik kom want ik bel altijd van tevoren.

Een gesmoord: ‘hoi, ik zit op de w.c.!’ krijgen we terug. En wij lopen door naar de huiskamer.

                         *

‘Wat is het hier lekker warm’, zegt mijn man die dit keer meegekomen is. Hij draagt een bos bloemen die hij gisteren kocht. ‘Geef die maar aan je vader’, zei hij. En dat is lief. Ook krijgt mijn vader een zak walnoten. Deze stonden laatst op het boodschappenlijstje. Mijn man nam ongepelde walnoten mee en wij hebben geen notenkraker. Dus geef ik de walnoten aan mijn vader. Sinds jaar en dag staat er een notenkraker pontificaal op zijn eettafel in zo’n rond houten bakje. Voor zover ik weet kraakt hij nooit noten. Nu kan hij de kraker eindelijk eens gebruiken.

                         *

Als mijn vader uit de w.c. komt loopt hij ons tegemoet. Hij begroet mijn man alsof hij hem jaren niet gezien heeft, zo vriendelijk begroette hij hem niet eerder. ‘Leuk om je weer te zien!’, roept hij min of meer stralend. Mijn man ondergaat lachend-verbaasd de vriendelijke bejegening van zijn altijd zo stugge schoonvader.

‘Wat willen jullie drinken?’, vraagt mijn vader.

‘Voor mij wat water en Raym wil wel een kopje koffie’ antwoord ik. En ik loop naar de keuken om een handje te helpen. Zijn boterham en geroosterde krentenbroodje liggen klaar, evenals de geschilde appel. Ook staat op het aanrecht een kopje koffie koud te worden. Mijn vader vult de Senseo bij, nieuw water erin, even denk hij na over de plek van de pads, o ja, in de kast, en hij pakt er een uit.

                         *

‘Zal ik alvast de boterham naar binnen brengen en je koffie?’, vraag ik.

Mijn vader is zo druk bezig met de koffie voor mijn man dat hij mij niet hoort. Ik breng de twee bordjes en zijn lauwe koffie naar binnen. 

                          *

Op het hoge zitbankje neemt mijn man een sushi-test door in de Consumentengids. Mijn vader ontvangt zo lang als ik mij herinneren kan de Consumentengids. Ik buig over mijn man heen en samen lezen wij dat alle sushi onhygiënisch wordt klaargemaakt. In Hillegom krijgt het nieuwe Sushi-restaurant een 5,4. Het op een na hoogste cijfer van alle sushi-restaurants.

                          *

Daar komt mijn vader aan met de koffie voor mijn man. Hij vertelt dat hij net keek naar het programma Buitenhof.

‘Dat ging over de vluchtelingen’, vertelt hij. En dan ontspint zich een discussie die in vele huiskamers wordt gevoerd: wel vluchtelingen opvangen, maar het zijn veel mensen, hoe moet ons land zich voorbereiden op zo’n instroom, wat betekent dat voor de samenleving, voor Europa nu en over twintig jaar? Opvang in de regio, alle oorlogen daar en elders, we raken niet uitgepraat. Een oplossing hebben we niet, alleen gedeelde zorgen.

                          *

We spreken kort over de kinderen, daarna over Berlijn. Daar gaan mijn man en ik binnenkort heen. Mijn zeer bereisde vader was er nooit en ik merk dat hij dat heel jammer vindt. Het liefst zou hij in de auto springen en ook naar Berlijn gaan. Maar dat gaat niet meer. Hij loopt belabberd, is echt te oud voor een reis, laat staan een stedenreis.

                          *

Na een bezoek van ruim een uur stappen we op.

‘Je moet nog even wat voor me doen!’, zegt mijn vader. ‘De Tom Tom moet worden ingesteld want ik ga vrijdag naar Humphrey en Moon.’ Humphrey en Moon zijn mijn vaders stokoude, in Amerika wonende, neef en diens vrouw. Zij zien elkaar een maal per jaar. Dan rijdt mijn vader naar het huis van hun dochter in Voorburg waar zij verblijven. Onderweg pikt hij nog zijn stokoude nicht Ottie op in Zoetermeer. 

