Schathemeltjerijk

  Lopen langs de lijnen van de tijd. Met de rechterhand houden we het ruwe touw vast van de wiebelende loopbrug en wandelen we van vandaag naar morgen. Gisteren ligt achter ons. 

                         *

Onze bestemming is nog geen stip op de horizon, een vage contour die zich aftekent en je knijpt je ogen dicht tegen de felle zon. Gisteren en eergisteren verplaatste je nog wat obstakels op je pad, hele stukken liepen lekker door en soms, na een scherpe bocht, verraste een prachtig vergezicht. 

                           *

Het werd donker en na wat tastend doorlopen en struikelend over onzichtbare stenen sloeg je uiteindelijk haringen met een houten hamer in de rotsige grond. En je sliep, opgekruld in het tentje, omhuld door een warme slaapzak. Dons tegen je wang, geluiden in de verte als muziek van een onbekende zender uit een radio die zachtjes aanstaat.

                           *

Nu wankel je boven het ravijn. Als je durft kijk je naar beneden en je ziet de rijke begroeiing, vingervormige varens en palmen met ananasachtige stammen. Smal, snelstromend water slingert zich schuimend door de diepten. 

                          *

Hoe baan ik mijn weg door de tijd? Het is als een tocht door een onbekende natuur: onberekenbaar, mooi, spannend en vol hindernissen. De afgelopen week schalde naast de afgekloven Top 2000 nummers uit de radio: ‘HOE WORD JE SCHATHEMELTJERIJK?’ Een reclame van de Triodos-bank, over rijkdom. Onderzoeken naar geluk komen voorbij in krant en tijdschrift.

                         *

Rijkdom en geluk. En de betekenis ervan voor het aflopen van het pad, die mooie, soms hobbelige, dan weer onneembaar lijkende weg waarlangs we wandelen, struikelen en soms heerlijk slenteren.

                           *

Laatst at ik met mijn in Amsterdam bivakkerende 18-jarige zoon. Mijn meestal nogal zwijgzame kind zat tegenover mij. Op enig moment was hij op mijn pad gekomen. Ik raapte hem verwonderd op, een klein en rood manneke. 18 jaar wandelen we, lopen we samen op. 

                          *

Tijdens het eten vraagt hij:

‘Hoe was oma Cootje eigenlijk?’ En ik vertel hem over oma Cootje. Over wie zij was. 

‘Praten Barry en jij wel eens over Ige?’ En ik vertel dat wij dat doen.

‘Heeft Ids bewust Ige’s dood meegemaakt?’ En ik kan dat alleen maar bevestigen. Het kleine broertje van Ige praat nog regelmatig over zijn grote broer. Die hij mist. En ik vertel mijn kind dat even oud is, was als Ige – die stierf toen hij dertien was – dat zijn kleine broertje graag optrekt met grote jongens. Jongens als zijn broer.

‘Ige was een aardige, slimme jongen’, herinnert mijn zoon zich de zoon van mijn vriendin.

‘Jullie speelden altijd leuk met elkaar. Eindelijk deed jij ook eens wat met LEGO als je bij hem was.’ Ik glimlach bij de herinnering.

                           *

Gisteren haalde ik mijn meisje op die de middag met haar opa doorbracht. Ze draagt haar nieuwe, blauwe trui. Daarboven wapperen blonde haren en ik zie blauwe ogen hetzelfde blauw als de trui. 

‘Opa liep erg slecht vandaag’, meldt mijn kind. ‘Hij kwam haast niet vooruit. Hij struikelde een paar keer in de Deka en viel bijna bij van Maanen van het trappetje.’

                            *

Glunderend vertelde mijn vader de dag ervoor dat hij woensdag – als mijn dochter kwam – hij haar zou meenemen naar bakker van Maanen voor thee met een taartje.

‘Ze weet het nog niet.’ Mijn vader’s ogen glimmen. Hij gaat met zijn kleindochter boodschappen doen en gezellig iets drinken. 

                           *

Gisteren zei mijn man: ‘Ik moest vanochtend even een boodschap doen in Hillegom. Ik zag een leuke vrouw onderweg.’ Ik kijk hem lachend aan en laat alle leuke vrouwen uit de omgeving de revue passeren. Mij maakt hij niet gek. De leukste is net verhuisd. Zij kan het niet zijn. 

                           *

‘Ze fietste en had een kek, rood jasje aan. Echt een mooie vrouw.’

Weer kijk ik hem aan. ‘s Ochtends fietste ik naar Lisse. Voor de verandering eens niet langs de Leidsevaart maar door ons buurdorp Hillegom. Ik wilde weer eens de weg fietsen van toen. Toen ik de kinderen naar school bracht, de Veenenburgerlaan op zwenkte en naar het werk fietste door bontgekleurde velden in de zomer, kale in de winter. Vanochtend droeg ik mijn rode bomberjackje.

‘Haha, was ik het?!’ En ja, ik was het. Ik word er verlegen van. Hij meent het.

                          *

Het mooiste boek dat ik las in 2015 was Stadium 4, over een echtpaar dat tijdens een reis naar hun geliefde Zweden afscheid van elkaar neemt. De vrouw heeft kanker, het is hun laatste reis. Een verhaal over de liefde.

De mooiste film van 2015 was Son of Saul. Over een Sonder-kommando in Auschwitz die in een onbegrijpelijk inferno zijn zoon een fatsoenlijke begrafenis wil geven. Een film over de liefde.

                            *

Ik loop over de wiebelbrug. Met mijn gezicht in de zon, mijn vingertoppen raken het ruwe touw, het kriebelt, en ik kijk naar het groen, het stromende water, de onzichtbare verte. Schathemeltjerijk.

