Gebak

 Keihard slaat regen tegen de ruiten. De poes ligt opgekruld in het mandje bovenop het opengewerkte rooster met verwarming. Het heeft een naam, zo’n rooster, maar daar kom ik niet op.                          *

Maandenlang keek de poes – een damesachtig, eigenzinnig geval -niet om naar het mandje, zacht van fluwelig bont. Ze lag op de harde eettafelstoelen van Friso Kramer, in de vensterbank tegen het kille raam of heel ongemakkelijk op de radiator onder de vensterbank. Zo’n ouderwetse radiator als lomp uitgevallen tralies. Maar nu ligt ze heerlijk in het mandje van zacht, fluwelig bont. Terwijl de regen tegen de ruiten slaat.

                          *

Bij mijn vaders flat slaat ook de regen tegen de ruiten. Grote ramen die uitkijken op de kerk, de rotonde en de Shell-pomp. 

‘De hele ochtend stond er een vrachtwagen bij de pomp. Geen auto kon tanken. Ze waren heel lang bezig en waarmee?’ Puffend laat mijn vader zich zakken in zijn stoel-bij-het-raam. Venijnige haaltjes water slaan tegen het glas. Binnen is het warm. 

                         *

Ik kijk naar buiten. Zonder bril zie ik vaagjes de contouren van de Shell-pomp. Geel en rood. ‘Het is daar anders druk hoor, niet te geloven’, vervolgt mijn vader zijn verhaal. ‘De tankwagen rijdt voortdurend af en aan. Maar vandaag kon niemand erbij. De hele ochtend waren ze bezig. En waarmee?’ Mijn gedachten dwalen af. Naar wat ik gisteren en vandaag deed en naar alles wat ik vandaag en morgen moet doen. Werken, een ski-les op een rollend tapijt, boodschappen doen, mijn kind vragen hoe haar tentamen ging, bij het andere kind informeren hoe het gesprek met de studie-adviseur verliep. 

                         *

‘Bij de kerk was het ook druk gisteren, ik weet niet waarom, het was gewoon…eh..’

‘Maandag’, vul ik aan. Soms is mijn vader in de war met dagen. Niet altijd maar soms. Hij schrijft alles wat hij gedaan heeft in steekwoorden op in zijn agenda. ‘Verjaardag Hidde. Gebakje gegeten’ staat op vrijdag 22 januari. ‘Naar Blokker. Extra kastje gehaald.’ Dat was ook vorige week. 

‘He, de agenda ligt nog open bij de vorige week. Zal ik even de bladzijde omslaan?’ En ik sla de bladzijde van de kantooragenda om. Zes lege dagen staren mij aan. 

Alleen op de donderdag is een ballon getekend met daarboven, in de ronde meisjesletters van mijn dochter, ‘JARIG!’

                       *

Mijn vader is donderdag jarig. Hij wordt 94 jaar.

‘Vandaag kocht ik gebak’, vertelt hij. ‘Maar je moet tegenwoordig een plastic tas meenemen, dat wist ik niet. Ik liep dus met twee dozen naar de auto en dat ging niet.’ Nee, dat gaat niet, twee gebaksdozen, een stok en een ooit met-stalen-pin-gerepareerde heup. 

‘Je bent op tijd, met het gebak’, zeg ik. Het is dinsdag. Donderdag is hij jarig. ‘Verwacht je veel bezoek?’

‘Nee, alleen Hidde en Willem. En zij nemen nooit gebak. Hidde heeft diabetes en Willem is op dieet, geloof ik.’ Dat laatste klinkt een beetje narrig. Willem is een jaar jonger en net als mijn vader zeer kras. Willem hijst zich in en uit een stokoude Saab met zijn stramme lijf en volgens mijn vader ‘denkt hij dat hij alles nog kan. Maar dat is niet zo.’

                           *

Het regent maar door. En weer denk ik aan alles wat ik nog moet doen. We keren echter terug naar het gebak.

‘Ik werd heel vriendelijk met die dozen geholpen door een mevrouw. Zij droeg de dozen naar de auto voor mij. Heel aardig! Zij vroeg aan mij hoe oud ik ben. En ik zeg: ‘u mag het raden.’ Mijn vader geniet want nu nadert zijn ‘finest hour’. ‘Zij zegt: ‘ik denk 80 jaar.’ Olijk kijkt mijn vader mij aan. ‘Dat heb ik nu altijd. Altijd schatten ze mij jonger.’