                         *

Vorig jaar – ‘ik ken de weg op mijn duimpje!’ – verdwaalde hij en kwam hij terecht in de krochten van Den-Haag. Hij moest opeens heel nodig plassen ‘door die verrekte plaspillen’ en strompelde een buurthuis in. ‘Een prachtige gelegenheid, allemaal zalen waarin cursussen gegeven worden!’, volgens mijn vader. Hij nam nog een folder mee van het Haagse buurthuis. 

                             *

Ik type het adres in van nicht Ottie en neef Humphrey. Ik laat hem zien dat beide adressen nu te vinden zijn met een vingerdruk op het icoon ‘Vorige bestemming.’

‘Maar ik wil ook mijn adres in de Tom Tom zetten. En dat lukt mij steeds niet.’

‘Je eigen adres?’ Dat staat hier’, wijs ik, ‘onder Thuis’. 

Mijn vader kijkt naar de Tom Tom of hij water ziet branden. Ik laat hem nogmaals het icoon zien van het huisje. Hij drukt erop en ja, daar verschijnt zijn adres.

‘Kijk, zie je, hier staat de pijl, op de Scholtenlaan.’

‘Maar dat heb ik niet ingesteld.’

‘Nee, dat deed ik al eerder, weet je nog, toen je hem kocht hebben we dat adres erin gezet als huisadres.’

Maar dat weet hij niet meer.

                           *

En nu ga ik een andere discussie aan.

‘Ik vind het geweldig dat je nog rijdt pa, maar naar Voorburg en Zoetermeer…, dat is een eind rijden. De vorige keer vond je dat ook al best lastig.’

Maar daar vergis ik mij in. En ‘ik rijd prima!’ volgt direct daarop.

Ik loop op eieren: ‘Ja, je rijdt prima, hier in de omgeving maar op de snelweg richting Den-Haag is het druk en iedereen rijdt hard…’

Ook mijn man doet een duit in het zakje: ‘Bent u niet lid van zo’n taxidienst?’, vraagt hij.

Ik ga er gretig op in: ‘ja, Valys, daar ben je toch lid van pa?’

Ja, daar is mijn vader lid van maar nooit maakt hij daar gebruik van omdat hij ‘nog prima zelf kan rijden.’

                            *

Het einde van het eigenwijze liedje is dat ik aanbied hem vrijdag te rijden.

‘Dat is wel een aanlokkelijk aanbod’, weifelt mijn vader. 

‘Ik zit niet rustig als ik weet dat jij zo’n eind gaat rijden, pa, dan breng ik je liever zelf.’ Ik denk aan de vijftig minuten heen, het gesjouw met een oude nicht ‘zij loopt nog moeilijker dan ik en volgens mij is ze dement’ en daarna met de twee oudjes naar Voorburg. Wachten daar, de nicht naar huis brengen en weer vijftig minuten terug. Dat kost mij een dag. Ik zucht.

‘We hebben het er nog wel over’, zeg ik. 

                             *

Tijdens het fietsen naar huis bedenken we dat hij niet zelf moet rijden, ik niet moet rijden, maar hij met de Valys mee moet. 

‘Als er wat gebeurt vrijdag met hem in die auto voel jij je schuldig’, zegt mijn man. En zo is het. 

                            *

Wordt vervolgd.
                          ***

Taart

  
Het is dinsdag 15 september. Donker groen buigt naar rechts, loden luchten jagen boven zwaaiende takken. Op de Gooise weg/s112 valt al dwarrelend een zeskantig blad op het asfalt. Met een aandoenlijk bruin steeltje. Ik rijd er overheen.

                        *

Op deze dag met klinkende regenbuien, donderwolken en katten die voor geen goud naar hun geliefde buiten gaan, komt het niet van schrijven. Tot hier. De file op de Gooise weg ordent gedachten. Het ondergedompeld zijn in de herfst in deze behaaglijke cocon, de warme auto, haalt de woorden tevoorschijn waar ik overdag tevergeefs naar zocht.

                          *

Op vrijdag 18 september maken buien plaats voor blauw met witwatten wolken. Op tafel liggen kranten, kruimels en de iPad. Een half vol glas thee, de pot erachter. Opeens overvalt me de zin in taart. Appeltaart.

