Memory lane

  
Het schemert nog geen eens en ik zit aan tafel. Het is 6.33 uur. Naast mij verandert het donkere gat achter de glazen schuifpui langzaam in wat lichters, de bomen steken de lucht in als grillige gedaanten tegen een grijslila wand. Het is vroeg. Stil. De ijskast zoemt. 

                         *

Weken vol werken vloeien in elkaar over als zand door de vingers glipt de tijd. Zomer gaat over in herfst. Bij het weggaan ‘s ochtends knisperen bladeren onder de schoen. Frisse lucht dwingt tot jas, vest, laars. Ik zag het opeens, gisteren, rijdend langs een bomenrij: dunne stammen met daarop een helgele bol van bladeren. 

                         *

‘Mam, ik kom morgen naar huis. Dan blijf ik vier dagen om te leren. En ik kan dan weer eens bij opa langs.’ Het bericht van een kind zoeft van de week voorbij, net als zijzelf. Een wervelwind van fris en jong, kleding rondstrooiend, papieren liggen her en der verspreid over de tafel. Een etui in de vorm van een haai staart mij aan. “Hoe vind je die? Leuk he?’ Verwachtingsvol kijken 21-jarige ogen mij aan. De ogen staan nog net zo als 21 jaar geleden. Toen leken ze nog groter. Wijd opengesperde, heldere spiegels. Het kind keek dwars door ons heen. “Je moet niet zo staren’, dat hoort ze nog steeds. Kijken en denken. 

                         *

‘Om 11.00 uur komt Adua. Zullen we ergens anders heen gaan om te werken?’ Dat vind het kind fijn. Adua de hulp. Het is onrustig werken met iemand die telkens ‘sorry’ roept bij het binnenlopen, de prullenbak leegt, zuigt. Ik verhuis van kamer naar kamer. Nu moeten wij beiden verhuizen met lap-top, Ipad, Iphone, boeken en papieren. Beter is het weg te gaan. 

                         *

We rijden naar Bloemendaal. Het dorp van mijn kindertijd. Door een kleurrijk decor van pre-herfst rijden wij langs brede lanen. De kinderboerderij, de hockeyvelden. De huizen, zo anders, zo groot. Kinderen spelen op straat. Het zijn kinderen in goede doen. Zij spelen in mooie kleren, hebben het nieuwste speelgoed. Een jongen zoeft voorbij op wat later een zelfrijdend wieltje blijkt te zijn. Hooghartig kijkt hij neer op de andere kinderen, op ons, voorbijgangers.

                         *

Ik staar naar buiten. De tuin naast mij krijgt kleur. De uitgebloeide druif met trosjes druiven als kleine knikkers kleurt van zwart naar lichtgroen. De boom van de buren, donkergroen. Rood is de geranium die nog bloeit. Het opkomende licht weerkaatst in de dakkapel van onze overburen, ver weg. Waar blijft de krant? Een kop thee heb ik op, de ander staat lauw op mij te wachten. 

                         *

In het koffietentje staat een grote ronde tafel. Daar zitten wij met lap-top, tas en iPhone. Moeders met kinderen, vaders met kinderen, een man alleen. Maar wij werken.

‘Wat wilt u drinken?’ Een blonde vrouw met grijs schort en een notitieblokje in de hand staat naast ons. Wij willen cappuccino en cafe latte. Later willen wij een broodje. En nog wat later eindigen wij buiten in de middagzon met thee en citroentaart. Maar dan is het werk gedaan. We hebben het verdiend.

                          *

Terug rijden wij, langs de kinderboerderij, het pannenkoekenhuisje, Thijsse’s hof, mijn oude, lagere school. ‘Dat ligt er mooi, mam’, zegt mijn kind. En ja, dat ligt er mooi. Het gebouw waar mijn schoolleven begon, afzakkende, witte kousen, een zelfgemaakt smock-jurkje, donkerbruine pijpenkrullen. Verlegen aan de hand van mijn moeder, zwaaiend met een plat schooltasje van rood leer. Een gesp als sluiting. 

                         *

‘Kijk, daar woonde de concierge’. Ik wijs naar het huisje dat vastgeplakt aan de school als het huisje van Hans en Grietje staat. In het bos. ‘De concierge reed ook het schoolbusje.’

‘Het schoolbusje? Hadden jullie een schoolbusje?’ Ja, in dat Volkswagenbusje reden wij naar school en werden wij thuisgebracht. Vechten wie er bij de schuifdeur mocht zitten. Deze mocht je open en dicht schuiven bij ieder kind dat in-en uitstapte. Of je zat achterin, zalig heen-en-weer schuivend bij iedere bocht.

                         *

‘Ach ja, we leefden een beetje boven onze stand. Mijn moeder wilde perse deze school voor ons, we kwamen iedere dag van Haarlem hierheen.’ Mijn moeder. Het beste was niet goed genoeg. Deze school in dit dorp moest het zijn. Het dorp waar zij ook zelf les had gegeven, een groene omgeving, rustig, op stand. En niet haar kinderen op de stadsschool om de hoek ‘waar ze in elkaars haren hangen alsof het klimtouwen zijn’, zoals ze altijd beweerde. 

                         *

‘Kijk, hier woonde Ellen!’, wijs ik mijn kind. Het huis ligt verscholen achter hoog groen. ‘Je ziet niks’, zegt mijn kind. En ik denk aan al de keren dat ik bij mijn beste vriendin tussen-de-middag at. We liepen de school uit, de laan in en we waren er. Bij het huis met het rieten dak. Een hond, vijf kinderen, drukte en gezelligheid. ‘Wil je een gebakken ei?’ En ja, dat wilde ik. Op King Corn brood want dat hadden ze daar. Na het middageten liepen we samen terug naar school. Langs het bos, de laan uit, het schoolplein op. 

                         *

We rijden verder langs kapitale villa’s omgeven door groen, bos en duin. ‘Mooi is het hier’, zegt het kind naast me.

                         *

Ja, het is mooi. Het was mooi. Onvergankelijke schoonheid. 
                        ***

Advertisements

Leave a Reply

Please log in using one of these methods to post your comment:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s