‘Ja pa, maar je ziet er ook echt niet uit als een 94-jarige.’

‘Nee he?’ Hij glundert. ‘Ze was verbaasd, die mevrouw! 94 jaar! Dat had ik niet gedacht!’, zei ze.

                         *
Mijn vader pakt – als ik even op mijn telefoon kijk – een schrift uit de vensterbank. Hij strijkt liefdevol een vergeeld los blad glad en zegt: ‘kijk, wat interessant. Dat schreef ik allemaal op vroeger. Ik las Amerikaanse en Engelse tijdschriften en daar schreef ik van alles uit over.’ Ik kijk mee en zie kleine priegelletters in een schema. ‘Wat is dat?, vraag ik. 

‘Dit zijn allemaal scheikundige formules. Kijk, hier staat een formule voor een crème voor de droge huid.’ Ooit studeerde mijn vader scheikunde: ‘technisch chemicus’ stond op zijn kaartje. Nooit begreep ik wat dat inhield. Ook heb ik niets met scheikunde. Maar door Breaking Bad, een Netflix serie over een sullige scheikundeleraar die zich verrassend ontwikkelt, ben ik anders gaan aankijken tegen de saaie chemie. 

‘Wil jij nog Netflix op je tv, pa? We zagen laatst een serie over een scheikundeleraar die het verkeerde pad op gaat. Dat is een heel goede serie, echt iets voor jou.’ En ja, de bijna 94-jarige wil best Netflix uitproberen. 

                        *

Als ik wegga, stiekem keek ik op de klok – ik was er al iets langer dan een uur – zeg ik: ‘vrijdag komen we je om 17.30 uur ophalen!’ Vrijdag, de dag na zijn echte verjaardag, gaan we uit eten. Ter ere van zijn 94-jarig bestaan. Hij komt overeind en loopt langzaam een stukje mee naar de voordeur.

                         *

‘Kijk! Ik kocht ook een nieuw kastje, dat heb ik daar neergezet.’ En ik loop mee, kijk en bewonder het kastje. Een wankel, plastic ladenkastje van de Blokker.
‘Ik zal Max vragen of hij wil kijken of Netflix op je tv geïnstalleerd kan worden.’ 

‘Ja, dat zou leuk zijn’, zegt mijn vader, ‘vraag het maar.’

‘Doe ik. Tot vrijdag!’

‘Ja, tot vrijdag!’

              

                         *

Bij het teruglopen door de gang naar het trappenhuis denk ik aan de lege dagen in de kantooragenda. Ik vraag me af wie al dat gebak opeet deze week. 

                           *

Buiten regent het nog steeds. En bij de Shell-pomp kan je weer tanken.

                          ***

Advertisements

Wie sjoen

  
Blaosmeziek op eine sjone zóndigmorge

Blaosmeziek bleust mich ómver

Mit toeters en bellen ‘n sjoon verhaol vertelle

Zondigmorge blaosmeziek blaos mich riek’ *
                         *

Lang geleden woonde er een meisje in Zuid-Limburg. Een meisje, nee, dat was het niet meer, het was een jonge vrouw met donkere haren die op haar smalle schouders vielen. Vol verwachting was ze hierheen gekomen. Meer dan drie uur reizen in de trein die als een geel slangetje het land door kronkelde. 

                         *

Langs weiden met zwart-witte koeien, rivieren van gladde glinsteringen. Door steden met grote en kleine huizen, kerktorens: hoge, spitse en vierkante, robuuste. Langs dorpjes, weggescholen achter bomenrijen en hagen, of juist open en bloot, met tingelende spoorbomen over de weg, daarachter fietsers die geduldig wachtten, auto’s die stilstonden.

                        *

Ze keek naar buiten terwijl ze wegreed uit de jaren ervoor: rusteloze jaren. Jaren van wachten op, ja op wat eigenlijk? Ze rustte met haar kin op de holte van haar hand. De elleboog op het formica-tafeltje. 

