Wintertijd

 Het is wintertijd. Onder mijn fietsbanden knerpen eikels die geplet uit hun hoedjes wegspringen. De bladeren die richting stoep gewaaid zijn worden beschenen door de ochtendzon. Verderop rijdt een auto weg, een waaierd van blaadjes wappert als een slinger van blikjes achter een auto aan met ‘newly-weds’. Aan de rand van de vaart rookt een man zijn sigaretje. Zijn hondje zoekt heen-en-weer-jakkerend een lekker plekje om te poepen. 

                          *

Ik rijd naar het werk met achterin de fietstas een stevige tas met drie paar jongensbroeken, wat dikke vesten en een warme trui. Van de nachtmanager op de locatie waar de vluchtelingen verblijven begreep ik dat er behoefte was aan warme jongensbroeken en truien. Ik heb een jongen thuis.

‘Max, kan jij in je kast kijken naar warme broeken en truien?’ 

‘Ik doe dat vanavond’ was het antwoord en hij floepte weg. Uit. 

                         *

Vanochtend zag ik op de tafel een stapel kleding liggen. Broeken, vesten en gekleurde shirts. Een trui. Op de kleding lag een briefje. In jongenshandschrift: ‘Voor de vluchtelingen.’

                         *

En nu fiets ik erheen. Eerst naar het gemeentehuis waar twee collega’s de telefoon bemensen. Het gemeentehuis is bij het binnentreden anders. Donker. Zondags-stilte. Er wordt de hele dag niet gebeld. Maar we werken rondom de telefonie, stil en geconcentreerd. 

                         *

Om 12.00 uur ga ik naar de opvanglocatie. Twee donkerharige dames lopen mij tegemoet. Een meisje dat met krukken loopt. Een oudere dame naast haar, haar moeder? Verlegen zeggen zij mij gedag. Wij knikken elkaar daarbij vriendelijk toe. Met mijn stevige tas en rampenpas meld ik mij bij de bewaking, mannen in donkere pakken. Ik herken ze van de week ervoor toen ik de opvanglocatie in Voorhout bezocht.

                         *

‘Ik heb mijn komst gemeld. Ik ben Annelie Jonquiere van de gemeente Lisse.’ Je weet het nooit, altijd netjes zijn tegen bewakers. Zij laten je door of niet. En ja, ik mag erdoor. Binnen zie ik de nachtmanager, mijn collega die belangeloos de nacht daar doorbracht met twee anderen. Hij stelde de vraag over de broeken en warme truien in grote jongensmaten.

‘Ik vraag gelijk of hij wil kijken.’ En weg is hij, in de sporthal op zoek naar de jongen die een warme broek en trui nodig heeft.

                         *

Ik kijk om mij heen. Een groepje jongemannen krijgt Nederlandse les. Ze zitten aan het einde van een lange tafel. Een vrijwilligster legt uit: ‘goedemorgen!’, zegt ze, duidelijk articulerend. De mannen zeggen haar na. ‘Goedemorgen!’ ‘It means good morning’, zegt het meisje. ‘Good morning, goedemorgen’, zeggen de mannen.

                         *

Op een flap-over hangt een aanmeldingsformulier voor de kapper. Maandag komen kappers knippen. Een lange lijst namen in het Arabisch wijst op een grote behoefte aan de kapper. Ik snap dat. Hoe heerlijk voelt een mens zich met een goed kapsel, gewassen en gedroogd haar. Vingers op je hoofd, aandacht voor jou. Je spiegelbeeld dat zienderogen opknapt.

                         *

Na mijn bezoekje en twee bijeenkomsten op het gemeentehuis verder fiets ik terug naar huis. Het wordt al weer wat kouder. Vissers slaan hun hengel uit in de vaart. Eenden vliegen luid snaterend op. 

                         *

Ik hoor het meisje aan de tafel de mannen Nederlands leren. Een paar woorden maar. ‘Ik hou van jou’, zegt ze en ze houdt een wit papier omhoog met daarop een groot hart getekend. ‘Ik hou van jou’, echoot het zachtjes aan de tafel. 

                            *

De avondzon kleurt de lucht rood met paars. Allemachtig mooi.

                         ***

Advertisements

Dwaze dagen

  
Vlot snellen mijn ogen – die in tegenstelling tot ‘s avonds nog niet op steeltjes staan – de koppen van onze trouwe krant.

                           *

Op de voorpagina ‘maakt Rusland vrienden.’ Een foto siert het artikel. Zeven heren zitten aan een lange tafel. Op de tafel staan glazen limonade, alle glazen precies tot ietsje over helft gevuld. De zeven heren kijken niet vrolijk. Hoe ze dan wel kijken? Het is moeilijk te zeggen. De grootste boef lijkt nog het meest ontspannen. De ander staart naar een bord met wat lekkers. De voorste heer houdt krampachtig de tafel vast alsof deze op ieder moment uit zijn handen kan glippen. Mijn ogen trekken telkens naar de witte borden met eten. Wat ligt er toch op? Gehaktrondjes, pannenkoekjes -blini – en vooraan een taartje, gegarneerd met…sla? Eigenaardig. Assad de boef en Poetin, zijn redder in de nood. Snuf en Snuitje @2015.