                         

                         ***

Advertisements

Een fatsoenlijk gesprek

  
In de Volkskrant van 24 december 2015 wordt teruggeblikt op het jaar 2015. Ik ben dol op terugblikken. Terugkijken naar het afgelopen jaar. Het jaaroverzicht van het journaal, foto’s en teksten van 2015 in kranten en tijdschriften. Heerlijk. Het ‘o, ja’- gevoel dat zich meester van je maakt als je alle gebeurtenissen van het jaar de revue ziet passeren. Sporters die winnen of verliezen, een familiedrama, oorlogen ver weg. 

                         *

Vanuit mijn comfortabele, luie stoel in ons warme huis in het veilige land waarin ik woon, kijk ik naar de beelden. Ik, die tot de generatie behoor die nog nooit ‘iets’ meemaakte, luister naar de verhalen. Geen oorlog, geen terreur, geen honger vielen ons ten deel. Wel hadden we verdriet zo nu en dan, maar dat ging om verdriet-dat-hoort-bij-het-leven. Ziekte, dood, ontslag. Geen kogels, geen puin, geen rondvliegend glas.

                          *

In de krant lees ik over 2015 als het jaar van de vluchtelingen. Een hot item. In het artikel in de Volkskrant waarboven staat ‘Geweld kan dus wel degelijk lonen’ blijven mijn ogen haken aan een alinea. Ik raak deze alinea niet kwijt. Na een aantal pagina’s keer ik terug. Ik lees het stuk nog een keer. 

                          *

‘Volgens hoogleraar lokaal bestuur Marcel Boogers neemt Geldermalsen een goede beslissing. “De gemeente heeft over dit onderwerp geen fatsoenlijk gesprek met de samenleving gevoerd, terwijl veel inwoners zich wel zorgen maken over de komst van zo’n groot aantal vluchtelingen. Dat je nu op je schreden terugkeert, snap ik. Dat is niet hetzelfde als zwichten voor geweld, maar die boodschap is lastig over te brengen.”

                         *

Geldermalsen, waar boze inwoners de raadsvergadering over de komst van een asielzoekerscentrum zodanig verstoorden dat de raadszaal werd ontruimd. De burgemeester het boetekleed aantrok. De democratie ten grave gedragen werd. Het AZC er niet kwam. En ik denk aan een paar maanden geleden. Toen voerde ik een gesprek. Zo’n gesprek waar hoogleraar Marcel Boogers het over heeft. Een fatsoenlijk gesprek.

                       *

‘Wanneer begint de informatieochtend? Ik dacht dat het om 10.00 uur begon?’

Vragend kijkt de man, die zojuist is binnengeslenterd, in het rond. We staan in het gemeentehuis. In de grote ruimte waar een keer per maand de raad vergadert zijn statafels geplaatst met daarachter wethouders, ambtenaren en de burgemeester. Wij hebben een felgekleurd key-cord om, zo zijn wij herkenbaar als ‘van-de-gemeente’. Inwoners kunnen vragen stellen over de opvang van vluchtelingen. Gedurende zes dagen wordt in de gemeente een groep van 150 vluchtelingen opgevangen in een sporthal aan de rand van het dorp.

                          *

‘U kunt al uw vragen stellen aan ons. Er is niet een algemeen informatie-deel, u kunt terecht aan een van deze tafeltjes.’

Teleurgesteld kijkt de man om zich heen. Hij is niet de enige die denkt dat hij kan gaan zitten, het verhaal kan aanhoren en zijn mening kan geven. Ik zie meer mensen verwachtingsvol plaatsnemen op een stoel verderop in de zaal, kijkend naar een niet bestaande spreker.

                         *

‘Dus ik kan met u praten?’

‘Ja, dat kan. Of u kan met een wethouder spreken en daar verderop staat de burgemeester.’ Ik wijs naar achteren. Maar de man blijft staan. Dit tafeltje is goed genoeg. Hij gaat van start. 

                         *

‘Ik ben het er niet mee eens, met de opvang van al die vluchtelingen.’

‘Ja, dat kan. Er zijn meer mensen die het niet eens zijn met de opvang van vluchtelingen. Echter, de mensen zijn er en als ze niet worden opgevangen slapen ze op straat.’

‘U weet niet hoe deze mensen denken, deze mensen denken niet zoals u en ik’

‘U bedoelt de vluchtelingen?’

‘Ja. Ik heb veel gereisd, ik ken deze landen en ik ken deze mensen!’

‘Leuk dat u veel reisde, dan ben u vast geïnteresseerd in andere culturen.’

                         *

Glazig kijkt de man mij aan. Een gewone man, in gewone kleding. Een man zoals er zoveel van zijn. Een beige broek en een beige trui. Een leren jas is zijn enige frivoliteit. Ik schat hem zo’n jaar of 60. De man heeft een rond gezicht. Zijn ogen zijn blauw.

                        *

De vinger van de man gaat omhoog en wijst in mijn richting:

‘Ja, zeker, ben ik geïnteresseerd in andere culturen en daarom weet ik er zoveel van. Deze mensen passen hier niet, in onze cultuur.’ 

‘De mensen die wij opvangen zijn hier, zij zijn gevlucht voor oorlog en conflicten.’

De vinger gaat omhoog.

‘Ja dat zegt u. Dat denkt u. Maar het gaat hier om gelukszoekers. Het zijn geen vluchtelingen, gelukszoekers dat zijn het.’

                          *

Tevreden blikt de man in het rond. Zijn zegje is gezegd. Ik ben stil. Wat moet ik ermee? Als armzalig ambtenaartje luister ik en knik ik zo nu en dan. Een gesprek is het niet. De man is nog niet klaar.