                       *

Ze zag haar ogen weerspiegeld in de vieze ruiten van de trein. Ze keek naar zichzelf alsof ze een vreemde was. Een meisje, op de splitsing van jong naar oud. Op weg naar iets dat in de verte lonkte. Ze kon het ruiken, het rook naar gras – versgemaaid – naar frisse wind en heldere lucht. Naar heuvels en dalen, een beekje dat zich erdoorheen kronkelt, vissen die vrolijk naar lucht happen in het zoete water. 

                         *

De reis was een lange zucht naar vrijheid, naar ruimte en leven. Weg van beklemming, schuld en schaamte. Haar gedachten liepen op zaken vooruit, richtten zich naar voren en kwamen los naarmate ze dieper het zuiden in zakte.

                         *

Niet dat het gemakkelijk was of werd. O nee, zeker niet. Veel zwarigheden zouden overwonnen moeten worden, ze zou zich eenzaam voelen, alleen zou ze zijn met zichzelf. 

                         *

Ze liep met haar tas de trein uit, het station in. Ongure types staarden haar aan, tenminste dat dacht ze. Haar tas klemde ze dicht tegen zich aan. Haar zou niets overkomen. Je zag het aan het doelbewuste kijken, de stevige stappen. De stad verwelkomde haar en pakte haar op, de toekomst in. 

                          *

Ze werd wakker en hoorde in de verte, achter in de wijk, muziek. Dat hoorde bij het zuidelijke puntje van dit land. Hier hielden ze van fanfare, blaasmuziek. Een kleine optocht liep door de straten van Welten, Heerlen, Limburg. Ze liep naar het raam en wist niet of ze het droomde of dat het echt was. Een processie kwam langs, kleine misdienaartjes, de pastoor voorop. Daarachter de fanfare, de blazers.

                        *

Blaosmuziek op eine sjone zóndigmorge

Blaosmuziek bleust mich nao hoes

Mit toeters en belle ‘n pracht verhaol vertelle

Zóndigmorge blaosmuziek blaos mich riek’ *

                       *

En ze leefde nog lang en gelukkig. 

                      ***
*Ge Reinders, zanger, musicus, schrijver (1953, Helden, Limburg)

Redeloos

  
Angst

Heel argeloos begin je een gedicht.

Een aantal letters, aangenaam van vorm.

Het gaat vanzelf. Er slibben regels dicht.

Ze zwijgen nog. Ze wachten op de storm.

                        *

Uit dode krullen, schreven, lijnen, halen

Ontstaan – geen mens die weet waaraan het ligt –

Schermutselingen tussen de vocalen.

De consonanten brommen mee, ontsticht.

                       *

Pas dan ontpopt zich iets als een bericht.

Een S.O.S uit een ver paradijs.

De voorhang scheurt. Je schrikt van het gezicht.

                         *

Doe dicht je ogen. Raak niet van de wijs.

Tart niet de woordeloze bliksemschicht.

Bepaal je tot je e’s en o’s en ij’s.

Gerrit Komrij (1944-2012)

Achter mij zwelt de rij aan. ‘Heeft u misschien een pen voor mij, iets waarmee ik het eruit kan duwen?’, vraag ik.

‘U krijgt het er niet meer uit’, sombert de dame achter de kassa. Een futloze lok valt schuin over haar gezicht. Zij draagt een fleece-trui. Het ritsje bij de hals deed zij half dicht. Zij legt een schaar in de schuifbak, trekt de hendel naar zich toe en de schaar belandt in een plastic bak aan mijn kant van het glas. 

‘Dit werkt misschien beter dan een pen.’ Ik pulk met de schaar in het plastic hoesje en hopla, het abonnement van heel-wat-jaren-geleden komt tevoorschijn. Triomfantelijk leg ik de schaar in het bakje met het allang verlopen abonnement. 

                           *

De vrouw staart triestig naar het plastic kaartje en tikt mijn naam in op haar computer.

‘U woont op nummer 22?’, vraagt zij.

‘Ja’, antwoord ik ‘en ik wil graag een 10-rittenkaart.’

‘U staat er niet meer in, in de computer, deze kaart is al een keer vervangen.’