                          *

Ik denk aan de mensen die de nacht ervoor door een smerig riviertje in Slovenië waadden. IJskoud water trok in hun broek, hun jas, rugzak. Een jongen van een jaar of acht, negen, huilend, nee, schreeuwend van angst, kou en ellende baant zich een weg door het water.

                           *

De president van de jongen zit aan een lange tafel. Op de tafel staan witte borden met heerlijkheden. Zijn president heeft het niet koud. Geen wanhoop of ellende is van zijn gezicht af te lezen. Zijn volk waadt door de modder in Slovenië.

                            *

Op pagina drie zijn de dwaze dagen van de Bijenkorf begonnen. Ik zie een foto van een vrouw – hoe eigenaardig, ze lijkt precies op de ex van een vriend – om zich heen kijken met aan haar voeten zeven gele dwaze dagen tassen. Naar wie kijkt zij uit? Haar vriendin met ook zeven gele tassen? Haar moeder, zus, schoonzus? Een andere foto met gezichten voor de deuren van de Bijenkorf. Verwachtingsvolle, hebberigheid. Anders kan ik het niet omschrijven. 

                         *

In Steenbergen wordt vooral geschreeuwd. Vuisten ballen zich, vingers wijzen naar voren, het beeld van een jongen met pet, wijd open mond, rechterhand naar voren gestrekt. Brave burgers zitten verloren en ongemakkelijk op de stoelen ervoor. Ze kijken strak voor zich uit.

                         *

Verder dan pagina drie kom ik niet. Maar het is wel weer genoeg voor vandaag.

                           *

De winkelier van Damascus. Hij vouwt zijn zoveelste shirtje op. Mouwtjes naar binnen. Twee scherpe vouwen links en rechts. Dubbel en klaar.

                            *

Dwaze dagen.
                        ***

De winkelier van Damascus

  
Droombeeld

Vanmorgen toen ik nog niet wakker was

maar al niet meer sliep sloop onzichtbaar

op gehoefde sokken het onheil binnen

in mijn bed, vlijde zich tegen mij aan

en fluisterde om mij niet te wekken mijn naam.


Terwijl ik mijn ogen niet opende zag ik

dat hij naar mij keek met ook zijn ogen dicht

het kussen streelde dat hij voor mijn lippen aanzag

en dat hem zoende zoals ik zou hebben gekust.

Wij omhelsden in de veronderstelling van elkaar.

Hagar Peters

                         *

In de hal staat een man, klein, pezig. Soepeltjes beweegt hij zich langs en door de – op gekruiste poten – geschraagde planken. IJverig en geconcentreerd legt hij hemd bij hemd, broek op broek. Stapeltjes T-shirts, wit, groen, zwart, hij vouwt zorgvuldig de shirtjes op: de mouwtjes naar binnen, zijn vingers strijken als vanzelf de zachte stof glad. 

                         *

De zijkanten vouwt hij naar binnen, twee kaarsrechte streepjes. Kleine shirts een keer overdwars dubbelvouwen, wat grotere twee keer. Liefdevol stapelt hij de kleding op. Wit bij wit, klein bij klein, groot op groot, van links naar rechts liggen de shirts overzichtelijk op de ruwe planken van klein naar groot. Zijn ogen trekken langs de shirtjes als die van een generaal langs zijn troepen. 

                         *

Hij kijkt door de half geopende deur naar de ruimte erachter. Het voortdurende geroezemoes klinkt vertrouwd. De meesten hebben gedoucht, zijn geschoren, ze hebben vannacht geslapen. 

                         *

Sommigen sliepen, ondanks dat ze moe waren, moeilijk in. Draaiend op het veldbed dat kraakte en bewoog bij iedere beweging, kwam de slaap niet. Maar zelf sliep hij ondanks de vreemde ruimte, het gekraak, zuchten en snurken en hier en daar kindergehuil, in.

                         *

De kleinste kinderen slapen. Ze doen een middagdutje. Baby’s slapen ‘s middags, ze slapen veel. Zijn baby’s sliepen ook ‘s middags. Daar, in zijn huis in Damascus. Boven het bedje draaide de witte ventilator zijn rondjes. De warme lucht streelde de babyhuid, het regelmatige gezoem liet het kind inslapen. Als hij voor het slapen gaan nog even buiten stond, rook hij de geur van zijn tuin, hij zag de sterren fel oplichten tegen de zwarte hemel. 

                         *

Hij denkt aan de aankomst, de avond ervoor. Met een bus kwamen ze hierheen. Hij tuurde door de ramen van de bus naar buiten maar hij keek in een donker gat. Het gat waar hij al jaren in keek. De lange busrit eindigde bij een grote hal. Het plotselinge licht van de hal deed hem knipperen met de ogen. 

                        *

Mensen drongen zich murw van vermoeidheid, hun kleding vies plakkend tegen hun lichaam aan, de bus uit naar buiten. De nachtlucht in dit land was koel. Oktoberkoelte. Zijn leren tas tegen zich aangedrukt, zijn plastic tas in de andere hand liep hij met de stroom mee. Aardige mensen lachten naar hem.

