De notenkraker

 Als we bij mijn vader binnenkomen roep ik luid en duidelijk: ‘hoi!” Dat moet hem behoeden voor schrik alhoewel hij beweert ‘nooit ergens van te schrikken’ en hij ervan op de hoogte is dat ik kom want ik bel altijd van tevoren.

Een gesmoord: ‘hoi, ik zit op de w.c.!’ krijgen we terug. En wij lopen door naar de huiskamer.

                         *

‘Wat is het hier lekker warm’, zegt mijn man die dit keer meegekomen is. Hij draagt een bos bloemen die hij gisteren kocht. ‘Geef die maar aan je vader’, zei hij. En dat is lief. Ook krijgt mijn vader een zak walnoten. Deze stonden laatst op het boodschappenlijstje. Mijn man nam ongepelde walnoten mee en wij hebben geen notenkraker. Dus geef ik de walnoten aan mijn vader. Sinds jaar en dag staat er een notenkraker pontificaal op zijn eettafel in zo’n rond houten bakje. Voor zover ik weet kraakt hij nooit noten. Nu kan hij de kraker eindelijk eens gebruiken.

                         *

Als mijn vader uit de w.c. komt loopt hij ons tegemoet. Hij begroet mijn man alsof hij hem jaren niet gezien heeft, zo vriendelijk begroette hij hem niet eerder. ‘Leuk om je weer te zien!’, roept hij min of meer stralend. Mijn man ondergaat lachend-verbaasd de vriendelijke bejegening van zijn altijd zo stugge schoonvader.

‘Wat willen jullie drinken?’, vraagt mijn vader.

‘Voor mij wat water en Raym wil wel een kopje koffie’ antwoord ik. En ik loop naar de keuken om een handje te helpen. Zijn boterham en geroosterde krentenbroodje liggen klaar, evenals de geschilde appel. Ook staat op het aanrecht een kopje koffie koud te worden. Mijn vader vult de Senseo bij, nieuw water erin, even denk hij na over de plek van de pads, o ja, in de kast, en hij pakt er een uit.

                         *

‘Zal ik alvast de boterham naar binnen brengen en je koffie?’, vraag ik.

Mijn vader is zo druk bezig met de koffie voor mijn man dat hij mij niet hoort. Ik breng de twee bordjes en zijn lauwe koffie naar binnen. 

                          *

Op het hoge zitbankje neemt mijn man een sushi-test door in de Consumentengids. Mijn vader ontvangt zo lang als ik mij herinneren kan de Consumentengids. Ik buig over mijn man heen en samen lezen wij dat alle sushi onhygiënisch wordt klaargemaakt. In Hillegom krijgt het nieuwe Sushi-restaurant een 5,4. Het op een na hoogste cijfer van alle sushi-restaurants.

                          *

Daar komt mijn vader aan met de koffie voor mijn man. Hij vertelt dat hij net keek naar het programma Buitenhof.

‘Dat ging over de vluchtelingen’, vertelt hij. En dan ontspint zich een discussie die in vele huiskamers wordt gevoerd: wel vluchtelingen opvangen, maar het zijn veel mensen, hoe moet ons land zich voorbereiden op zo’n instroom, wat betekent dat voor de samenleving, voor Europa nu en over twintig jaar? Opvang in de regio, alle oorlogen daar en elders, we raken niet uitgepraat. Een oplossing hebben we niet, alleen gedeelde zorgen.

                          *

We spreken kort over de kinderen, daarna over Berlijn. Daar gaan mijn man en ik binnenkort heen. Mijn zeer bereisde vader was er nooit en ik merk dat hij dat heel jammer vindt. Het liefst zou hij in de auto springen en ook naar Berlijn gaan. Maar dat gaat niet meer. Hij loopt belabberd, is echt te oud voor een reis, laat staan een stedenreis.

                          *

Na een bezoek van ruim een uur stappen we op.

