Poortje

  
Het was groot nieuws. Van een geheel andere orde dan het nieuws van de afgelopen dagen. Het straatje van Vermeer is gevonden. In Delft in de De Vlamingstraat 40-42. Mijn gedachten gaan uit naar de familie die er nu woont. Op nummer 42, want dat huis staat bijna in zijn geheel op het schilderij. 

                            *

In Trouw staat dat Gijs Withagen woont in het huisje van Vermeer. Eigenlijk het huisje waar ooit de tante van Vermeer woonde. Gijs vindt het geen probleem dat het huis hordes toeristen gaat trekken. Vooral Japanners zijn dol op Vermeer en zullen in grote getale langs zijn huis trekken. En omdat Japanners altijd zichzelf fotograferen met op de achtergrond de plek die zij bezoeken, zal het een Japans selfie-huisje worden. Ik vraag me af wat Vermeer daarvan zou hebben gevonden.

                           *

Gijs van nummer 42 vindt het geen probleem: ‘Een beetje levendigheid in de straat is juist gezellig.’ Ik moet er niet aan denken. Ik vind het al vervelend dat een keer per jaar de avondvierdaagse langs ons huis trekt. Joelende kinderen, hun wangen bol van snoep, die hier en daar aan een struikje trekken en belletje lellen. Hun ouders die zogenaamd niets zien en al netwerkend en babbelend door ons stille straatje lopen. Vreselijk. 

                            *

Ik kijk naar de foto van het huisje van Vermeer. De poort naast het huis doet mij denken aan de geheimzinnige poort van vroeger bij ons huis. Een eindje verderop van nummer 22 – wij woonden in een twintiger-jaren huis in een Haarlems stadspark – was een poort. Deze was afgesloten. Maar je kon erachter komen. Dan moest je er ongezien overheen klimmen. Ik pijnig mijn hersenen: hoe ben ik daar ooit gekomen in die geheimzinnige achterom? Zo’n durfal was ik niet en klimmen over zo’n hoge poort? Maar ik ben er geweest. In de nauwe gang. Vol met rottende bladeren en vol spanning. Als ik eraan denk voel ik weer de druk op mijn blaas. Een beetje krom loop ik door het vieze gangetje. Als ik krom loop plas ik niet in mijn broek. 

                              *

Het eerste huis achter een krakkemikkige schutting is van de twee ‘zusters’: zuster van Hemert en zuster Timmermans. Twee oude dametjes, lief en rimpelig als de appeltjes die zieltogen op het gras in onze tuin. Daarnaast liggen het huis en de tuin van mijn tante. Ik vind mijn tante eng. Zij is streng en cynisch. Ik mag hier vast niet lopen. Ik zie haar ijsblauwe ogen vanonder haar nepblonde pony waarvan altijd een paar haartjes eigenwijs rechtop staan. Naast het huis van mijn tante ligt het huis van onze buren. De familie D. die vier zonen heeft. De jongste zoon heet Mark, hij is van mijn leeftijd. Mijn tante noemt Mark ‘Rukkie’. Ik snap het niet. Maar zij legt het uit. ‘Die jongens roepen altijd ‘Marruk! Hoor je het? Marruk in plaats van Mark.’ Mijn tante spreekt geaffecteerd. Zij denkt dat zij heel wat is. En ik begrijp dat zij haar en onze buren veracht. Marruk. Rukkie.

                              *

Het huis van Vermeers tante is symmetrisch: net als dat van ons: hoge ramen, twee beneden, twee daarboven en boven de deur het kleinere raam van de badkamer.

                             *

Ik droom weg bij het schilderij: het schrobgootje waaruit de deskundigen opmaakten dat het huisje van Vermeer aan een gracht lag. Ik stel mij voor dat via het gootje het vieze schrobwater uit huis de gracht in liep. 

                             *

Het huis van Gijs aan de De Vlamingstraat 42 lijkt qua vorm – robuust en rechthoekig – op het huis van Vermeers tante Ariaentgen. Maar het is zichtbaar van een latere datum. Ons huis leek sprekend op dat van mijn tante Jenny.

                             *

Later, in de auto mijmer ik voort over straatjes, huizen, grachten, schrobgootjes en spannende poortjes met rottende bladeren. Het is weer eens wat anders dan de gedachten aan de man die met een Kalasjnikov nog even terugkeert om twee vrouwen onder een Parijs terrastafeltje af te maken. Het wapen weigert. De vrouwen rennen weg, ze grissen in een reflex hun handtassen mee. Ze rennen hun eigen poortje in. Een poortje van angst. En ik hoop dat ze eruit klimmen. Ooit. Net als ik. Toen. En dat ze ooit weer, zomaar op een ochtend in november, in alle rust en met plezier kijken naar een schilderij met daarop een straatje, een huis, een schrobgootje en een poort. Met in de poort de hulp van tante Ariaentgen die een stuk wasgoed schrobt met zo’n ouderwetse plank. Het vuile waswater laat zij zo dadelijk weglopen in het gootje. Het schrobgootje.

                            ***

Advertisements

Leave a Reply

Please log in using one of these methods to post your comment:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s