Gezellig

  
(…) M’n opa, m’n opa, m’n opa

In heel Europa was er niemand zoals hij

M’n opa, m’n opa, m’n opa

En niemand was zo aardig voor mij

In heel Europa, m’n ouwe opa

Nergens zo iemand als hij

Niemand zo aardig voor mij

M’n opa, m’n opa, m’n opa

Niemand zo aardig voor mij

M’n ouwe opa…

‘M’n opa’ uit ‘Ja zuster, nee zuster’ door Annie M.G.Schmidt (1911-1995)



Eenentwintig jaar geleden werd zij geboren. Mijn vaders kleindochter. Een lelieblanke baby met plukkerig haar dat later witblond kleurde. In de getinte handen van mijn kwart-Indische vader leek zij licht te geven.
                         *

‘Als de nood aan de man is, bel je maar’, zei mijn vader. En die nood was soms aan de man. Regelmatig zat ons kind onder de rode pukkels -waterpokken, de vierde ziekte -, hoestte en proestte ze – verkouden – of was zij zo benauwd dat wij nauwelijks adem konden halen – bronchitis. Dan kwam mijn vader. Als ik omkeek, voordat ik de kamerdeur sloot om naar het werk te gaan, zag ik het hijgende kind als een resusaapje geklemd tegen mijn vaders borst liggen. 

                         *

Als ik terugkeerde lag zij nog net zo. Alsof beiden niet van hun plek waren gekomen. Alsof het liggen tegen een lijf, het lijf van mijn vader, haar opa, het enige medicijn was. En langzaam, heel langzaam knapte het kind op.

                         *

Vandaag bezoek ik met de baby van weleer mijn vader. ‘Ik ga wel even mee’, verklaarde het kind dat dit weekend bij ons was. De afgelopen twee jaar deed zij wekelijks boodschappen met mijn vader. Een kleine mantelzorger die met mijn vaders boodschappenlijstje door de Deka-markt rende. 

                           *

‘Mam, ik zeg dat hij zelf de appels en het brood moet halen, daar doet hij heel lang over. In die tijd heb ik alle andere dingen die hij nodig heeft gepakt.’ Mijn vader vertelt mij: ‘Zij is zo snel. Ik begrijp niet dat zij zo rap alles vindt.’ En op hun manier is het gezellig. Mijn vader koopt twee taartjes voor bij de koffie. Zijn kleindochter maakt zijn bed op en soms strijkt zij wat was. Zij vertelt: ‘Hij strijkt zelfs zijn onderbroeken!’ En mijn vader zegt met trots en verbazing: ‘Zij strijkt zo snel. Ik begrijp niet hoe zij dat doet.’ 

                          *

Maar nu kan zij niet meer iedere week komen. De studie en het leven in Amsterdam slokken haar op. De schoonmaakhulp Maroo komt een uurtje extra voor de wekelijkse boodschappen. 

                          *

Als we de flat binnenkomen voelen wij beiden de behaaglijke warmte. Mijn vader staat in de keuken, hij schilt zijn dagelijkse appel. Mijn kind kust hem en daarna zeg ik hem gedag. ‘Leuk dat jullie er allebei zijn’, mompelt hij en schilt verder. Mijn kind fluistert: ‘kijk mam, zijn lunch staat al klaar!’ In de vensterbank staat een bord met een geroosterde boterham en geroosterd krentenbrood. De boter op het brood is gesmolten. Ze liggen er zo verloren bij, de verpieterde stukjes brood op dat grote, witte bord. Een mok koffie staat koud te worden.

                         *

Als vanzelf lopen we naar het raam en hangen we tegen de centrale verwarming aan.

‘Lekker warm hier, hè?’, vraag ik.

‘Ja, heerlijk’, antwoordt het kind en wij beiden staren naar buiten waar het regent en hard waait. Wij horen mijn vader rommelen in de keuken. 

                         *

‘Ik kom eraan, hoor!’, roept hij en ja, daar komt hij. Met de geschilde appel. Moeizaam gaat hij zitten.

‘Eet smakelijk!’, zeggen wij.

Wij praten tussen zijn happen en slikken door over de reünie die hij laatst bezocht, een jaarlijkse reünie van oud-Indie-vrijwilligers. 