                         *

‘Zal ik een appeltaart bakken?’, roep ik richting de voorkamer. Daar ligt de verse student met laptop op schoot, oordopjes in. We praten hier in huis alsof we met slechthorenden samenwonen. HARD en DUIDELIJK anders krijg je GEEN REACTIE.

                         *

‘Huh, eeh, ja, wat voor een taart?’ vragen de oordopjes.

‘EEN APPELTAART!’, is het antwoord.

‘O ja, lekker!’

                          *

En ik bak een taart. Met twee oude rimpelappels en vier gladde groene. Dat van die rimpelappels vertel ik de hardhorende niet. Gisteren vroeg hij zijn vader om een appel: ‘zonder ook maar iets erop, pap, geen deuk of bruin plekje, anders lust ik het niet.’ Vanaf zijn tweede jaar begon de verregaande kieskeurigheid en kokhalzen-bij-iets-‘vies’. De kieskeurigheid houdt al zestien jaar stand.

                         *

Als ik de laatste hand leg aan de taart beweegt er iets in mijn ooghoek: de student is in beweging gekomen.

‘Ik ga zo nog even naar Romee.’

‘O, net nu ik de taart afheb…’ Hij knikt verlegen en ik zeg hem direct dat ik het niet erg vind alleen te zijn, ook niet met taart. ‘Geen probleem!’, roep ik vrolijk.

                         *

‘Mag ik de wagen?’ 

‘De wagen?’

‘Nou ja, de auto, bedoel ik.’

‘Ja, natuurlijk.’

                         *

En daar gaat hij. Opgedoft in de wagen naar Romee. 

                         *

Een uur later is de taart klaar. Ik snijd een warm puntje af. Lekker.

                       ***

De Snuifas

  
Ze bestaan. De lullo’s. En wij hebben de eer tegenover en naast zes verse exemplaren te zitten. In de trein van Delft naar Heemstede.

‘Moet ik Ditmar even bellen?’

‘Eds en Ronald zouden direct erheen gaan.’ Opmerkelijk. Ronald. Dat is nu typisch zo’n zeventiger-jaren naam die ouders gaven aan hun zoon als ze het echt niet meer wisten. Geen lullo-naam. Ditmar en Eds passen aardig in het plaatje. Maar Ronald…nee.

                         *

Deze heel jonge lullo’s dragen een pak, een gekreukte witte bloes, een van hen draagt nog de oranje das van de vereniging. Vijf van hen deden de das af. Slordig opgevouwen in hun hand stappen ze ermee de coupe in. Alleen tegenover en naast ons is nog plek. En daar ploffen ze neer.

                        *

‘Kut’, ‘Superkut’, ‘chickie’ en ‘nice’ vliegen ons om de oren. Ze hebben het over ‘zo’n goser’, een foto op de iPhone is ‘bueno’. De andere jongens die ze gaan ontmoeten heten Juul, Siep en Sicco. 

                         *

De jongen die het meeste weg heeft van een VVD-er-in spe, een frappante look-a-like van minister van der Steur, vertelt dat hij morgen de bachelor-party heeft van zijn stiefvader. Een onbegrijpelijk gebeuren voor mij. Bachelor-party van zijn stiefvader? Daar snap ik niets van. Of is het zijn toekomstige stiefvader? De man die gaat trouwen met zijn moeder? We komen het niet te weten. De anderen luisteren lief naar hem.

                         *

‘We gaan bowlen en daarna uit eten’, meldt de jonge Ard met een onvervalste Haarlem-r. Dat bowlen klinkt toch weer lekker gewoon. En ze gaan vanavond naar Haarlem, want ze hebben het over uitgaan bij Stalker of de Koning. Dat laatste tentje heeft ons, ouders van twee post-pubers, destijds een fiets, portemonnee met inhoud en peperdure jas gekost. ‘Ook mijn ID-kaart ben ik kwijhijt…’ vernamen wij van een snikkend kind om 3.00 uur ‘s ochtends, waarna wij haar ophaalden in de stikdonkere stad. De fiets en portemonnee waren gestolen, in de peperdure jas zat een brandgat van een sigaret. De wit-wolkige voering pulpte er daarna voortdurend uit. Daar hielp geen naald en draad tegen. Exit dure jas. 