‘Weet u, de mensen die hier komen…’ – zijn stem gaat omlaag en hij spreekt wat minder luid – ‘de mensen die komen, dat zijn de allerrijksten. De echte vluchtelingen, de arme mensen, zij kunnen hier niet komen. Zij kunnen zo’ n overtocht niet betalen.’

‘Maar als zij al rijk zijn, dan zijn zij toch geen gelukszoekers?’, breng ik in. ‘Deze mensen zijn dan toch immers al rijk.’

                        *

Maar dat heb ik verkeerd begrepen.

‘Zij zijn uit op ons sociale stelsel, onze voorzieningen.’ Ik zie zijn gezicht betrekken. 

‘Mevrouw, u weet niets, weet u hoe de mannen met hun vrouwen omgaan?’

Ik weet dat niet. Net zomin als ik weet hoe deze man met zijn vrouw omgaat. Heeft hij wel een vrouw?

‘Vrouwen zijn niets minder als beesten. Die mannen beschouwen vrouwen als varkens.’ 

                         *

Dit gaat mij te ver. Naast het denken aan: ‘anders dan, het is anders dan, niet anders als’ komt aan mijn neutrale afstandelijkheid en geknik een einde.

‘Dat zijn uw woorden. Ik vind dat erg naar om te horen.’

‘Ik ben er geweest, ik weet wat zij denken. Die mannen.’

Mijn collega die naast mij staat vraagt: ‘maar heeft u misschien nog een vraag over de opvang van vluchtelingen?’

Ja, die heeft hij.

‘Hoe lang komen zij hier eigenlijk? Ik dacht maar twee keer drie dagen?’

‘Ja, zij blijven hier zes dagen. Daarna gaan zij ergens anders heen.’

                         *

Dat vindt de man onbegrijpelijk.

‘Dat is toch niks, dat gesleep met mensen? En wat kost dat allemaal?’

Intussen is er iemand bij ons komen staan. Ons tafeltje is een van de lastigste tafeltjes. Verderop hoor ik een bezoekster vragen waar zij zich kan melden als vrijwilliger.

‘Daar heeft u misschien wel gelijk in’, zegt de collega die erbij is komen staan. ‘Wat zou u ervan vinden als wij wat langer vluchtelingen opvangen op een daarvoor geschikte locatie?’

                          *

Maar dat is niet de bedoeling. De man is even stil.

‘Ik ben en blijf er tegen. Het gaat gelukkig maar om zes dagen.’ Nog even blijft hij staan. Hij kijkt of hij bekenden ziet. En die ziet hij: ‘He! Jij ook hier?’ De bekende antwoordt dat hij er ook is. Langzaam loopt ons gesprek ten einde.

‘Als u nog vragen heeft dan kunt u op onze website kijken. Daar vindt u antwoorden op de meest gestelde vragen’, zegt mijn collega vriendelijk.

En ja, dat zal hij doen.

                         *

We vangen de dagen erna de vluchtelingen op. Het gaat goed. Het aantal vrijwilligers dat zich meldt is zo groot dat de organisatie een wachtlijst aanlegt. De hoeveelheid kleding, schoenen en speelgoed die wordt gebracht is overweldigend. 

                          *

Een groepje mannen en jongens voetbalt voor de sporthal aan de rand van het dorp. Kinderen tekenen en knutselen aan een tafel. Ik zie vrouwen, meisjes en jongens. En mannen. En ik denk aan het gesprek aan het statafeltje. Het gesprek dat volgens hoogleraar Boogers nodig was in Geldermalsen. In Steenbergen en in Purmerend. 

                         *

Een fatsoenlijk gesprek. 

                       ***

Smaak

  
Het is de eerste week van de Kerstvakantie. Ooit las ik over het lengen der dagen, zo mooi, dat ik niet wil weten wat het is. Lengen der dagen, woorden die een belofte inhouden.

                           *

Nu zijn de dagen kort. Ik schrijf in het donker met stilte om mij heen. Kinderen die geen kind meer zijn slapen. In mijn eerste halfslaap hoorde ik vannacht hun gestommel en heen-en-weer lopen. Het is vakantie. En we genieten van langzaam wakker worden, rustig beginnen en laat naar bed.

                           *

We kijken series op t.v., koken extra lekker want er is tijd. Tijd om na te denken, wat eten we? Waar hebben we zin in? En dan kiezen voor dikke ravioli’s, gevuld met spinazie. Truffelsaus en gewokte spinazie met knoflook erbij. Kleine plakjes knoflook sissen in de hete olie. De groente wordt lichtgroen en rul. De gladde ravioli, stugge vulling, zachte saus en rulle spinazie. Structuren en smaken als strelingen over de tong.

                         *

Het kind dat ‘s avonds in de keuken rommelt: ‘hier pap, mam, een kaneelbroodje!’ En het zachte deeg met kruidig kaneel ploft in de mond als eetbaar, roze bellenblaas-kauwgom dat naar vroeger smaakt. 

                          *

Overdag lachen we in de brillenwinkel om brillen waarmee je verandert van nerd in hippie, van schooljuffrouw in ‘hey, deze staat je echt leuk!’ Maar we kopen geen bril, we kijken alleen maar. We bezoeken een film in de Filmschuur. Dat prachtige gebouw in een van de oudste Haarlemse buurten. Oud- en nieuwbouw: glas en beton, baksteen en stucwerk. In zaal 2 moeten wij zijn. Het is druk. Groepjes vrouwen, mannen. 