                           *

Ik zucht. De rij is gevorderd tot en met de buitendeur.

‘Die mevrouw wil een abonnement’, hoor ik een moeder uitleggen aan haar ongedurige kind.

Ik geef het op: ‘Doet u mij maar gewoon een toegangskaartje.’

Dat kan. De vrouw met het futloze haar lijkt opgelucht. ‘Dat is dan € 6,20,-.

‘Krijg ik nog wel de borg terug van het abonnement?’, vraag ik.

‘Ach ja, dat vergeet ik helemaal’, en zij gooit € 3,- in het zwarte schuifbakje. Schuin achter mij vraagt een heer op krukken of hij erdoor mag zonder kaartje: ‘ik brak mijn been, hier vlakbij in de laatste bocht.’

‘Ach, was u dat?’, de fleecetrui kijkt meewarig op. ‘Ja, dat weet ik nog goed. Gaat u maar door hoor!’

                         *

En ik ga ook. Het poortje door waarop ‘duwen’ staat. Naar zo’n smalle bank in de nattige gang. Ik zie groepen kleurrijke shirts op de achtergrond voorbijflitsen als vrolijke bliksemschichten. En ik ga het doen. Na tijden van angst en diep in de kast verborgen schaatsen stap ik op het ijs. Het ijs dat ik jaren geleden ontdekte. Waar ik op zwierde. Eerst met schaatsen als skischoenen, later met klapschaatsen die professioneel klepperden als je naar de ijsbaan liep. 

                          *

Ik schaatste op de Weissensee met vriendinnen, later met mijn kinderen: tijden van rode wangen, lachende gezichten en Kaiserschmarren -smeuïge stukjes eier-pannenkoek met poedersuiker – op een zonnig terras. Bevroren meren met dennen tegen de bergwanden als een onwerkelijke Japanse prent. IJskoude lucht, en blauw, zo blauw. 

                        *

Tussen mijn oren groeide echter de angst voor het ijs. Het bewust zijn van twee smalle ijzers op het spiegelgladde oppervlak. Hoe kon het dat ik bleef staan? Dit was gekkenwerk: zometeen val ik. Hersenspinsels als spinnenwebben in het hoofd. Het plezier verdween langzaam als de late winterzon achter de bergen in Techendorf am Weissensee.

                           *

Ik zit op het houden bankje. Onder het geklepper van stoere klapschaatsen om mij heen sluit ik mijn ski-schoen-noren. Voorzichtig zet ik de eerste stapjes op het ijs. Mijn hand rust op de plastic opblaasrand langs de baan. Een zetje en daar glijden de smalle ijzers over het gladde oppervlak. De spinnenwebben in het hoofd zijn afgestoft. Weggeveegd in de loop ter tijden. En verbaasd over mijzelf zwier ik voorzichtige rondjes.

                          *

Niet zo hard als de tanige mannen in gele shirts met achterop in cursiefletters ‘De mooie Nel.’ Niet zo mooi en vloeiend als de leden van de Haarlemse ijsclub. Een beetje stijfjes, de knieën licht gebogen. Ik hoor de schaatsjuf zeggen tegen haar leerlingen: ‘vooruit blijven kijken!’ 

En ja, vooruit blijven kijken en gaan.
    Feal the fear and do it anyway.
                       ***

To die for

  
CONTACT

Iemand belt mij telkens op, zegt niets,

vaag hoor ik een ademhaling zweven,

het kan de mijne zijn, maar ook die

van de ander, die hardnekkig zwijgt.

Ik leg weer op. Ben nu een man

die vreemde telefoontjes krijgt.


De display toont een nummer

met de code van een land dat ik niet ken.

Ik toets dat nummer, een voice mail klinkt.

‘Hallo met God, Ik ben er niet.

Laat naam noch boodschap achter,

Ik bel nooit terug. Leef rustig verder,

wacht desnoods tot piep, maar zwijg.’

Prompt word ik door de beller toch teruggebeld.

Weer hoor ik niets, hooguit die vage adem.

Ik ben de man die stil zijn hartslag telt.
Ooit bel ik Hem terug en zeg dan

wél iets na de piep. Dat doe ik niet meteen.

Ik wacht tot ik een geheim nummer krijg.