                           *

We kunnen genieten van de heren de hele treinreis van Delft tot en met Heemstede. Daar gaan ze eruit. ‘Dat appte Ditmar net, lullo! We moeten eruit in Heemstede!’ ‘Heemstede-Aerdenhout zal je bedoelen ‘, verbetert de hockey-captain. Grappig is dat ze spreken over de rector magnificus met de klemtoon op fi in plaats van op ni. Dat is niet juist, heren! Lullo’s! Maar ik hou mijn mond en tik lekker door op mijn iPhone. Zo nu en dan laat ik wat lezen aan mijn dochter. Zij heeft een paar mooie aanvullingen op het lullo-jargon.

                         *

Een van de jongemannen heeft in zijn gele Jumbo boodschappentas wat biertjes meegesjouwd. ‘Matties’ heten deze, oftewel ‘amigos’. ‘Geef mij nog zo’n mattie, pik!’ Nu hebben ze het opeens over goede kappers, dat zijn kappers ‘waarbij je niet hoeft te lullen.’ Dat schijnt belangrijk te zijn. ‘Mijn kapper lult zelf heel veel en verwacht niets terug.’ Dat is ook goed. 

                         *

Ik geniet. Mijn dochter kijkt alleen maar zo nu en dan op van haar iPhone. Deze jongens lijken in zekere zin op haar jongere broer: veel bravoure, een dikke Haarlemse ‘r’, bier drinken en tussendoor wat studeren. Dat schijnen ze namelijk wel eens te doen. Zeer terloops. Soms. Stiekem ‘s avonds in bed waarschijnlijk. Of het weekend voor de tentamens twee keer 24 uur doorblokken. 

                         *

Het thema is verschoven naar de hockey. Ook dat nog. ‘Ik ben captain’, verkondigt de lullo in het hoekje. ‘Superkut’, meent de rest. Als een lullo in Haarlem afscheid neemt ‘ik ga er hier uit’, krijgt hij vijf high fives en mompelen ze allen vriendelijk ‘later(z) ‘. 

                         *

De ‘matties’ zijn op. Mijn theorie over 24 uur doorblokken blijkt te kloppen want de kleinste en knapste lullo doet een master. Hoe doen die gasten dat? Hij had het wel even ‘ziek druk, onmenselijk gewoon, man!’, maar na de onmenselijk zware dagen gaat hij ‘chillen’ met zijn ‘chickie’ in Parijs. Het ‘chickie’ doet een minor in Parijs. De kleine heeft nog een leuk Fransgetint weetje. Als je in Amerika scheldt zeg je: ‘excuse my French!’ De kleine, ik zie hem over tien jaar senior zijn in een groot bedrijf. Twee van de vier hockeyende kindertjes zijn geboren, zijn chickie zal met haar Franse minor niet verder komen dan haar SUV, tennis op vrijdagochtend en zo nu en dan opdraven bij een receptie.

                         *

Over tien, twintig jaar is het leven een beetje over deze gasten heengegaan. Ook hen blijft waarschijnlijk niets bespaard. Ziekte, dood, scheiding, ontslag. Sommigen zullen te hard werken, een burnt-out krijgen wellicht. 

                         *

De bravoure gaat er af. Ze krijgen een buikje. De hockey-captain hobbelt waarschijnlijk nog een beetje mee in het veteranenteam. En stiekem vind ik dat jammer. Ze zijn aandoenlijk, deze jonge lullo’s, de hele toekomst voor zich, met hun ‘chickie’ in Parijs, een stageplek op de ‘Snuifas’, feesten en stappen, hockey en een beetje studeren. 

                          *

‘Een stage op de Snuifas.’ Grinnikend loop ik de trein uit. Eds, Ronald en Ditmar wachten hen beneden op. Een van hen houdt een bos bloemen vast. Ze stappen in twee aftandse autootjes en scheuren er vandoor. Het leven in.

                          *

Ciao amigos!