‘Hoeveel mannen waren er?’, informeer ik.

‘Tachtig wel!’, zegt mijn vader. Een stukje broodkruim veegt hij weg van zijn mond. En hij neemt een slok koffie.

‘Van de hoeveel, pa?’, vraag ik.

‘O, er zaten wel 800 man in het bataljon!’ 

‘En ben jij dan nu de oudste? Of zijn de anderen even oud?’

Het blijkt dat mijn vader niet de oudste is. Er zijn nog altijd oudere heren bij dan mijn 93-jarige vader.

                         *

‘En zo prachtig is het daar!’, vertelt mijn vader enthousiast. ‘Het is helemaal verbouwd dat restaurant, gewoon schitterend!’

En we babbelen over het restaurant dat zo mooi verbouwd is.

‘Wat heb jij gegeten?’, informeert mijn dochter.

Verbaasd kijkt hij haar aan, niet  gewend aan open vragen. Vragen die getuigen van belangstelling. Voor hem.

‘Eh, ja, gewoon rijst’, antwoordt hij.

‘Met wat erbij dan?’, vraagt zij door.

‘Met allemaal lekkere gerechten, je kan kiezen wat je wil!’

En we spreken af dat we zijn 94-jarige verjaardag – over twee maanden – in dat restaurant vieren. 

                         *

‘Kijk, dit moet ik nog invullen’, zegt mijn vader en hij schuift een stencil naar ons toe.

Mijn kind pakt het op en leest het snel door. Ik zie van een afstandje dat het gaat om de thuiszorg tijdens de feestdagen. ‘Ik zeg alles af hoor!’, zegt mijn vader. ‘Het is echt niet nodig, ik kan zelf prima douchen. Ik heb vandaag ook zelf gedoucht.’ En hij kijkt mij aan. Uitdagend lijkt het. Hij weet dat ik de hulp regelde, niet alleen voor het douchen, maar ook ter controle, of alles goed gaat.

‘Als je alles afzegt, ga ik je elke dag bellen’, zeg ik, ‘om te weten of je niet bent gevallen.’

‘Ach, ik val niet’, zegt mijn vader, die drie jaar geleden na Kerst wel viel, zijn heup brak en drie dagen en nachten hulpeloos alleen in zijn slaapkamer lag. 

                         *

‘Wacht even’, zegt mijn kind. ‘Opa, het is handig dat je de eerste week nog wel boodschappen doet met Maroo en dat zij schoonmaakt.’

‘Ach, dat schoonmaken, het wordt hier toch niet vies’, zegt mijn vader en hij wijst in het rond naar de flat die keurig schoongemaakt door Maroo erbij ligt.

‘Opa, het is toch fijn dat je voor Kerst nog boodschappen doet. De tweede week kom ik boodschappen doen met je. Ik ben dan in Heemstede.’

Daar klaart mijn vader van op. ‘O, ja, dat is goed’, zegt hij. ‘Jij komt dan die woensdag? Leuk.’

                         *

En mijn kind kruist aan dat woensdag voor Kerst de hulp gewoon komt. ‘En maandag nog een keer douchehulp’, gaat ze door, ‘dan komt na woensdag tien dagen niemand langs.’ 

En dat vindt hij goed.

‘Dan kan je lekker uitslapen!’

En ze kijkt hem aan. Mijn vader die iedere ochtend om acht uur gewassen en gestreken aan zijn ontbijt zit.

                         *

En ik denk aan dat kleine aapje tegen hem aan. Eenentwintig jaar geleden. De liefde is heen en weer gestroomd, toen. Het kan niet anders. 

                         *

Als we weggaan zegt mijn vader dat het gezellig was dat we er waren. En ja, het was gezellig.

                         *

‘Dag opa’, zegt mijn kind.

‘Dag pa’, zeg ik, ‘tot dinsdag.’

‘Dag’, zegt mijn vader en hij laat ons uit. ‘Het was gezellig’, horen wij nog tijdens het weglopen. En wij zwaaien. ‘Dahag’

                     ***

Advertisements

2 thoughts on “Gezellig

Leave a Reply

Please log in using one of these methods to post your comment:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s