Die dag is nu, het contact is hier. Ik toets

Zijn nummer in. Krijg geen gehoor. Hij was me

voor. Hij heeft mijn nummer ingesteld.


Joost Zwagerman, 1963-2015

                         *

Op de radio legt een muziekkenner uit dat tien keer achter elkaar de zin ‘I’m dying to (…)’ in dat nummer op het nieuwe album meer betekent dan iets graag willen. Die tien keer duidt toch echt op de dood.

                         *

En ja, als je goed luistert naar de muziek en de clip bekijkt is het duidelijk: je ligt niet zomaar bij het nummer ‘Lazarus’ geblinddoekt op bed, waarna je langzaam lijkt te gaan zweven. Bowie is dood. En hij laat een kunstwerk van een aangekondigde dood na. 

                         *

Ivo ten Hove, theaterregisseur, wist als een van de weinigen dat Bowie ziek was. ‘Als ik in zijn ogen keek zag ik verdriet.’ Het verdriet van een man die zijn nog jonge dochter moet achterlaten. Een man die graag nog wat jaren doorgeleefd zou hebben.

                         *

Bowie ging destijds een beetje aan mij voorbij in de zeventiger jaren op dat keurige gymnasium. Mijn ouders draaiden zo nu en dan een elpee van James Last en ik klooide wel eens met een singeltje van Roberta Flack op een handgrammofoon in zo’n koffertje. De echte muziek als die van Bowie ging in de verwarrende tijd van thuis met herrie, ongeschreven regels en dedain van mijn moeder ten opzichte van de ‘buurjongens die alsmaar luisteren naar die ordinaire muziek’ aan mij voorbij. 

                         *

Ik las wel alles wat ik te pakken kon krijgen, zo ook het boek ‘Christiane F., wir kinder vom Bahnhof Zoo.’ De aan heroïne verslaafde Duitse tiener was dol op Bowie die in die jaren van Christianes heroïne-roes optrad in Berlijn. Alles had ze ervoor over om naar dat concert te gaan. En ze ging. Meedeinend en dromend op de wolken van haar heroïne-trip op Bowies weirde zeventiger jaren muziek. Ademloos las ik dat boek en ging op in een wereld die de mijne niet was, nooit zou worden, maar mateloos fascineerde.

                        *

Het verdriet in de ogen van Bowie zag ik maandagavond terug in de ogen van de door Coen Verbraak geïnterviewden over de eindigheid van hun leven. In het programma ‘Kijken in de ziel op de drempel’ vertelden denker des Vaderlands René Gude, columnist van het Parool, Albert de Lange, de jonge Laura Maaskant en anderen over hun naderende dood. Allen zijn ongeneeslijk ziek. Wat hebben zij gemeen, deze prettige, intelligente mensen die de zo wrede boodschap kregen dat zij niet meer lang zullen leven? De tijd, daar zijn ze het over eens, gaat onveranderd snel. Je wilt deze bewust en goed benutten, maar ‘ik verklooi toch ook wel een hoop tijd’, aldus Gude. Grootse en meeslepende bucket-lists zijn aan deze mensen niet besteed: nee, juist de gewone dingen, werk, gezin, familie zijn de essentie van het ingedikte bestaan. Intensiever en bewuster beleefd, dat wel. ‘Ik kan zomaar met een kop koffie zitten aan tafel, zonder iets erbij, geen telefoon, geen gesprek, geen krant, zo, zonder iets’, vertelt de communicatie-adviseur, moeder van een driejarige tweeling, met grote ogen. Zij lijkt er zelf verbaasd over. ‘Ik drink alleen maar die koffie.’ 

                      *

Op de vraag ‘wat laat jij na?’ komt de meest ontroerende reactie van strafrechter Karin Ringen. De tranen schieten in haar ogen als zij zich realiseert dat het gaat om ‘de herinneringen aan mij, misschien gaf ik iemand wat mee, wat geluk. Maar kinderen heb ik niet. Daarin zal ik niet voortleven.’ Allen spreken over de herinnering die geliefden en vrienden aan hen hebben. Ook waarde en waardering spelen een rol. De nuchtere Albert de Lange schiet vol als hij het over het afscheid heeft van de krant: ‘Iedereen was er. Ook de figuren waarvan ik weet dat zij een hekel aan dit soort zaken hebben.’ Hij beseft dat hij meer gewaardeerd wordt dan hij dacht. Een extra bonus om dat nog voor je begrafenis mee te krijgen. 

