Al Djannah

  
Het telkens gewaarschuwd worden voor de laatste zonnige dag als een soort Dag des Oordeels maakt me nerveus. Er ligt een berg werk, het te verschonen beddengoed doet de neus ‘s nachts kriebelen, een kind moet naar het station worden gebracht en een rondje hardlopen zou geen overbodige luxe zijn.

                          *

Daarbij komt dat onze hulp Adua om elf uur arriveert. Mij bekruipt altijd gêne als ik, thuis werkend aan mijn bureau of keukentafel, haar al poetsend in onze badkamer vrolijk Ghanese liederen hoor zingen. Ik werk ook, maar het ziet er niet uit als werken: priegelen op de iPad met wat papier en opgerolde flap-overs naast me op tafel. Het weegt bij lange na niet op tegen het zwoegende geboen van Adua. En in de tuin werken kan ik al helemaal niet: het eeuwige schuren, timmeren en zagen is hier op die laatste zonnige dag van het jaar alweer vroeg van start gegaan.

                           *

Na het wegbrengen van het kind dat snipverkouden en hoestend, flink bepakt en bezakt, de auto uitstapt, besluit ik te werken op het strand. Kopje koffie, zon op de Dag des Oordeels en de iPad. Dat moet lukken.

                        *

Het is een goed idee: het terras is op een paar keuvelende echtparen en damesstelletjes leeg. Veel bezoekers lezen een boek, weggezakt in een loungebank. Ik neem zelf plaats op een stoel met tafel: gekomen om te werken, nietwaar?

                       *

De stoel is laag: dit is geen ARBO-verantwoorde houding. Stiekem pak ik een dik kussen van de naastgelegen loungebank en hopla, ik stijg een centimeter of drie. Een gebruinde veertiger met wilde, blonde haren brengt mijn koffie verkeerd en verschaft mij het WIFI-wachtwoord. Ik log in en start met tikken. 

                           *

Zo nu en dan vang ik flardjes gekeuvel om mij heen op: het hoofdthema is vluchtelingen, de meningen zijn verdeeld.

‘Snap je dat nu, in de jaren zestig verwelkomden wij de Hongaren en kijk, hoe onverdraagzaam zij zich nu opstellen tegenover de Syriërs…’, verzucht een dame-van-in-de-zestig. 

‘Ja, er zit een heel rechtse regering daar’, weet haar vriendin, ook dame-van-in-de-zestig. Ze nipt aan haar glaasje witte wijn.

‘Ik vind dat we open moeten staan voor oorlogsvluchtelingen’, meent dame 1.

‘Nou.., je kunt toch niet hier de hele wereld ontvangen…’, weerspreekt haar vriendin. Ik werp me maar weer op mijn verslag. Ik weet ook de oplossing niet en dan is het schrijven van zo’n verslag wel een aangename afleiding.

                          *

Het echtpaar links van mij nuttigt een Noordzeeplateau voor twee, ook al onder begeleiding van witte wijn. ‘Garnalen, kabeljauw, een versgesneden harinkje en wat krabsalade’, somt de gebruinde veertiger geroutineerd op. Ik ben inmiddels overgestapt van koffie verkeerd op Spa blauw. Zo veel te doen. Mijn rug verstijft, de werkhouding is niet optimaal. Ik verschuif het kussen naar de rugleuning. Nu zit ik wel te laag, maar voor mijn rug is dit beter.

                        *

Ik tik lustig door, alle lekkernijen om mij heen manmoedig weerstaand. Maar rond half twee slaat de verleiding toe. Ik neem een broodje garnalenkroket. 

                         *

‘Wat bijzonder is het toch dat wij hier zo heerlijk zitten’, hoor ik dame 1 verkondigen. Dame 2 is het roerend met haar eens. ‘Ik moet ergens heen’, zegt zij plotseling. O ja? Wat een verrassende move tijdens zo’n gezellig samenzijn. Al gauw blijkt dat ‘ergens heen moeten’ gewoon betekent dat zij naar de wc gaat. Iets dat dame 1 direct begrijpt. ‘In het restaurant, aan het begin, bij de ingang rechts’, helpt zij haar vriendin. 
Bij terugkeer blijkt de wc-bezoekster de rekening betaald te hebben. ‘Hoeveel was het?’, informeert de vriendin. Wat zou ze doen? Is dame 2 in een genereuze bui? Of wordt het sam-sam? ‘€59,60 was het.’ Het wordt sam-sam. Zonder op te kijken van mijn iPad-scherm hoor ik het uitwisselen van contant geld, het openen en sluiten van portemonnees met zo’n klik-klak-sluiting. Rustig pratend verlaten de vriendinnen het terras. Om drie uur ‘s middags op deze laatste mooie dag van het jaar pak ik mijn spullen bij elkaar. Thuis ga ik verder: het beddengoed moet in de droger en de werkjes maak ik daar wel af. 

                         *

In de strandtent verderop staat een trouwambtenaar onder een baldakijn. De aanwezigen klappen. Het huwelijk is voltrokken. Ik kijk nog een keer om en zie het zachte zand, een licht briesje aait mijn gezicht, een kalme zee. Geen jongetje in de langzaam-aanrollende branding met een rood shirtje aan, een blauw broekje, klittenbandschoentjes. Dat jongetje zingt en springt in de hemelse tuinen van het Paradijs, al Djannah. 

                       *

De Dag des Oordeels. Deze is al geweest.

                      ***

Advertisements

Leave a Reply

Please log in using one of these methods to post your comment:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s