                         *

Een paar donkere mannen krijgt uitleg in het Engels. Ik blijf even staan. Ik moet wachten op het kind. De mannen luisteren aandachtig naar de enthousiast-sprekende dame. Zij legt iets uit over het gebouw, de voorstellingen, de films. De mannen luisteren en kijken om zich heen. Ook in Haarlem worden vluchtelingen opgevangen. Is dit een groepje geïnteresseerde Syrische architectuur-liefhebbers? Toneel- en filmbezoekers? Daar is mijn kind en we gaan naar boven. De zaal is half gevuld. De stoelen zijn zacht. Stof met een grijs-zwart patroontje. We zakken erin weg.

                          *

En we worden meegenomen naar de jaren vijftig. Een warenhuis met liftboy. Een speelgoedafdeling met echte poppen: poppen met oogleedjes die op-en neergaan. Poppen met harde huidjes, deukjes onder de wangen, een poppenmondje. Een dame met kalfsleren handschoentjes koopt een cadeau voor haar kind. Van een verkoopster met poppen-ogen, zacht bruin haar met een pony. De dame heeft oranje lippen. Zij is mooi en sterk. 

                           *

Er is liefde. Liefde tussen de dame met de mooie, oranje mond en het poppenmeisje dat een baret draagt. Hoe kan je de liefde filmen? Nou, zo. 

                           *

Stil lopen we na afloop door een natte en winderige stad. ‘Wat een mooie film’, zegt mijn kind. ‘Ja, prachtig’, antwoord ik. En we denken aan het warenhuis, het bloesje van Therese met een driehoekige uitsparing op het borstbeen. De oranje mond en smalle, blauwe ogen van Carol. Zo kan de liefde zijn.

                         *

Smaakvol. 

                         ***

Halfvol

  

Liggen in de zon

Ik hoor het licht het zonlicht pizzicato

de warmte spreekt weer tegen mijn gezicht

ik lig weer dat gaat zo maar niet dat gaat zo

ik lig weer monomaan weer monodwaas van licht

                           *

Ik lig languit lig in mijn huid te zingen

lig zacht te zingen antwoord op het licht

lig dwaas zo dwaas niet buiten mensen dingen

te zingen van het licht dat om en op mij ligt

                           *

Ik lig hier duidelijk zeer zuidelijk lig zonder

te weten hoe of wat ik lig alleen maar stil

ik weet alleen het licht van wonder boven wonder

ik weet alleen maar alles wat ik weten wil.

Hans Andreus (1926-1977)

De kortste dag van het jaar is daar. 21 december. De tijd van in het donker wakker worden, naar het werk rijden over zwarte wegen en weer terugkeren in de straat met onzichtbare, kale beukentakken was al eerder begonnen. Het sloop er gewoon in, de donkerte. En nu dreigt het vitamine D-tekort. De vitamine die het lichaam zelf aanmaakt door zonlicht. ‘Ik las onlangs dat vrouwen boven de 50 extra vitamine D nodig hebben’, beweerde mijn man laatst. 
                            *

Mijn man is vaak en graag met potjes vitaminen in de weer. Vroeger bezorgde hij de kinderen doorzichtige capsules naast hun bord die ze vol afgrijzen wegklokten met veel water of stilletjes lieten liggen onder de rand van hun bord. Dan lag na afloop van het ontbijt een doorzichtige capsule doorzichtig te zijn op tafel. Het gekke was dat de pil ondanks de doorzichtigheid niet de kleur van de tafel overnam. Hij lag daar als een wittig, kneedbaar raketje op tafel. De poes tikte er wel eens tegenaan. Dan rolde het raketje om zijn as op de grond waar het uiteindelijk – stoffig en plakkerig – werd opgezogen door onze hulp.

                             *

Nu zijn de kinderen groot. Zij dragen zorg voor hun eigen gezondheid. Onze bijdrage daarin beperkt zich tot het betalen van torenhoge ziektekosten-premies en het voldoen van onbegrijpelijke rekeningen en/of eigen bijdragen na apotheek- en/of tandartsbezoek. Die wij zuchtend en steunend overmaken, ons afvragend of wij deze nu wel of niet vergoed krijgen. Nooit overschrijden wij ons eigen risico met als gevolg dat we constant het gevoel hebben alles zelf te betalen. Wat nou, verzekerd?

                         *

Laatst nam onze dochter per ongeluk na het leren van een tentamen een stapel uitgepakte post – tussen haar aantekeningen terecht gekomen -mee van onze tafel. De jaarlijkse brief van onze ziektekostenverzekeraar zat ertussen. Bij het terugbezorgen ervan merkte ze op: ‘Wat betaal jij eigenlijk veel voor de ziektekosten! Dat wist ik helemaal niet.’ 

                         *

Ach, nee, ja, het is veel maar onvermijdelijk. Somber antwoord ik: ‘Zo’n verzekering is eigenlijk alleen echt handig als je in het ziekenhuis belandt en zware operaties of behandelingen moet ondergaan.’ En dan heb je er vrede mee, met de premie, de rekeningen, het eigen risico. Want laten we daar alsjeblieft niet terecht komen, in het ziekenhuis. En je bergt het stapeltje overzichten op in de map waarop staat ‘Ziektekosten’.

                           *

Tegenwoordig drukt mijn potjes-minnende man mij na het avondeten twee pilletjes in de hand. Kleine, witte, ronde. ‘Vitamine D’, zegt hij. En ik slik ze door met wat water uit de beker in zijn andere hand. Daarna kijken wij naar Breaking Bad. Naar ook een zorgzame man met een voorkeur voor verdergaande chemie dan een pilletje vitamine D. 