                       *

En ja, dat is het: de herinnering die wij hebben aan de lieve Cootje, aan de creatieve en gepassioneerde Rob, aan de intelligente Ige met zijn leeshonger. En ja, dat is het voor de generatie vijftigers en zestigers: de vreemde, van gedaante wisselende David Bowie, de herinnering aan vervlogen jeugdjaren in rokerige ruimten, op vage feestjes, tijdens onvergetelijke concerten. 

                         *

En ja, dat is het voor de dochter van Bowie: een vader, die met haar lachte en stoeide voor hij zo ziek werd. Die haar voorlas en naar haar luisterde als ze thuis kwam van school. 

                         *

David. Hij had en nam de tijd om in stijl afscheid te nemen van zijn publiek, zijn fans. 

      I’m a blackstar, I’m a blackstar

                       ★

Een prachtige dag

  

Mistroostig staar ik naar het schermpje van mijn telefoon. Geen mails, geen nieuws dat ik nog niet ken, geen twitterberichtjes en geen nieuw verslag op Facebook. Ik buig me maar over het interview in dagblad Trouw met regisseur Theu Boermans die naar de toneelschool ging zonder ooit een toneelstuk gezien te hebben.

                         *

Theu groeide op in een gezin met vijf kinderen. ‘De enige plek waar je even alleen kon zijn was de w.c.’ Ik denk aan de uitspraak van mijn zo-op-zijn-privacy-gestelde kind, ooit op stap met een paar vrienden naar Spanje, die precies hetzelfde zei: ‘soms ging ik maar naar de w.c. om even alleen te zijn.’ 

                        *

Een vriendin van mij groeide op in net zo’n gezin als dat van Theu: ik keek daar altijd met grote ogen naar: een drukke hond die nooit ‘in de mand’ wilde, speelgoed, tijdschriften en boeken, geluid, altijd iemand om je heen. Als prinsesje met mijn eigen kamer in het stille Haarlemse herenhuis kon ik het mij niet voorstellen dat iemand sliep in een driepersoons-stapelbed, omringd door twee grote zussen, bijna tegen een kast aan met kleren erin, zo veel kleren. 

                        *

Het was gezellig in dat huis: alles kon, iedereen mocht meekomen en mee-eten. Maar rustig op bed liggen lezen – dat wat ik het liefste deed – was daar niet mogelijk. Dat zagen mijn kinderogen snel. Nee, liever wat minder vol en druk. Voor even was het leuk, niet voor altijd.

                         *

Theu Boermans regisseerde het toneelstuk Anne Frank. Zeven mensen die op elkaar gepropt in een ruimte het met elkaar moeten zien te redden. Wij bezochten het toneelstuk ‘Anne Frank’ in theater Amsterdam. Een verrassend theater op een verrassende plek, aan de rand van Amsterdam. Op een kade, naast een havengebied met op de achtergrond zeecontainers, hijskranen. Een robuust, bakstenen gebouw met garderobes, toiletten en een hippe bar. Tafels en stoelen naast de glazen pui met uitzicht op water en grijze luchten. 

                       *

Het theater zelf is zoals een theater moet zijn: zacht, rood en wegzakken in een kussenachtige stoel. Vóór ons een enorm, gebogen decor: het Merwedeplein, met de woning van de familie Frank op de eerste verdieping. De kunstig opengewerkte façade toont ons het leven van een vader en moeder met hun twee dochters. De beroemdste dochter is druk en springerig, de ander rustig en bedachtzaam. Ze krijgen de ruimte, deze twee meisjes. Ruimte om zichzelf te zijn binnen het liefdevolle kader van verstandige ouders. 