                         *

Een vrouw met een groen hes over haar kleding wees hem de weg. Ze gaf hem een papier. Nog steeds knipperend met zijn ogen liep hij de hal in. Het harde licht bescheen meedogenloos de grote ruimte. Rijen bedjes, vier aan vier met tussenruimten. Op een van de bedjes ging hij zitten. Zijn leren tas naast hem, de plastic tas schoof hij onder het bed. Hij pakte het papier, het was een beetje gekreukt. Hij las. 

                        *

Welcome to Voorhout!

 We will do our best to make your stay as comfortable as possible while you recover from your long and tiring journey.

House Rules:

– RESPECT other people around you

– All food is Halal

– Food must not be eaten in the dormitory

– Tap water is safe to drink

– NO SMOKING in the building

– NO DRUGS or ALCOHOL

– You must stay in the building between 10.00 PM and 07.00 AM

– You may leave the building between 07.00 AM and 10.00 PM

– When you leave the building you must check out and when you enter the building you must check in!

– Always wear your given wristband

– For any questions, please ask a member of the Red Cross Team.

                         *

Hij begreep dat hij ergens was. 

                         *

En nu staat hij hier. Tijdens het vouwen ordent hij naast de kleding zijn gedachten. Vrouw, kinderen, huis, winkel, reis, hier. Hij had een huis in Damascus, een vrouw, twee grote jongens en een meisje. Een huis met geurende tuin. Zijn winkel. Even knijpt hij zijn ogen dicht. Hij ziet achter zijn oogleden de kleurige kleding. Hangend op hangers, liggend op lange tafels. Een toonbank, de kassa. Door de ruiten ziet hij de straat. Er lopen mensen. Jong, oud, snelle en langzame. Hij maakt een praatje met de buurman, helpt zijn klanten, zet achterin het keukentje koffie. 

                         *

Als hij zijn ogen opent, ze waren maar even dicht, ziet hij de kleding hier, hangend op hangers, liggend op de schragen.

                         *

Hij loopt naar de deur, zet deze open. ‘You may come in.’ Zijn klanten komen binnen. Ze lijken op zijn zoons. Hij wijst hen op de shirts, de juiste maat. Broeken pakt hij op van de stapel. Dit is zijn winkel. Hij had een winkel in Damascus. Een vrouw, twee zonen, een dochter. Hij had een tuin. Hij had een huis. Een huis in Damascus.

                         ***
Nawoord

In de gemeenten Teylingen en Lisse ontvangen we dezer dagen een groep van 150 vluchtelingen 12 dagen op. In het persbericht van beide gemeenten staat het volgende:

‘Met de crisisopvang willen de gemeenten hun maatschappelijke verantwoordelijkheid nemen. ‘We zijn er om onze medemensen te helpen. Het is onze menselijke plicht om voor mensen te zorgen die dat tijdelijk niet zelf kunnen’, aldus burgemeester Carla Breuer van Teylingen. ‘We zijn gevraagd deze mensen op te vangen en dat willen we ook graag. We zetten ons er voor in dat dit op een goede manier verloopt’, stelt burgemeester Lies Spruit van Lisse.’

Het vervulde mij de afgelopen dagen met trots om met een geweldig team bevolkingszorg een bijdrage te mogen leveren aan de opvang van deze mensen. We doen dit voor de hele groep vluchtelingen, maar in het bijzonder voor de kleine, grote winkelier uit Damascus. 

Annelie 

Parel

  
Het is een koude ochtend. De vlaag ochtendlucht die met de katten mee van buiten naar binnen waait kruipt onder de dunne pyjamabroek. De bomen in onze straat worden beschenen door een witstralende zon. De zondagochtendstilte staat in stevig contrast met de hectiek van de stad die ik gisteren bezocht. Utrecht.

                       *

Nooit kwam ik eerder in deze stad, ja ooit voor een cursus en een overleg, snel lopend door het station met het onpersoonlijke winkeldoolhof dat nu wordt verbouwd naar een winkelcentrum met een ‘menselijke maat’ gericht op ‘een betere aansluiting met de binnenstad.’

                         *

Vanwege allerlei obstakels – tussen Haarlem en Amsterdam rijden dit weekend geen treinen – ga ik met de auto naar Utrecht. De wegen zijn stil op zaterdagochtend rond half elf. Vijf brede banen waarop automobilisten angstvallig niet harder rijden dan 100 kilometer per uur, bang voor de bon die bij hogere snelheden ongetwijfeld na een week of wat op de mat valt. We kruipen als egeltjes in de herfst over de weg. 

                         *

In mijn geavanceerde auto klinkt plots de rode alarmbel waar ik nooit aan zal wennen. Niet wetend hoe ik deze uitzet accepteer ik gelaten dat ik nu en dan een stoot adrenaline krijg bij te hard op een paaltje afrijden (terwijl ik deze heus wel zie), als ik te weinig afstand houd tot mijn voorganger (terwijl ik expres een beetje jaag) en naar nu blijkt ook als ik denk aan een mooie eerste zin voor een verhaal. Ik zit te lang stil en wreed verstoort de auto mijn gemijmer. Ook dat kan dus niet in deze auto. Mijmeren op de weg waarop 100 kilometer per uur de maximale snelheid is. Wat een armoe. 