                         ***

Al Djannah

  
Het telkens gewaarschuwd worden voor de laatste zonnige dag als een soort Dag des Oordeels maakt me nerveus. Er ligt een berg werk, het te verschonen beddengoed doet de neus ‘s nachts kriebelen, een kind moet naar het station worden gebracht en een rondje hardlopen zou geen overbodige luxe zijn.

                          *

Daarbij komt dat onze hulp Adua om elf uur arriveert. Mij bekruipt altijd gêne als ik, thuis werkend aan mijn bureau of keukentafel, haar al poetsend in onze badkamer vrolijk Ghanese liederen hoor zingen. Ik werk ook, maar het ziet er niet uit als werken: priegelen op de iPad met wat papier en opgerolde flap-overs naast me op tafel. Het weegt bij lange na niet op tegen het zwoegende geboen van Adua. En in de tuin werken kan ik al helemaal niet: het eeuwige schuren, timmeren en zagen is hier op die laatste zonnige dag van het jaar alweer vroeg van start gegaan.

                           *

Na het wegbrengen van het kind dat snipverkouden en hoestend, flink bepakt en bezakt, de auto uitstapt, besluit ik te werken op het strand. Kopje koffie, zon op de Dag des Oordeels en de iPad. Dat moet lukken.

                        *

Het is een goed idee: het terras is op een paar keuvelende echtparen en damesstelletjes leeg. Veel bezoekers lezen een boek, weggezakt in een loungebank. Ik neem zelf plaats op een stoel met tafel: gekomen om te werken, nietwaar?

                       *

De stoel is laag: dit is geen ARBO-verantwoorde houding. Stiekem pak ik een dik kussen van de naastgelegen loungebank en hopla, ik stijg een centimeter of drie. Een gebruinde veertiger met wilde, blonde haren brengt mijn koffie verkeerd en verschaft mij het WIFI-wachtwoord. Ik log in en start met tikken. 

                           *

Zo nu en dan vang ik flardjes gekeuvel om mij heen op: het hoofdthema is vluchtelingen, de meningen zijn verdeeld.

‘Snap je dat nu, in de jaren zestig verwelkomden wij de Hongaren en kijk, hoe onverdraagzaam zij zich nu opstellen tegenover de Syriërs…’, verzucht een dame-van-in-de-zestig. 

‘Ja, er zit een heel rechtse regering daar’, weet haar vriendin, ook dame-van-in-de-zestig. Ze nipt aan haar glaasje witte wijn.

‘Ik vind dat we open moeten staan voor oorlogsvluchtelingen’, meent dame 1.

‘Nou.., je kunt toch niet hier de hele wereld ontvangen…’, weerspreekt haar vriendin. Ik werp me maar weer op mijn verslag. Ik weet ook de oplossing niet en dan is het schrijven van zo’n verslag wel een aangename afleiding.

                          *

Het echtpaar links van mij nuttigt een Noordzeeplateau voor twee, ook al onder begeleiding van witte wijn. ‘Garnalen, kabeljauw, een versgesneden harinkje en wat krabsalade’, somt de gebruinde veertiger geroutineerd op. Ik ben inmiddels overgestapt van koffie verkeerd op Spa blauw. Zo veel te doen. Mijn rug verstijft, de werkhouding is niet optimaal. Ik verschuif het kussen naar de rugleuning. Nu zit ik wel te laag, maar voor mijn rug is dit beter.

                        *

Ik tik lustig door, alle lekkernijen om mij heen manmoedig weerstaand. Maar rond half twee slaat de verleiding toe. Ik neem een broodje garnalenkroket. 

                         *

‘Wat bijzonder is het toch dat wij hier zo heerlijk zitten’, hoor ik dame 1 verkondigen. Dame 2 is het roerend met haar eens. ‘Ik moet ergens heen’, zegt zij plotseling. O ja? Wat een verrassende move tijdens zo’n gezellig samenzijn. Al gauw blijkt dat ‘ergens heen moeten’ gewoon betekent dat zij naar de wc gaat. Iets dat dame 1 direct begrijpt. ‘In het restaurant, aan het begin, bij de ingang rechts’, helpt zij haar vriendin. 
Bij terugkeer blijkt de wc-bezoekster de rekening betaald te hebben. ‘Hoeveel was het?’, informeert de vriendin. Wat zou ze doen? Is dame 2 in een genereuze bui? Of wordt het sam-sam? ‘€59,60 was het.’ Het wordt sam-sam. Zonder op te kijken van mijn iPad-scherm hoor ik het uitwisselen van contant geld, het openen en sluiten van portemonnees met zo’n klik-klak-sluiting. Rustig pratend verlaten de vriendinnen het terras. Om drie uur ‘s middags op deze laatste mooie dag van het jaar pak ik mijn spullen bij elkaar. Thuis ga ik verder: het beddengoed moet in de droger en de werkjes maak ik daar wel af. 

