Parel

  
Het is een koude ochtend. De vlaag ochtendlucht die met de katten mee van buiten naar binnen waait kruipt onder de dunne pyjamabroek. De bomen in onze straat worden beschenen door een witstralende zon. De zondagochtendstilte staat in stevig contrast met de hectiek van de stad die ik gisteren bezocht. Utrecht.

                       *

Nooit kwam ik eerder in deze stad, ja ooit voor een cursus en een overleg, snel lopend door het station met het onpersoonlijke winkeldoolhof dat nu wordt verbouwd naar een winkelcentrum met een ‘menselijke maat’ gericht op ‘een betere aansluiting met de binnenstad.’

                         *

Vanwege allerlei obstakels – tussen Haarlem en Amsterdam rijden dit weekend geen treinen – ga ik met de auto naar Utrecht. De wegen zijn stil op zaterdagochtend rond half elf. Vijf brede banen waarop automobilisten angstvallig niet harder rijden dan 100 kilometer per uur, bang voor de bon die bij hogere snelheden ongetwijfeld na een week of wat op de mat valt. We kruipen als egeltjes in de herfst over de weg. 

                         *

In mijn geavanceerde auto klinkt plots de rode alarmbel waar ik nooit aan zal wennen. Niet wetend hoe ik deze uitzet accepteer ik gelaten dat ik nu en dan een stoot adrenaline krijg bij te hard op een paaltje afrijden (terwijl ik deze heus wel zie), als ik te weinig afstand houd tot mijn voorganger (terwijl ik expres een beetje jaag) en naar nu blijkt ook als ik denk aan een mooie eerste zin voor een verhaal. Ik zit te lang stil en wreed verstoort de auto mijn gemijmer. Ook dat kan dus niet in deze auto. Mijmeren op de weg waarop 100 kilometer per uur de maximale snelheid is. Wat een armoe. 

                         *

De Tom Tom wijst mij intussen stoïcijns als altijd de weg naar de parkeerplek waar ik niet voor hoef te betalen. In een beetje treurige, volkomen vlakke, woonwijk met onbegrijpelijke straatnamen als Helling en Rotsoord parkeer ik de auto. Ik kijk om mij heen hoe de straat heet waarin ik parkeer en ik noteer voor de zekerheid de naam: Tolsteegplantsoen. 

                           *

Op deze zaterdag wordt het zonnig, de slaperige woonwijk krijgt zowaar een vrolijke aanblik bij al dat zonnegeschijn op platte daken, tegen de halfopen luxaflexen aan, de zon laat zelfs de meest onooglijk-oude auto glanzen. Een jonge man sjouwt wat vuilniszakken naar buiten. ‘Zo buurman, ga je op vakantie?’, roept een jolige stem achter mij. Ik vraag me af wat de associatie is van een vuilniszak met vakantie. De jonge man antwoordt maar ik hoor niet wat.

                           *

De binnenstad naderend – nauwe straten met winkeltjes – overvalt mij opeens de drukte. Klingelende fietsers, wandelaars, koffiedrinkende mensen, jonge ouders met kinderen voor- en achterop de fiets, kinderwagens, de kleine straatjes zijn vol met geluid, het echoot alle kanten op. 

                          *

Ik zie een winkel met 50 soorten pepernoten. Grote, kleine en middelgrote pepernoten in dikbuikige stolpflessen. Alleen maar pepernoten in het schilderachtige zaakje. Iets verderop schijnt de toren van de kerk met een gouden glans boven de huizen. Naast de diepe grachtwanden kleuren bomenrijen geel, rooiig en bruin. De zon doet de kleuren oplichten en dan dat spitse kerktorentje. Mooi.

                          *

Ik voel opeens een handje in de mijne. Ik kijk opzij. Een klein meisje met een roze petticoat-rokje kijkt mij verwachtingsvol aan. Ze huppelt een beetje. ‘Ik denk dat je je vergist’, glimlach ik. Ze schrikt niet eens zo heel erg, laat mijn hand los, huppelt naar haar moeder. Blonde krullen wapperend op haar rug. 

                        *

‘s Avonds gaan wij na een diner voor vier – door onze vrienden in hun auto naar het Tolsteegplantsoen gereden – op zoek naar onze auto. Het plantsoen bestaat uit vier hoeken. Pas op de derde hoek staat de auto. Even dachten wij dat hij gestolen was. Maar nee, ons knipperende met alarm uitgeruste rode monster staat er nog. Op hoek drie.

                           *

En over de stille snelweg rijden wij terug. Zonder gemijmer, alle voorgangers netjes op gepaste afstand houdend, alle paaltjes omzichtig benaderend zijn wij weer thuis. Zonder toeters en bellen.

                         *

En nu is het zondag. Een koude stilte valt over mij heen. De Scandinavische bijlage van de krant vult moeiteloos de ochtend. Een gestolde druppel thee hangt aan de rand van het glas, dof glinsterend als een verse parel uit een zojuist geopende oester.

Zondag rustdag.

                       ***

Advertisements

Leave a Reply

Please log in using one of these methods to post your comment:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s