‘Je moet nog even wat voor me doen!’, zegt mijn vader. ‘De Tom Tom moet worden ingesteld want ik ga vrijdag naar Humphrey en Moon.’ Humphrey en Moon zijn mijn vaders stokoude, in Amerika wonende, neef en diens vrouw. Zij zien elkaar een maal per jaar. Dan rijdt mijn vader naar het huis van hun dochter in Voorburg waar zij verblijven. Onderweg pikt hij nog zijn stokoude nicht Ottie op in Zoetermeer. 

                         *

Vorig jaar – ‘ik ken de weg op mijn duimpje!’ – verdwaalde hij en kwam hij terecht in de krochten van Den-Haag. Hij moest opeens heel nodig plassen ‘door die verrekte plaspillen’ en strompelde een buurthuis in. ‘Een prachtige gelegenheid, allemaal zalen waarin cursussen gegeven worden!’, volgens mijn vader. Hij nam nog een folder mee van het Haagse buurthuis. 

                             *

Ik type het adres in van nicht Ottie en neef Humphrey. Ik laat hem zien dat beide adressen nu te vinden zijn met een vingerdruk op het icoon ‘Vorige bestemming.’

‘Maar ik wil ook mijn adres in de Tom Tom zetten. En dat lukt mij steeds niet.’

‘Je eigen adres?’ Dat staat hier’, wijs ik, ‘onder Thuis’. 

Mijn vader kijkt naar de Tom Tom of hij water ziet branden. Ik laat hem nogmaals het icoon zien van het huisje. Hij drukt erop en ja, daar verschijnt zijn adres.

‘Kijk, zie je, hier staat de pijl, op de Scholtenlaan.’

‘Maar dat heb ik niet ingesteld.’

‘Nee, dat deed ik al eerder, weet je nog, toen je hem kocht hebben we dat adres erin gezet als huisadres.’

Maar dat weet hij niet meer.

                           *

En nu ga ik een andere discussie aan.

‘Ik vind het geweldig dat je nog rijdt pa, maar naar Voorburg en Zoetermeer…, dat is een eind rijden. De vorige keer vond je dat ook al best lastig.’

Maar daar vergis ik mij in. En ‘ik rijd prima!’ volgt direct daarop.

Ik loop op eieren: ‘Ja, je rijdt prima, hier in de omgeving maar op de snelweg richting Den-Haag is het druk en iedereen rijdt hard…’

Ook mijn man doet een duit in het zakje: ‘Bent u niet lid van zo’n taxidienst?’, vraagt hij.

Ik ga er gretig op in: ‘ja, Valys, daar ben je toch lid van pa?’

Ja, daar is mijn vader lid van maar nooit maakt hij daar gebruik van omdat hij ‘nog prima zelf kan rijden.’

                            *

Het einde van het eigenwijze liedje is dat ik aanbied hem vrijdag te rijden.

‘Dat is wel een aanlokkelijk aanbod’, weifelt mijn vader. 

‘Ik zit niet rustig als ik weet dat jij zo’n eind gaat rijden, pa, dan breng ik je liever zelf.’ Ik denk aan de vijftig minuten heen, het gesjouw met een oude nicht ‘zij loopt nog moeilijker dan ik en volgens mij is ze dement’ en daarna met de twee oudjes naar Voorburg. Wachten daar, de nicht naar huis brengen en weer vijftig minuten terug. Dat kost mij een dag. Ik zucht.

‘We hebben het er nog wel over’, zeg ik. 

                             *

Tijdens het fietsen naar huis bedenken we dat hij niet zelf moet rijden, ik niet moet rijden, maar hij met de Valys mee moet. 

‘Als er wat gebeurt vrijdag met hem in die auto voel jij je schuldig’, zegt mijn man. En zo is het. 

                            *

Wordt vervolgd.
                          ***

Advertisements

Leave a Reply

Please log in using one of these methods to post your comment:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s