                         *

In de strandtent verderop staat een trouwambtenaar onder een baldakijn. De aanwezigen klappen. Het huwelijk is voltrokken. Ik kijk nog een keer om en zie het zachte zand, een licht briesje aait mijn gezicht, een kalme zee. Geen jongetje in de langzaam-aanrollende branding met een rood shirtje aan, een blauw broekje, klittenbandschoentjes. Dat jongetje zingt en springt in de hemelse tuinen van het Paradijs, al Djannah. 

                       *

De Dag des Oordeels. Deze is al geweest.

                      ***

Ochtend

  
Citaat van Joost Zwagerman uit ‘De openbaring’ in een mail aan Freek de Jonge. Joost had een heel Andere Ochtend.

                         *

In de krant staat een fijn recept: roergebakken, Thaise rijst. Ik zit aan de grote tafel bij het raam, krijg langzamerhand kippenvel van koud wordend zweet. Opdrogend zout op mijn huid, opgelopen tijdens een rondje hardlopen. In de duinen was niemand. Door het zware en volle groen schitterden stralen zonnebanen. Uit het doornatte gebladerte viel zo nu en dan een druppel. Tik op de paden, tik, tik. 
                           *

Tijdens het lopen schiet de droom van ‘s ochtends vroeg weer inslapen mij te binnen: een dunne baby die in een rood badje moet. Een tuin van een ander waar ik op bezoek ben. Een huis met gangetjes en deurtjes: aan de rechterkant hangt een bordje met de naam V. Kindernamen erbij. Tijdens het lopen bedenk ik mij waar dat vandaan komt: de naam van een gezin van vroeger, een kind dat ik lesgaf. Een stil, teruggetrokken gezin, een verlegen knulletje met bril. Het onbewuste is van een raadselachtige schoonheid en mysterie.

                           *

Buiten hangt een grijze lucht boven de trossen druiven. De geraniums krijgen een tweede leven, tot mijn vreugde staan nieuwe felrode kopjes tussen het groen. Opeens wordt het grijs beschenen door de zon. Een lichtrand ontstaat als de oplichtende rechthoek van onze televisie: Ambi Light lucht.

                          *

Een warme douche zou het kippenvel verjagen, wachten maakt het uitgestelde genieten groter. De krant is uit. De poes ligt in de vensterbank op de uitkijk naar niets. Niets gebeurt hier. Het is stil, angstig stil. Wij horen niets, geen vogel, geen auto, geen apparaat dat heggen vervaarlijk snoeit. Niets. Een onbedaarlijke stilte.

                           *

Ik ga douchen. Vanavond eten wij roergebakken Thaise rijst. Met garnalen. Geen gedroogde maar echte.

                         ***

Korreltjie sand

  
Korreltjie sand  



Korreltjie korreltjie sand 

klippie gerol in my hand 

klippie gesteek in my sak 

word korreltjie klein en plat 

 

Sonnetjie groot in die blou 

ek maak net ‘n ogie van jou 

blink in my korreltjie klippie 

dit is genoeg vir die rukkie 

(…)

 Wêreldjie rond en aardblou 

korreltjie maak ek van jou 

huisie met deur en twee skrefies 

tuintjie met blou madeliefies 

 

Pijltjie geveer in verskiet 

liefde verklein in die niet 

Timmerman bou aan ‘n kis 

Ek maak my gereed vir die Niks 

 

Korreltjie klein is my woord 

korreltjie niks is my dood


Ingrid Jonker (1933-1965)
                          *

Wat nou regen? Van de week zag ik ‘s ochtends vroeg een regenboog die de gehele Bollenstreek omspande. Het was alsof de kleuren op speelse wijze kenbaar maakten dat de streek één was en bleef. Kleurrijk, handen uit de mouwen, planten, pellen en plukken. 

