Bye, bye Berlin

  
Twee dagen na terugkeer uit Berlijn. De uitgelezen boeken liggen op de buffetkast, klaar om teruggebracht te worden naar de bibliotheek. De verhalen van Philippe Remarque uit ‘Boze geesten van Berlijn’, zo herkenbaar. Over de grote gebouwen met ornamenten plafonds. Over romantisch gedecoreerde liften waarvan je dacht dat deze alleen in oude Parijse films bestonden. Ik stond in zo’n lift in pension hotel Savoy, gelegen in een zijstraat van de Kurfurstendamm. 

                           *

Na enig trekken en duwen gingen de deuren open, hout achter goud. De liftconstructie, duidelijk zichtbaar door al het glas in de schacht zag er solide genoeg uit. Door de glazen ruitjes zag ik de verdiepingen aan mij voorbij trekken. Langzaam, horterig. Bij aankomst op de juiste etage was het weer duwen en trekken geblazen voordat ik de deurtjes openkreeg. En daar stond ik. Op de zachte loper van pension hotel Savoy.

                         *

Ook hier rijk versierde plafonds boven de smalle gang. Een lieve dame bij de receptie wijst ons de ontbijtruimte. Uitkijkend over de Meinekestrasse zien we aan de overkant oude, vooroorlogse gebouwen, een aantal glad gestucte van vlak na de oorlog en een modern gebouw, met veel licht en glas. Veel restaurants, cafés, en voor de deuren grote, glanzende auto’s: BMW, Audi, Jaguar, zwart, rood en donkergroen-glanzend staan ze te glimmen in de zon. Een paar geplaagde Volkswagens staan als lichtelijke armoe-auto’s, vergeleken met de bakken om hen heen, zich een beetje te schamen. Op de zijkant van het kleine balkon van Savoy’s ontbijtruimte staat een manshoog beeld: voornaam kijkt het neer op de rustige straat. De afgestompte, stukke toren van de Gedachtniskirche, als een half-opgebrande sigaar midden tussen de glazen gebouwen van de West-Berlijnse wijk Charlottenburg, staat net uit het zicht van deze vaal-witte heer. 

                          *

Onze hotelkamer is buiten-proportioneel en ook hier een prachtig plafond. Gelegen op het zachte bed met het spierwitte dekbed waar onze Oosterburen patent op hebben, – zacht doch stevig en warm, – kijk ik naar boven. Vroeger, als kind had ik ook zo’n kamer: vanuit mijn hemelbed keek ik schuin naar boven naar de versierde plafonds van ons Haarlemse herenhuis. Twee grote ramen die je met moeite optilde en vastzette met een haakje voor wat frisse lucht. De grote kastanjeboom achter het rechterraam. Een zee van ruimte die niet op te vullen was met een zitje, bureau en een lage, lange kast. Op de lage kast stonden mijn poppen, zorgvuldig aangekleed met kleertjes die mijn moeder voor de poppen maakte: een boerenfamilie in klederdracht en mijn lievelingspop, Toni, met zijn olijke kop, rood-geruite bloesje en koddige spijkerbroekje.

                           *

Hier ook zo’n zee van ruimte met een brede bank, een kledingkast ruikend naar mufheid van jaren en een eikenhouten bureau. Het bed staat tegen de linkerwand. Bedlampjes aan weerszijden laten een zacht licht glijden over de versleten maar schone Perzische kleden op de grond. Als we de vitrage, vergeeld door de jaren heen, openschuiven zie we een binnenplaats vol verwaarloosd groen. Het is stil, heel stil hier, midden in het centrum van de stad.

                            *

Later lopen wij door de drukke straten en vergapen wij ons aan de sjieke etalages, elegante dametjes, zwaar opgemaakt met dure kleding aan, kasjmieren jassen, rijkbedrukte sjaals, hoge hakken en zwaaiend met tassen van KADEWE. Zo nu en dan struikelen wij over kleine steentjes. Bij nadere beschouwing staan er namen op de bronzen klinkertjes: ‘Hier wohnte Max Cohen, 10.1877 deportiert 28.3.1942, ermordet in Auschwitz.’ Overal in Berlijn liggen ze, de geschiedenis van de voor-oorlogse bewoners uitgedrukt in Stolpersteine, struikelsteentjes.

                         *

Op onze laatste dag in Berlijn, na zoveel indrukken een beetje moe, bezoeken wij het Hamburger station met onbegrijpelijke moderne werken van Josef Beuys en minder onbegrijpelijke, prachtige tekeningen van Andy Warhol. Daarna hebben wij geen zin meer. Lusteloos ploffen we neer op een bankje voor het monumentale gebouw in de ronde tuin. ‘Laten we een stukje lopen’, stel ik voor en dat doen we. Naast het museum ligt een kaarsrecht kanaal. Daarnaast een voetpad waar joggers en fietsers hun zondagse loopje en ritje maken. In de zon van ‘het laatste warme weekend in Berlijn’, zoals de ober-met-staartje ons de vorige avond toevertrouwde in het oer-Duitse restaurant Gasthaus Krombach, wandelen we rustig langs het water. 

                         *

Aan het einde van het pad ligt een begraafplaats. Invalidenstrasse heet het hier. Drie stukken beton staan verloren midden op de begraafplaats. ‘Zou dit een stuk muur zijn?’, vraag ik. 

‘Nee, dat denk ik niet, die muur was toch veel hoger?’, aarzelt mijn man. We lopen en lopen. Nog een stuk muur met een plaquette. En ja, het zijn overblijfselen van De Muur. De begraafplaats was vroeger in tweeën gedeeld. Graven werden geruimd voor het plaatsen van de muur en het creëren van het grote stuk niemandsland. 

                         *

Later lees ik dat de muur niet bepaald de trots van Duitsland is. Er is bijna niets meer van over. Veel stukken, vooral die met ‘echte’ graffiti, zijn gesloopt, als souvenir meegenomen, vermalen om in hangers aan kettinkjes te stoppen. Stukken muur staan in de opslag op terreinen van de gemeente, niet wetend wat men er mee moet. De herinnering aan de tweedeling wordt alleen levend gehouden door de kitscherige plek ‘Checkpoint Charlie’, gelegen midden op een druk kruispunt. Drie slimme gasten verdienen hier geld door met toeristen op de foto te gaan: een draagt een wit uniform met witte pet, Amerikaanse vlag in de hand, de ander een kaki uniform met kekke kepi. Nummer drie vangt de € 3,- die het fotograferen kost. Ook ik ga, zeer tegen de zin in van mijn man, op de foto. De witte pet fluistert tegen mij: ‘du bist eine heisse Frau.’ Ik kijk naar mijn fotograferende man en lach naar hem. ‘Do you understand me?’ De griezel houdt nu mijn hand vast. Ik had hem op zijn maffe hoofd moeten slaan. 

                         *

Door Berlijn loopt een dubbele rij stenen waar ooit de muur lag. Weer stenen op de grond. Alleen struikel je hier niet over. Je staat er letterlijk niet bij stil. En misschien willen ze dat ook niet, de Duitsers. Dit stukje geschiedenis is misschien nog te vers. Wel Stolpersteine maar geen Stolpermauer. En ja, ik had hem een knal moeten verkopen. Schade.

                         ***

Advertisements

Leave a Reply

Please log in using one of these methods to post your comment:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s