                         *

De Tom Tom wijst mij intussen stoïcijns als altijd de weg naar de parkeerplek waar ik niet voor hoef te betalen. In een beetje treurige, volkomen vlakke, woonwijk met onbegrijpelijke straatnamen als Helling en Rotsoord parkeer ik de auto. Ik kijk om mij heen hoe de straat heet waarin ik parkeer en ik noteer voor de zekerheid de naam: Tolsteegplantsoen. 

                           *

Op deze zaterdag wordt het zonnig, de slaperige woonwijk krijgt zowaar een vrolijke aanblik bij al dat zonnegeschijn op platte daken, tegen de halfopen luxaflexen aan, de zon laat zelfs de meest onooglijk-oude auto glanzen. Een jonge man sjouwt wat vuilniszakken naar buiten. ‘Zo buurman, ga je op vakantie?’, roept een jolige stem achter mij. Ik vraag me af wat de associatie is van een vuilniszak met vakantie. De jonge man antwoordt maar ik hoor niet wat.

                           *

De binnenstad naderend – nauwe straten met winkeltjes – overvalt mij opeens de drukte. Klingelende fietsers, wandelaars, koffiedrinkende mensen, jonge ouders met kinderen voor- en achterop de fiets, kinderwagens, de kleine straatjes zijn vol met geluid, het echoot alle kanten op. 

                          *

Ik zie een winkel met 50 soorten pepernoten. Grote, kleine en middelgrote pepernoten in dikbuikige stolpflessen. Alleen maar pepernoten in het schilderachtige zaakje. Iets verderop schijnt de toren van de kerk met een gouden glans boven de huizen. Naast de diepe grachtwanden kleuren bomenrijen geel, rooiig en bruin. De zon doet de kleuren oplichten en dan dat spitse kerktorentje. Mooi.

                          *

Ik voel opeens een handje in de mijne. Ik kijk opzij. Een klein meisje met een roze petticoat-rokje kijkt mij verwachtingsvol aan. Ze huppelt een beetje. ‘Ik denk dat je je vergist’, glimlach ik. Ze schrikt niet eens zo heel erg, laat mijn hand los, huppelt naar haar moeder. Blonde krullen wapperend op haar rug. 

                        *

‘s Avonds gaan wij na een diner voor vier – door onze vrienden in hun auto naar het Tolsteegplantsoen gereden – op zoek naar onze auto. Het plantsoen bestaat uit vier hoeken. Pas op de derde hoek staat de auto. Even dachten wij dat hij gestolen was. Maar nee, ons knipperende met alarm uitgeruste rode monster staat er nog. Op hoek drie.

                           *

En over de stille snelweg rijden wij terug. Zonder gemijmer, alle voorgangers netjes op gepaste afstand houdend, alle paaltjes omzichtig benaderend zijn wij weer thuis. Zonder toeters en bellen.

                         *

En nu is het zondag. Een koude stilte valt over mij heen. De Scandinavische bijlage van de krant vult moeiteloos de ochtend. Een gestolde druppel thee hangt aan de rand van het glas, dof glinsterend als een verse parel uit een zojuist geopende oester.

Zondag rustdag.

                       ***

Bye, bye Berlin

  
Twee dagen na terugkeer uit Berlijn. De uitgelezen boeken liggen op de buffetkast, klaar om teruggebracht te worden naar de bibliotheek. De verhalen van Philippe Remarque uit ‘Boze geesten van Berlijn’, zo herkenbaar. Over de grote gebouwen met ornamenten plafonds. Over romantisch gedecoreerde liften waarvan je dacht dat deze alleen in oude Parijse films bestonden. Ik stond in zo’n lift in pension hotel Savoy, gelegen in een zijstraat van de Kurfurstendamm. 

                           *

Na enig trekken en duwen gingen de deuren open, hout achter goud. De liftconstructie, duidelijk zichtbaar door al het glas in de schacht zag er solide genoeg uit. Door de glazen ruitjes zag ik de verdiepingen aan mij voorbij trekken. Langzaam, horterig. Bij aankomst op de juiste etage was het weer duwen en trekken geblazen voordat ik de deurtjes openkreeg. En daar stond ik. Op de zachte loper van pension hotel Savoy.

                         *

Ook hier rijk versierde plafonds boven de smalle gang. Een lieve dame bij de receptie wijst ons de ontbijtruimte. Uitkijkend over de Meinekestrasse zien we aan de overkant oude, vooroorlogse gebouwen, een aantal glad gestucte van vlak na de oorlog en een modern gebouw, met veel licht en glas. Veel restaurants, cafés, en voor de deuren grote, glanzende auto’s: BMW, Audi, Jaguar, zwart, rood en donkergroen-glanzend staan ze te glimmen in de zon. Een paar geplaagde Volkswagens staan als lichtelijke armoe-auto’s, vergeleken met de bakken om hen heen, zich een beetje te schamen. Op de zijkant van het kleine balkon van Savoy’s ontbijtruimte staat een manshoog beeld: voornaam kijkt het neer op de rustige straat. De afgestompte, stukke toren van de Gedachtniskirche, als een half-opgebrande sigaar midden tussen de glazen gebouwen van de West-Berlijnse wijk Charlottenburg, staat net uit het zicht van deze vaal-witte heer. 