                           *

Het liefst maak ik vitamine D zelf aan. In de zon. Een prettige bijkomstigheid is dat je in de zon kan lezen en schrijven en je ogen dicht kan doen. Je kan dromen, eten, praten en zwijgen in de zon. Liggen, lopen en zelfs hardlopen is mogelijk, beschenen door de zon die het gezicht, het lijf en brein verwarmt als het straalkacheltje vroeger in onze koude badkamer. 

                             *

In de zon bruint de huid, het bloed stroomt sneller en tussendoor maakt je lichaam zelf de stofjes uit de witte pilletjes aan. Het is een wonder. Nu kunnen wij niet voortdurend op vakantie, naar de zon, wat jammer is maar onvermijdelijk.

                           *

Dus slik ik braaf mijn pilletjes, word ik wakker in het donker, ga ik in het donker naar het werk en kom ik in het donker thuis.

                           *

Het is wachten op 22 december: ‘dan gaan we weer de goede kant op’, zei gisteren mijn nog-niet-echte-maar-lieve schoonzoon. En zo is het. Het glas is altijd halfvol. Nog één dagje maar.

                        ***

Weemoed

  
Gezelligheid

Kom doe als Weemoedt: dans in ‘t rond

de kamer door met kat en hond.

Vraag ook de hamster eens een keer,

spring met de goudvis op en neer.

Strooi eens wat licht in kier en scheuren

en laat de bladluis niet vertreuren.

Maak toch plezier en zing een lied:

het leven is zo eenzaam niet

als je eens denkt aan hen die varen

of bung’len aan een straatlantaren. 

Levi Weemoedt 

Uit: Geen bloemen. 1978. 

Het zijn weemoedige dagen. Donker jaagt regen tegen ruiten aan. De eerste feestdag voorbij, langzaam voort naar de volgende. Het vacuüm tussen de Goedheiligman en het kindeke wordt strakgetrokken door korte dagen, vroeg invallende donkerte en een beverig waxine-lichtje in een potje van glas.
                          *

Snel leven we op in het korte licht. Ja, de zon schrikt ons wakker. Het grijs daalt snel weer neer. En wij jachten ons naar binnen, naar warmte en decemberknusheid. 

                            *

Ons huis voelt inmiddels aan als een jas die plotseling te groot geworden is. Verbaasd trekken we de jas uit, bekijken het achterpand, voorpand, de mouwen. We trekken hem weer aan, het is koud en het regent. De jas slobbert om ons heen.

                          *

Vorige week zondag brachten wij onze jongste naar Amsterdam.

‘Vanaf 7 december mag ik een maand in Nathan’s kamer’, vertelde hij een paar weken geleden terloops aan tafel.

‘O ja, waar gaat hij heen dan?’

‘Kweenie, ik geloof naar Londen. Daarna komt hij even terug en dan vertrekt hij naar Miami.’

Nathan. Ik moet even nadenken want ik zie de vrienden van onze zoon niet vaak. Maar ik weet wie het is. Een blonde jongen, niet groot. Ooit ging Max met hem en drie anderen op reis in een bus naar Spanje. Daar was Nathan bij. Ik weet het weer.

                             *

‘Brian vroeg of ik bij hem kom wonen voor een maand’, gaat ons kind verder. Brian woont samen met Nathan op kamers. In de Albert Cuypstraat. Daar huren de jongens voor een astronomisch bedrag ieder een kamer. Ze delen een huiskamer, douche, toilet en keuken.

‘Ze wonen midden op de Albert Cuypmarkt. Ieder dag wordt de markt opgebouwd en afgebouwd. Als je ‘s ochtends de deur uitgaat kennen ze je. Dan zeggen ze ‘Goedemorgen meneer! Naar school vandaag?’ 

                           *

De ogen van onze zoon lichten op. En ik zie het voor me. De mannen van de Albert Cuyp en onze achttienjarige student. Twee werelden die elkaar ontmoeten en gemoedelijk groeten. Ons kind met rugzak en laptop, de marktkoopman met kraam en waar. 

‘Van wanneer tot wanneer ben je daar precies?’, vragen wij. Maar dat weet hij niet. ‘Vanaf 7 december en dan komt Nathan geloof ik de 18e terug. Alles moet hij wassen en inpakken, daarna gaat hij weer weg.’

                            *

Oké. Nou, we zien wel. Natuurlijk is het goed. Natuurlijk zien wij graag zijn ogen, bruin en licht getrokken – het moet dat 32e deel Indisch bloed zijn – oplichten als een plots aangestoken kaarsje. Op zondag zes december besluit ons kind: ‘ik ga er vanavond al heen. Nathan is weg.’ Hij zou eerst maandag gaan, maar nu wordt het zondag. Goed, natuurlijk kan dat. ‘Ik breng je wel naar het station’, zegt zijn vader. Ik zie zijn tas, een grote reistas bomvol kleren en boeken. ‘Zal ik je brengen?’, vraag ik, ‘geen probleem hoor.’ En dat vindt hij prettig. We brengen hem weg en zetten dan gelijk maar onze dochter af bij haar kamer op de Zuidas. 

                           *

In twintig minuten schieten we van groene rust naar de gekleurde hectiek van een wereldstad. Afslag VU, door naar Zuid, de Pijp. En na wat omzwervingen belanden we op de Albert Cuypstraat nummer 114. ‘Kijk, mam, je kan de auto voor de deur zetten!’, klinkt het opgetogen achter mij. ‘Loop even mee’, zeg ik tegen mijn man en ik blijf zitten achter het stuur. De motor laat ik draaien. Zal hij vragen of we mee naar binnen gaan? Hij belt aan, spreekt in het vierkante luidsprekertje. Hij lacht. Draait zich om en pakt zijn reistas. Zijn rugzak verschikt hij bij het oppakken van de zware tas. Hij kijkt achterom. Ik zie zijn mond bewegen ‘Dag, mam.’ Ik zeg terug:’ Dag.’ En ik zwaai achter de voorruit. Zijn hand gaat omhoog. En hij beklimt de trap met in zijn rechterhand de reistas, op zijn rug de rugzak met lap-top. 