                          *

Soms moet je het weer trotseren: het klimaat tarten, kom maar op, je kan me wat, vandaag rijden wij naar de stad Delft, wij lopen over bruggetjes, ruiken vieze grachtjes, zien plukjes toeristen en bezoeken kerken en musea. Dan eten we wat in een café, scheefgezakt pandje aan de gracht, met binnen een halfrond hok en daarin twee papegaaien. Niets zeggen ze. Klaar met lullen, klaar met alles. Als levende schilderijtjes duiken ze in elkaar, bewegingloos twee groene oerwezentjes op een stok.

                         *

We bekijken in de winkel muziek en films, we kopen c.d.’s en dvd’s. De documentaire ‘Korreltjie niks is my dood’. Het verhaal van Ingrid Jonker, Zuid-Afrikaanse dichteres. Ik herinner mij beelden van deze film die ik ooit zag: een mooie, jonge vrouw, omringd door kunstenaars. Een warm strand, een dochtertje, de gedichten in dat prachtige Afrikaans, speels en droevig tegelijk. 

                         *

Haar vader, die afstand nam van zijn dochter. Een volstrekt eenzame puberteit bezorgde Ingrid een gevoel van nietigheid. Ingrid Jonker pleegde zelfmoord. Ze was pas 31 jaar. Op 19 juli 1965 vinden wandelaars haar lichaam op de rand van zee en strand in Drieankerbaai. Op het bericht van Ingrid’s dood reageerde haar vader, Abraham Jonker: “Ze mogen haar van mij teruggooien in zee”. 

                           *

We lopen verder door de stad, slenteren langs marktkraampjes, een kaarsje steken we op in de kapel van de kerk Maria van Jesse. Een prevelement fluister ik voor onze twee kinderen, dat geluk hen moge toelachen. Hoe mooi de naam van de kerk: Maria van Jesse. Even daarvoor zagen we een soberder kerk, indrukwekkend vanwege haar geschiedenis en grafkelder met koninklijke doden. 

                         *

De Nieuwe Kerk. Juliana, Claus, de beelden van de begrafenissen draaien daar en ik herinner mij en zie: de paarse kleden op paarden, veel paarden, de droefheid van zoons om hun vader, het op het gezicht getekende verdriet van een vrouw om haar man. 

                         *

In de boekhandel ligt ‘Je zegt het’, het nieuwe boek van Connie Palmen over het leven van Sylvia Plath, dichteres en Ted Hughes, schrijver. Sylvia Plath, moeder van twee jonge kinderen, pleegde op gruwelijke wijze zelfmoord. Verlaten door Hughes, die een leven lang nagedragen kreeg dat haar dood zijn schuld was. Connie geeft Hughes een stem in haar boek. Ik moet het kopen.  

                          *

De stad wordt verlicht door een plots opkomende zon: felle en harde verlichting, zo na de schemer en regensluiers van eerst.

                          *

Laatst rakelde een gesprek het gevoel op van mijn maanden van onmetelijk verdriet. Ingrid, Claus en Sylvia, zij weten ervan. De diepten van de geest als de koude, kille kelderruimte waar de kist van Claus staat. Ingeschoven op een harde plank in de Delftse grafkelder. 

                         *

Een volstrekt eenzame puberteit en een moeder die afstand nam van haar dochter. Dat gat, de rillende kou en wanhoop, de angst ‘dit gaat nooit meer voorbij.’ Ik zag die maanden alleen zo nu en dan twee paar kinderogen, twee blauwe, twee bruine. 

                           *

Nu loop ik hier, in de zon, beladen met pakjes schoonheid. Ingepakte ideeën, beelden en taal en ik verheug mij op het genot der dingen. Lezen, kijken, luisteren, schrijven, leven. 

                        *

Lady Lazarus

                        (…)           

Soon, soon the flesh

The grave cave ate will be   

At home on me


And I a smiling woman.   

I am only thirty.

And like the cat I have nine times to die.

                         (…)

Sylvia Plath (1932-1963)

                         ***