                          *

Onze hotelkamer is buiten-proportioneel en ook hier een prachtig plafond. Gelegen op het zachte bed met het spierwitte dekbed waar onze Oosterburen patent op hebben, – zacht doch stevig en warm, – kijk ik naar boven. Vroeger, als kind had ik ook zo’n kamer: vanuit mijn hemelbed keek ik schuin naar boven naar de versierde plafonds van ons Haarlemse herenhuis. Twee grote ramen die je met moeite optilde en vastzette met een haakje voor wat frisse lucht. De grote kastanjeboom achter het rechterraam. Een zee van ruimte die niet op te vullen was met een zitje, bureau en een lage, lange kast. Op de lage kast stonden mijn poppen, zorgvuldig aangekleed met kleertjes die mijn moeder voor de poppen maakte: een boerenfamilie in klederdracht en mijn lievelingspop, Toni, met zijn olijke kop, rood-geruite bloesje en koddige spijkerbroekje.

                           *

Hier ook zo’n zee van ruimte met een brede bank, een kledingkast ruikend naar mufheid van jaren en een eikenhouten bureau. Het bed staat tegen de linkerwand. Bedlampjes aan weerszijden laten een zacht licht glijden over de versleten maar schone Perzische kleden op de grond. Als we de vitrage, vergeeld door de jaren heen, openschuiven zie we een binnenplaats vol verwaarloosd groen. Het is stil, heel stil hier, midden in het centrum van de stad.

                            *

Later lopen wij door de drukke straten en vergapen wij ons aan de sjieke etalages, elegante dametjes, zwaar opgemaakt met dure kleding aan, kasjmieren jassen, rijkbedrukte sjaals, hoge hakken en zwaaiend met tassen van KADEWE. Zo nu en dan struikelen wij over kleine steentjes. Bij nadere beschouwing staan er namen op de bronzen klinkertjes: ‘Hier wohnte Max Cohen, 10.1877 deportiert 28.3.1942, ermordet in Auschwitz.’ Overal in Berlijn liggen ze, de geschiedenis van de voor-oorlogse bewoners uitgedrukt in Stolpersteine, struikelsteentjes.

                         *

Op onze laatste dag in Berlijn, na zoveel indrukken een beetje moe, bezoeken wij het Hamburger station met onbegrijpelijke moderne werken van Josef Beuys en minder onbegrijpelijke, prachtige tekeningen van Andy Warhol. Daarna hebben wij geen zin meer. Lusteloos ploffen we neer op een bankje voor het monumentale gebouw in de ronde tuin. ‘Laten we een stukje lopen’, stel ik voor en dat doen we. Naast het museum ligt een kaarsrecht kanaal. Daarnaast een voetpad waar joggers en fietsers hun zondagse loopje en ritje maken. In de zon van ‘het laatste warme weekend in Berlijn’, zoals de ober-met-staartje ons de vorige avond toevertrouwde in het oer-Duitse restaurant Gasthaus Krombach, wandelen we rustig langs het water. 

                         *

Aan het einde van het pad ligt een begraafplaats. Invalidenstrasse heet het hier. Drie stukken beton staan verloren midden op de begraafplaats. ‘Zou dit een stuk muur zijn?’, vraag ik. 

‘Nee, dat denk ik niet, die muur was toch veel hoger?’, aarzelt mijn man. We lopen en lopen. Nog een stuk muur met een plaquette. En ja, het zijn overblijfselen van De Muur. De begraafplaats was vroeger in tweeën gedeeld. Graven werden geruimd voor het plaatsen van de muur en het creëren van het grote stuk niemandsland. 

                         *

Later lees ik dat de muur niet bepaald de trots van Duitsland is. Er is bijna niets meer van over. Veel stukken, vooral die met ‘echte’ graffiti, zijn gesloopt, als souvenir meegenomen, vermalen om in hangers aan kettinkjes te stoppen. Stukken muur staan in de opslag op terreinen van de gemeente, niet wetend wat men er mee moet. De herinnering aan de tweedeling wordt alleen levend gehouden door de kitscherige plek ‘Checkpoint Charlie’, gelegen midden op een druk kruispunt. Drie slimme gasten verdienen hier geld door met toeristen op de foto te gaan: een draagt een wit uniform met witte pet, Amerikaanse vlag in de hand, de ander een kaki uniform met kekke kepi. Nummer drie vangt de € 3,- die het fotograferen kost. Ook ik ga, zeer tegen de zin in van mijn man, op de foto. De witte pet fluistert tegen mij: ‘du bist eine heisse Frau.’ Ik kijk naar mijn fotograferende man en lach naar hem. ‘Do you understand me?’ De griezel houdt nu mijn hand vast. Ik had hem op zijn maffe hoofd moeten slaan. 

                         *

Door Berlijn loopt een dubbele rij stenen waar ooit de muur lag. Weer stenen op de grond. Alleen struikel je hier niet over. Je staat er letterlijk niet bij stil. En misschien willen ze dat ook niet, de Duitsers. Dit stukje geschiedenis is misschien nog te vers. Wel Stolpersteine maar geen Stolpermauer. En ja, ik had hem een knal moeten verkopen. Schade.