                             *

Stilletjes rijden we terug. ‘O, daar is Duikelman’, zeg ik. De winkel met allerhande keukenartikelen. Om ons heen is licht en leven. En ik snap het. Als je achttien bent wil je hier zijn, in het licht, in het leven. Langs de marktkoopman lopen, twee vingers omhoog steken, de tram in, met de metro 50 richting Gein, naar school. 

                           *

En nu zijn we thuis in het huis dat als een te grote jas om onze schouders hangt. Het is wel een lekkere jas, warm en vertrouwd. Je kan spreken over een lievelingsjas. Alleen maar een beetje te ruim. Beiden lopen we elke dag langs de kamer waarvan al een hele week de deur dicht is. We slapen diep en rustig. Geen nachtelijk sleuteldraaien, geen w.c. die wordt doorgetrokken, geen glas water dat gedronken wordt, geen zacht ‘hoi’ in de deuropening. 

                          *

Het zijn weemoedige dagen. Grijs en grauw, de katten staan snel weer voor de deur. Te koud, te guur. Binnen is het warm. Ik koop zo maar eens een boom met lichtjes, veel lichtjes. Het zijn weemoedige dagen. Donker jaagt regen tegen ruiten aan. In onze vensterbank bibbert een waxine-lichtje in een potje van glas.

                           *

Op pagina vier van Trouw kijken twee bruine ogen met dik-zwarte wimpers mij aan. Om het verdrietige mondje staat het vel strak en rood van de kou. Op de geribbelde rand van de muts van zijn vader plakken zachte sneeuwvlokjes. De kop vertelt: ‘Duizenden kinderen verrekken in de kou.’ 

                           *

Nog donkerder jaagt regen tegen ruiten aan. Er kan niet meer gesproken worden van weemoed. En ik trek de gordijnen dicht.    

                        ***

‘Mijn kanker’

  
In de gids lees ik dat filmmaakster Meral Uslu een documentaire maakte over kanker. Borstkanker. Haar borstkanker. De documentaire heet dan ook ‘Mijn kanker’.

                         *

‘Is er wat op t.v. vanavond?’, vraagt mijn man. Wij zitten aan tafel en eten stoofvlees met spruitjes en puree. Het stoofvlees en vooral de dikke jus zakt in de puree zo heerlijk weg.

‘Zo niet, dan kunnen we wel weer een aflevering kijken van Breaking Bad’, stelt mijn man voor. Met die serie zijn we gisteren begonnen en het ziet er naar uit dat we deze beiden leuk vinden. Onze zoon zit er stil bij. Hij zag alle seizoenen al van Breaking Bad, dat zijn er – meen ik – vijf. Gisteren zag hij ons de eerste aflevering kijken: ‘o, gaan jullie dat kijken, goede serie hoor!’ En weg was hij. Naar een vriend, want als hij geen t.v. kijkt is hij naar een vriend. Hij leeft een overzichtelijk leven, ons kind.

                         *

‘Ik wil vanavond wel die documentaire zien over borstkanker’, zeg ik en ik neem een overheerlijke hap draadjesvlees. ‘Maar ik kan deze ook opnemen, hoor.’

‘Eh, o, nou daar heb ik niet zo’n zin in. Ik neem hem wel op’, antwoordt mijn man. En ik snap het. Ik heb er zelf eigenlijk ook niet zo’n zin in. Maar toch, ik moet het zien. Een verslag van de ziekte die ons beider moeders fataal werd. De ziekte die een schoonzus, een vriendin, een oud-collega bezocht. De ziekte waar ik heimelijk ook bang voor ben. Kanker. Borstkanker.

                         *

Na de tweede aflevering van Breaking Bad gaat mijn man naar boven. ‘Ik ga nog wat lezen’, zegt hij. 

‘Ja, prima’, zeg ik en ik kijk of de documentaire al is afgelopen. Mijn man keert nog twee keer terug naar beneden ‘Ik was wat vergeten’, en eindelijk kan ik gaan zitten en kijken.

                         *

Ik zie een vrouw met borstkanker, of eigenlijk ben ik die vrouw want Meral filmt alles vanuit haar gezichtspunt. We zien de plakjes tumor, die eruit zien als gekleurde klei waarbij alle kleuren door elkaar gekneed zijn. ‘Kijk, dat witte hier is de tumor’, legt een arts uit. Ik zie geen wit. Alleen maar geel, blauw, groen, rood. Je snijdt er gemakkelijk doorheen, valt mij op. De arts laat een gezond stukje voelen door Meral en een tumorstukje: en dan zie ik het. Het tumorstukje is hard en vlak, het gezonde weefsel is zacht en soepel.

                         *

Daarna komen veel artsen voorbij. Wat opvalt is dat het lieve artsen zijn: ze raken de patiente, Meral, liefdevol aan als ze moet huilen. Ze leggen alles geduldig en glashelder uit. Ze zijn vrouw, jong en slim. En gezond. Ze vormen een flink contrast met de zieke filmer die het vertrouwen in haar lichaam volledig kwijt is, bang is en heel veel behandelingen moet doorstaan. 