                         ***

Schuifelen naar de eeuwigheid

  Todesfuge 

Schwarze Milch der Frühe wir trinken sie abends

wir trinken sie mittags und morgens wir trinken sie nachts

wir trinken und trinken

wir schaufeln ein Grab in den Lüften da liegt man nicht eng

Ein Mann wohnt im Haus der spielt mit den Schlangen der schreibt

der schreibt wenn es dunkelt nach Deutschland dein goldenes Haar Margarete

er schreibt es und tritt vor das Haus und es blitzen die Sterne er pfeift seine Rüden herbei

er pfeift seine Juden hervor läßt schaufeln ein Grab in der Erde

er befiehlt uns spielt auf nun zum Tanz

Schwarze Milch der Frühe wir trinken dich nachts

wir trinken dich morgens und mittags wir trinken dich abends

wir trinken und trinken

Ein Mann wohnt im Haus der spielt mit den Schlangen der schreibt

der schreibt wenn es dunkelt nach Deutschland dein goldenes Haar Margarete

Dein aschenes Haar Sulamith wir schaufeln ein Grab in den Lüften da liegt man nicht eng

Er ruft stecht tiefer ins Erdreich ihr einen ihr andern singet und spielt

er greift nach dem Eisen im Gurt er schwingts seine Augen sind blau

stecht tiefer die Spaten ihr einen ihr andern spielt weiter zum Tanz auf

Schwarze Milch der Frühe wir trinken dich nachts

wir trinken dich mittags und morgens wir trinken dich abends

wir trinken und trinken

ein Mann wohnt im Haus dein goldenes Haar Margarete

dein aschenes Haar Sulamith er spielt mit den Schlangen

Er ruft spielt süßer den Tod der Tod ist ein Meister aus Deutschland

er ruft streicht dunkler die Geigen dann steigt ihr als Rauch in die Luft

dann habt ihr ein Grab in den Wolken da liegt man nicht eng
Schwarze Milch der Frühe wir trinken dich nachts

wir trinken dich mittags der Tod ist ein Meister aus Deutschland

wir trinken dich abends und morgens wir trinken und trinken

der Tod ist ein Meister aus Deutschland sein Auge ist blau

er trifft dich mit bleierner Kugel er trifft dich genau

ein Mann wohnt im Haus dein goldenes Haar Margarete

er hetzt seine Rüden auf uns er schenkt uns ein Grab in der Luft

er spielt mit den Schlangen und träumet der Tod ist ein Meister aus Deutschland 

dein goldenes Haar Margarete

dein aschenes Haar Sulamith 

Paul Celan (1920-1970)

                             *

Ooit las ik dit gedicht. Het was op een middag in een warm klaslokaal aan de Prinsenhof 3 in Haarlem. Gek genoeg was het de muziekleraar, meneer Wertheim, die ons dit gedicht voorlas en niet de leraar Duits. Wij lazen het mee op een stencil. 

‘Dein goldenes Haar Margarete. 

 Dein aschenes Haar Sulamith.’ 

Stil waren we. Na het gedicht liet meneer Wertheim een muziekstuk horen. Droevige muziek. En, in tegenstelling tot de meeste muzieklessen waarin we baldadig en rumoerig waren, bleef het tijdens deze les stil.

                           *

Mijn fascinatie voor de Tweede Wereldoorlog en dan met name de vervolging van de Joden was eerder al geboren. Begonnen met het dagboek van Anne Frank, via ‘De nacht der Girondijnen’ van Jacques Presser naar Jerzy Kosinsky met zijn ‘Geverfde vogel.’ Daarna alle verhalen, die van Bloeme Emden, Marga Minco, Etty Hillesum en zo veel anderen.

                          *

Ooit stonden we met tranen in de ogen bij Yad Vashem in Jeruzalem, de foto’s, namen en leeftijden van tientallen omgebrachte Joodse kinderen echoden na in ons hoofd. 

                           *

En nu zijn we in Berlijn, de stad van Hitler’s bunker, hart van het land van waaruit de plannen voor de vernietiging van de Joods-Europese bevolkingsgroep werden gesmeed. Endlosung. Vernichtung. Duitse eufemismen voor dood en verderf. 

                           *

Het nieuwe Berlijn, zeventig jaar na het einde van de barbaarse oorlog is een stad van herinnering en nieuw elan. Nieuw elan in de Oost-Berlijnse wijken met opgeknapte hofhuizen waarin de kogel- en granaatinslagen als gaten in de tijd herinneringen levend houden. 

                          *

Gids Pieter laat ons de andere gaten in de stad zien: daar waar geen overlevenden terugkeerden in de Joodse wijk kwamen geen woonblokken terug maar ontstonden speelplekken en parkeerplaatsen. Gaten alsof de stad wisselt van melkgebit naar volwassen tanden en kiezen. 

                           *

We fietsen door de brede straten naar een, aldus Pieter, ‘enorme toeristische trekpleister.’ Het Holocaust-monument. En zoals altijd met toeristische trekpleisters zien we souvenir-winkels, restaurantjes en koffietentjes. Tegenover de strip van vermaak ligt een rechthoekig plein met betonnen blokken in verschillende hoogten en maten. 

                           *

De blokken symboliseren de weggevaagde Duits-Joodse gemeenschap, niet als groep maar als individu. Ieder blok staat op zich. Lopend door het desoriënterende blokkendoolhof voelt de bezoeker zich nietig. Tussen de rijen door aan het einde staat een rij bomen: de prachtige herfstschakeringen geven kleur aan het grijs van de blokken. 

                          *

De Berlijnse baby’s van 1945, destijds geboren in het provisorisch ingerichte ziekenhuis in de kelders van de Reichstag, zijn nu zeventig jaar. Hun ouders en grootouders, de schuldige generatie, is dood. Weg. De zeventigers, hun kinderen en kleinkinderen zijn van een andere tijd. Een tijd van samenvoeging, bewustzijn en hoop. Duitsland van Frau Merkel redt tegenwoordig de wereld: van Griekenland tot vluchteling, Duitsland opent zich.

                          *

In Prenzlauer berg, het hippe Oost-Berlijns stadsdeel wemelt het van de vaders en moeders met kinderwagens. Vrolijke bio-tentjes, alternatieve kledingzaken, een Kultur-brauerei waarin creatieve Berlijnse ondernemers voor € 10,- een vierkante meter bedrijfsruimte huren. Een theaterschool voor kinderen met Down. Een oefenruimte voor de plaatselijke drumband. Lesruimte voor de piano-juf uit de buurt. Niets herinnert aan de beklemming van na-de-oorlog. Het leeft en bruist, dit nieuwe Berlijn. 

                           *

Zonder zich te ontdoen van de geschiedenis, die overal aanwezig is, integreert Berlijn verleden met heden: het voormalige Oost-Duitse elite-woonblok staat fier in de zon recht tegenover de onooglijke parkeerplaats waaronder Hitler’s bunker zich bevond, nu volgestort met kiezels en beton. In het prachtig-opgeknapte Hofmann-hof van een van de weinige Joodse families die terugkeerden na de oorlog om een bedrijf op te bouwen, is een woonhof vol creativiteit gerealiseerd. 

                         *

Het verleden is heden zonder schuld en schaamte.

                         *

Bij terugkeer in het hotel lees ik het bericht van de dood van Frans Pointl. Deze grote, kleine schrijver is niet meer. Hij, kind van een Joodse overlevende moeder, tweede generatie-tobber, schreef zo mooi over verborgen verdriet en verlangen. ‘De kip die over de soep vloog.’ Kippensoep met zo weinig kip dat deze er vast overheen was gevlogen, aldus Frans’ dominante moeder. Frans, groot humorvol schrijver van verborgen Joods leed. Ik eindig met zijn woorden: ‘Elke avond hoop ik weg te schuifelen in de eeuwigheid.’ *

‘Schuifel zacht.’

*Frans Pointl (1933-2015)

                      ***

 

Essentiële oliën 

 Het is vroeg. De perrons zijn koud en verlaten. Het is goed een warme jas aan te hebben. Mistige kilte trekt omhoog van laars naar lijf. We wachten. We wachten op de trein naar Berlijn. Het is donderdag 1 oktober, 6.34 uur.

                         *

‘Met Marijn spreek je. Ben je aan het werk? Stoor ik?’ Als ik opneem, het is een uur of twee, woensdagmiddag, zie ik de naam van ons kind op het display maar ik hoor de stem van haar vriend. In 0,002 seconde schiet het door mijn hoofd: tram-, auto-of fietsongeluk. Iets anders Ergs. ‘Nee, je stoort niet’, zeg ik haastig alsof mijn snelle woorden hem eerder de onheilstijding doen overbrengen.

                         *

‘Julia is erg ziek. Ik kan haar niet alleen laten maar ik moet naar college. Ze geeft erg over, zo erg dat ze bijna geen adem meer kan halen.’ In gedachten heb ik het document waar ik aan werk afgesloten, de computer uitgezet, mijn tas gepakt, de autosleutels, -waar zijn ze? -, gepakt Ik ben weg in gedachten, in werkelijkheid zit ik op mijn stoel, starend naar het document van opeens zo minuscule importantie.

                          *

‘Ik sluit hier af en kom naar haar toe. Ik ben er over een uurtje.’ Ik tik nog heel even door, weet niet meer goed wat te schrijven. Ik mail het document toe naar mijzelf, misschien kan ik het vanmiddag afmaken. 

                          *

Ik pak mijn werktas uit de kast met schuifdeuren. Harmonicadeuren, duifgrijze deuren die je met enige kracht uit elkaar trekt. Een ongebruikt sleuteltje, – de deur mag niet op slot vanwege de verjaardagsslingers van de afdeling ernaast,- steekt nutteloos in het slot.

                            *

In de trein hebben wij in wagen 7 de gereserveerde plaatsen 34 – 36. 