                         *

We zien Merals moeder, een oudere Turkse dame, die voor haar dochter bidt. ‘Ik heb iedereen gevraagd te bidden voor jou, mijn dochter. Jij voelt je al beter?’, vraagt haar moeder hoopvol. Maar Meral voelt zich niet beter en het verdriet van haar moeder om het verdriet van haar dochter snijdt in je ziel zoals het scherpe mesje van de patholoog in de tumorklei.

                        *

Ik denk aan de moeder van mijn man. De lieve Cootje, onvergetelijke moeder en trotse oma van haar eerste kleinkinderen. ‘Oma verstopte zich altijd met mij onder de kapstok in het halletje’, herinnert mijn dochter zich. Ze was drie toen oma stierf. Maar het is zo. Oma verstopte zich altijd met haar onder de kapstok in het halletje. Ik was erbij, ik heb het gezien.

                        *

Cootje, bij wie de borstkanker na jaren in haar botten terecht gekomen was. Zij leed ondraaglijke pijn maar klaagde nooit. Altijd ging het goed. Alleen haar pasgeboren kleinzonen, daar nam ze afstand van. Dat verdriet van hechten en moeten afhechten was te groot. Mijn bescheiden schoonmoeder die ooit op onze bruiloft op het feest met vele gasten met een heldere stem zo lief en oprecht zei: ‘ik heb er een dochter bij’ ging dood. En dat snijdt nog steeds door mijn ziel als een bijl die nietsontziend een bloeiende boom omhakt.

                         *

Mijn moeilijke moeder met ‘een tumor in haar borst zo groot als een tennisbal’ zoals mijn broer vertelde, ging dood. En dat maakt mij bang.

                         

Nee, ik denk er niet altijd aan, zeker niet. Maar nu ik Meral zie, haar pijn, verdriet en onzekerheid, maakt me dat nerveus. De hormoonkuur waar zij het minst tegenop zag is nog het zwaarst. Huilend vertelt de filmmaakster over het gebrek aan energie, geen zin in sex, somberheid en labiliteit. Een aardige arts legt uit wat de hormoonkuur doet. En het is zonneklaar. Je moet er wel mee doorgaan. Vijf jaar, tien jaar en soms domweg de rest van hun leven moeten vrouwen pillen slikken waar zij doodmoe en somber van worden.

                         *

De liefste in de documentaire is Fatima: zij kookt wekelijks voor Meral een tajine: een stoofgerecht met kip, groente, kruiden en, zo te zien, couscous. Fatima maakt dat ook voor de ‘borstvrouwen’, het clubje vrouwen dat tegelijk met Meral Uslu revalideert. ‘Daar word je beter van’, lacht Fatima verlegen en zij verschikt bij het weggaan haar hoofddoek.

                         *

Ik houd mij maar vast aan de tajine en couscous van Fatima. En aan mijn stoofvlees met zachte puree waar de jus zo heerlijk intrekt. Troosteten. En ik sluip zachtjes naar boven, kruip in bed en geniet van mijn gezondheid. Of mijn onwetendheid. Wie zal het zeggen? 

                         *

Vanavond ga ik uit eten. Met vriendin Ellen. Zij verloor een paar weken geleden haar schoonzus. Antoinette werd 52 jaar. Zij had borstkanker.

                        ***

Gezellig

  
(…) M’n opa, m’n opa, m’n opa

In heel Europa was er niemand zoals hij

M’n opa, m’n opa, m’n opa

En niemand was zo aardig voor mij

In heel Europa, m’n ouwe opa

Nergens zo iemand als hij

Niemand zo aardig voor mij

M’n opa, m’n opa, m’n opa

Niemand zo aardig voor mij

M’n ouwe opa…

‘M’n opa’ uit ‘Ja zuster, nee zuster’ door Annie M.G.Schmidt (1911-1995)



Eenentwintig jaar geleden werd zij geboren. Mijn vaders kleindochter. Een lelieblanke baby met plukkerig haar dat later witblond kleurde. In de getinte handen van mijn kwart-Indische vader leek zij licht te geven.
                         *

‘Als de nood aan de man is, bel je maar’, zei mijn vader. En die nood was soms aan de man. Regelmatig zat ons kind onder de rode pukkels -waterpokken, de vierde ziekte -, hoestte en proestte ze – verkouden – of was zij zo benauwd dat wij nauwelijks adem konden halen – bronchitis. Dan kwam mijn vader. Als ik omkeek, voordat ik de kamerdeur sloot om naar het werk te gaan, zag ik het hijgende kind als een resusaapje geklemd tegen mijn vaders borst liggen. 

                         *

Als ik terugkeerde lag zij nog net zo. Alsof beiden niet van hun plek waren gekomen. Alsof het liggen tegen een lijf, het lijf van mijn vader, haar opa, het enige medicijn was. En langzaam, heel langzaam knapte het kind op.

                         *

Vandaag bezoek ik met de baby van weleer mijn vader. ‘Ik ga wel even mee’, verklaarde het kind dat dit weekend bij ons was. De afgelopen twee jaar deed zij wekelijks boodschappen met mijn vader. Een kleine mantelzorger die met mijn vaders boodschappenlijstje door de Deka-markt rende. 

                           *

‘Mam, ik zeg dat hij zelf de appels en het brood moet halen, daar doet hij heel lang over. In die tijd heb ik alle andere dingen die hij nodig heeft gepakt.’ Mijn vader vertelt mij: ‘Zij is zo snel. Ik begrijp niet dat zij zo rap alles vindt.’ En op hun manier is het gezellig. Mijn vader koopt twee taartjes voor bij de koffie. Zijn kleindochter maakt zijn bed op en soms strijkt zij wat was. Zij vertelt: ‘Hij strijkt zelfs zijn onderbroeken!’ En mijn vader zegt met trots en verbazing: ‘Zij strijkt zo snel. Ik begrijp niet hoe zij dat doet.’ 