‘We rijden achteruit’, constateert mijn man. Het is een goede plek. Een beetje krap. Maar wij zijn niet groot. We zitten achter twee maal vier plekken met een fijn tafeltje ertussen. ‘Dat is een lekker plekje’, kijkend naar de vier-met-tafeltje, zeg ik en ik denk daarbij aan het document van gisteren dat ik graag afmaak. Maar brave burgers die wij zijn nemen wij plaats op de twee achteruitrijd-plekken. 

                           *

De twee maal vier plekken-met-tafeltje worden brutaalweg ingenomen door twee maal vier gezette dames. Zij tillen puffend en met rode hoofden hun enorme koffers in het rek boven de zitplaatsen. Zij dragen T-shirts met lange mouwen, lang genoeg om ver over de dikke billen te worden getrokken. ‘Als er mensen komen die gereserveerd hebben gaan we wel weg’, beweert de bijdehandste van de acht. Zij draagt een zonnebril die zij de komende uren niet afzet. Haar mond staat geen seconde stil. Zij babbelt maar door: over haar website ‘die valt gewoon op, he, ook gewone mensen lezen de info op mijn site met plezier’ beweert zij zonder een spier te vertrekken. 

                           *

Na een uur luisteren en gokken ‘zijn het vriendinnen? Collega’s? Wellness-liefhebsters?’ hoor ik de babbelaarster vertellen over essentiële oliën. Dat is het wat ik telkens ruik. Vleugjes doordringende lucht drijven soms onze kant op. Een hevige geur van mint bereikt onze neusgaten. De dames doen iets met essentiële oliën en zij bezoeken daarvoor een conferentie. ‘Je moet direct naar de boeken gaan’, raadt de bril allen aan. ‘Dat is het beste, en neem vooral een lege tas mee!’ 

                            *

De andere dames luisteren gelaten. Hun tafeltje staat vol met een pot kwark, zakjes brood, flessen water. Kartonnen thee- en koffiemokken staan in het midden. Plastic lepeltjes steken parmantig uit de plastic deksels met gaatje. Een ronde doos met snoep staat in het midden. De dikke vingers nemen geregeld een knisperend snoepje en peuteren dit uit het gekleurde papiertje. Popperig in elkaar gedraaid glimvloei met een krulletje aan de uiteinden.

                      *

Als ik aankom in Amsterdam glip ik achter een studente aan door de voordeur. Hindernis 1 is genomen. Nu hoeft het doodzieke kind niet naar beneden te lopen. Ik loop de lange gang door. 5 D 14 en 15. 15 is de slaapkamer. Ik druk op de zoemer. Het zieke kind doet open en loopt struikelend terug naar het bed met daarnaast een teiltje. Ze laat zich vallen op bed en geeft over. 

                          *

Naast mij in de trein staat nu een dikke dame van de essentiële oliën. Zij behoort tot het groepje van vier dat tijdens de stop in Enschede is verjaagd door twee Twentse stelletjes. De zware koffers zijn verhuisd evenals de dames zelf. Een van de Twentse heren wint de babbelstrijd van zonnebril. De man lult maar door, over Volkswagen en ‘diezels, man man die zijn vervuilend!’ tot en met ‘waar ligt het hoetel noe ok al weer prezies?’ De vrouwen lachen vaak en veel en dat stimuleert de praatjes van de man. Hij delibereert op luide toon door.

                      *

Na een paar overgeefsessies leeg ik in een korte pauze snel het teiltje. Ik spoel het om. De tissues die verfrommeld in de prut liggen gooi ik in de wc die van slag raakt en rap overloopt. Manmoedig steek ik mijn arm in de pot en trek de gore prop eruit. Al bubbelend loopt de pot leeg. 

                          *

Ik zoek in een la de bruistabletten waarmee het zoutgehalte van de zieke weer op peil kan worden gebracht, zet thee, maak bouillon, rooster brood, bel de huisarts, haal medicijnen, wat lichte crackers bij de supermarkt en een klein bakje Quinoia salade bij een groentewinkel op het Gelderlandplein. ‘Dat is dan € 6,95, mevrouw’, zegt de aardige groentenjuwelier. 

                        *

Langzaam keert kleur terug op haar gezicht, ze drinkt de zoutoplossing en bouillon, neemt wat muizenhapjes brood. Ik ruim een beetje op ‘mam, dat hoeft niet..’ , klinkt het zwakjes vanuit het bed. Maar ik doe een afwasje, gooi wasgoed op een hoopje, zet ramen open voor frisse lucht en wapper met een vochtige doek om het ergste vuil van het bed te poetsen. Zo’n moeder die ik nooit worden zou.

                          *

We zijn in Berlin-Spandau. Rudolf Hess zat daar gevangen. Grond vol geschiedenis, Blut und Tränen. We zijn er bijna. 

                          *

Vannacht werd ik om 00.45 uur wakker van een whatsapp-piepje. 

‘Nog bedankt voor vanmiddag, het gaat al beter. Quinoa salade is erin gebleven (en was erg lekker!). Veel plezier in Berlijn morgen! Ik laat wel weten hoe het bij de huisarts ging maar het gaat dus al beter. Succes morgen met de reis! 🇩🇪 🇩🇪 🇩🇪’

                         *

Het document kwam af. De praatzieke Twentenaar houdt zijn mond. We zijn er. Berlin Hauptbahnhof.

                       ***