                          *

Maar nu kan zij niet meer iedere week komen. De studie en het leven in Amsterdam slokken haar op. De schoonmaakhulp Maroo komt een uurtje extra voor de wekelijkse boodschappen. 

                          *

Als we de flat binnenkomen voelen wij beiden de behaaglijke warmte. Mijn vader staat in de keuken, hij schilt zijn dagelijkse appel. Mijn kind kust hem en daarna zeg ik hem gedag. ‘Leuk dat jullie er allebei zijn’, mompelt hij en schilt verder. Mijn kind fluistert: ‘kijk mam, zijn lunch staat al klaar!’ In de vensterbank staat een bord met een geroosterde boterham en geroosterd krentenbrood. De boter op het brood is gesmolten. Ze liggen er zo verloren bij, de verpieterde stukjes brood op dat grote, witte bord. Een mok koffie staat koud te worden.

                         *

Als vanzelf lopen we naar het raam en hangen we tegen de centrale verwarming aan.

‘Lekker warm hier, hè?’, vraag ik.

‘Ja, heerlijk’, antwoordt het kind en wij beiden staren naar buiten waar het regent en hard waait. Wij horen mijn vader rommelen in de keuken. 

                         *

‘Ik kom eraan, hoor!’, roept hij en ja, daar komt hij. Met de geschilde appel. Moeizaam gaat hij zitten.

‘Eet smakelijk!’, zeggen wij.

Wij praten tussen zijn happen en slikken door over de reünie die hij laatst bezocht, een jaarlijkse reünie van oud-Indie-vrijwilligers. 

‘Hoeveel mannen waren er?’, informeer ik.

‘Tachtig wel!’, zegt mijn vader. Een stukje broodkruim veegt hij weg van zijn mond. En hij neemt een slok koffie.

‘Van de hoeveel, pa?’, vraag ik.

‘O, er zaten wel 800 man in het bataljon!’ 

‘En ben jij dan nu de oudste? Of zijn de anderen even oud?’

Het blijkt dat mijn vader niet de oudste is. Er zijn nog altijd oudere heren bij dan mijn 93-jarige vader.

                         *

‘En zo prachtig is het daar!’, vertelt mijn vader enthousiast. ‘Het is helemaal verbouwd dat restaurant, gewoon schitterend!’

En we babbelen over het restaurant dat zo mooi verbouwd is.

‘Wat heb jij gegeten?’, informeert mijn dochter.

Verbaasd kijkt hij haar aan, niet  gewend aan open vragen. Vragen die getuigen van belangstelling. Voor hem.

‘Eh, ja, gewoon rijst’, antwoordt hij.

‘Met wat erbij dan?’, vraagt zij door.

‘Met allemaal lekkere gerechten, je kan kiezen wat je wil!’

En we spreken af dat we zijn 94-jarige verjaardag – over twee maanden – in dat restaurant vieren. 

                         *

‘Kijk, dit moet ik nog invullen’, zegt mijn vader en hij schuift een stencil naar ons toe.

Mijn kind pakt het op en leest het snel door. Ik zie van een afstandje dat het gaat om de thuiszorg tijdens de feestdagen. ‘Ik zeg alles af hoor!’, zegt mijn vader. ‘Het is echt niet nodig, ik kan zelf prima douchen. Ik heb vandaag ook zelf gedoucht.’ En hij kijkt mij aan. Uitdagend lijkt het. Hij weet dat ik de hulp regelde, niet alleen voor het douchen, maar ook ter controle, of alles goed gaat.

‘Als je alles afzegt, ga ik je elke dag bellen’, zeg ik, ‘om te weten of je niet bent gevallen.’

‘Ach, ik val niet’, zegt mijn vader, die drie jaar geleden na Kerst wel viel, zijn heup brak en drie dagen en nachten hulpeloos alleen in zijn slaapkamer lag. 

                         *

‘Wacht even’, zegt mijn kind. ‘Opa, het is handig dat je de eerste week nog wel boodschappen doet met Maroo en dat zij schoonmaakt.’

‘Ach, dat schoonmaken, het wordt hier toch niet vies’, zegt mijn vader en hij wijst in het rond naar de flat die keurig schoongemaakt door Maroo erbij ligt.

‘Opa, het is toch fijn dat je voor Kerst nog boodschappen doet. De tweede week kom ik boodschappen doen met je. Ik ben dan in Heemstede.’

Daar klaart mijn vader van op. ‘O, ja, dat is goed’, zegt hij. ‘Jij komt dan die woensdag? Leuk.’

                         *

En mijn kind kruist aan dat woensdag voor Kerst de hulp gewoon komt. ‘En maandag nog een keer douchehulp’, gaat ze door, ‘dan komt na woensdag tien dagen niemand langs.’ 

En dat vindt hij goed.

‘Dan kan je lekker uitslapen!’

En ze kijkt hem aan. Mijn vader die iedere ochtend om acht uur gewassen en gestreken aan zijn ontbijt zit.

                         *

En ik denk aan dat kleine aapje tegen hem aan. Eenentwintig jaar geleden. De liefde is heen en weer gestroomd, toen. Het kan niet anders. 

                         *

Als we weggaan zegt mijn vader dat het gezellig was dat we er waren. En ja, het was gezellig.

                         *

‘Dag opa’, zegt mijn kind.

‘Dag pa’, zeg ik, ‘tot dinsdag.’

‘Dag’, zegt mijn vader en hij laat ons uit. ‘Het was gezellig’, horen wij nog tijdens het weglopen. En wij zwaaien. ‘Dahag’

                     ***