                         *

Als het decor verschuift naar de krapte van Het Achterhuis slaat de benauwdheid toe. Kleine kamertjes, een overloop met bed, ouders die slapen in de woonkamer. Een vreemd gezin komt erbij. Nog meer indikken en opschuiven. En als tandarts Dussel erbij komt is Anne haar plek, haar kamertje met bed en bureautje, kwijt. En dat is wat mij treft: de wanhoop van dit kind, het meisje dat zo graag denkt en schrijft in afzondering. Opgescheept met een volwassen man die ook graag in jouw kamertje is. Erger nog dan de ruzies in dat huis, het gesus en de voortdurende dreiging is de volstrekte afwezigheid van privacy: even alleen zijn, peinzen, denken en dromen in stilte. 

                         *

We weten waar het verhaal eindigt en toch, met tranen in de ogen horen en lezen we: moeder Edith Frank, overleden in 1944 in Auschwitz, Margot en Anne Frank, aan tyfus bezweken in Bergen-Belsen, Peter van Daan, onbekend waar hij gestorven is, waarschijnlijk tijdens een van de vele dodenmarsen. Vader en moeder van Daan dood. Tandarts Dussel dood. We zien vader Otto Frank moederziel alleen terugkeren in Amsterdam, onder de met heldere stem uitgesproken zin van Anne: ‘Ondanks alles geloof ik in de innerlijke goedheid van de mens.’

                         *

De wijsheid van een veertienjarige, opgesloten in een Amsterdams achterhuis, schrijvend in verloren uurtjes aan een klein bureautje. Ik ben benieuwd hoe geldig deze zin nog is in deze verwarrende tijd. Denkend, peinzend en schrijvend in mijn ruime kamer, alleen, met de stilte van een prachtige ochtend om mij heen.
                      ***

Tweeduizendzestien

  
Het is een grijze dag met een grijze lucht. Grauw is de tweede dag van het jaar. De nieuwe buurman van even verderop sjouwt uit zijn grijze busje wat spullen. Het is hem niet gelukt voor de Kerst zijn huis klaar te krijgen voor bewoning. De poes volgt mistroostig in de vensterbank alle bewegingen op straat. Zo ook de beweging van de nieuwe buurman wiens gezicht ook grauw ziet. Grauw van te hard werken en niet het huis voor de Kerst gereed hebben.

                          *

Een andere buurman verplaatst zijn auto naar achteren. Nu staat de auto voor zijn huis. En ik sta op. Tijd om de kerstboom weg te halen, de houten engel, het sleetje, het kribje met het kindje. De kerststal bekleed met zilverfolie, gemaakt door smalle kindervingers, een eeuwigheid geleden. Voor de stal liggen twee stukken schors. Jozef is omgevallen. De engel is een hopeloos geval, zij is niet rechtop te positioneren. Verloren ligt zij achter het kribbetje. De enige die fier rechtop staat is Maria. 

                            *

‘Fijn, dat het nu nog weekend is!’ De zin die zaterdagochtend telkens opnieuw uitgesproken wordt. Bij de groentenboer, de visboer: ‘goed weekend maar weer!’ De andere buurman van verderop. En ja, het is fijn. Nog twee dagen en dan begint 2016 pas echt

                           *

Met nieuwjaarswensen, zoen ik of zoen ik niet? Met de lange sliert collega’s die zich vormt in de schemerige werkruimte met achter ons de wachtende broodjes, de thee en het sap van het nieuwjaarsontbijt. En daarna de gang door, de trap op naar de kantoorruimte met de in hoogte verstelbare bureaus. Ook de stoel zet je in de juiste stand. En de schermen een beetje schuin en wat hoger dan mijn collega ze achterliet. 

                            *

We tikken onze mails, schrijven rapporten, bereiden bijeenkomsten voor. We drinken thee, koffie en kopjes water. ‘Een bekertje koud water graag.’ 

                         *

En dan is het mooiste van zaterdag 2 januari: het past. Alle kerstballen, het stalletje, de twee glimzilveren vogeltjes met pluimstaartjes en de nieuwe houtfiguurtjes. Het past in de doos. De lichtjes, toch weer niet zo mooi opgerold als het plan was, de rode ballen, de kralenketting. Alle decemberherinneringen in de doos. Vier flappen dichtvouwen: lengteflap, zijflap, lengteflap en de zijflap inschuiven in de uitsparing van zijflap een. Als ik de doos met enige moeite in de kast boven de trap plaats valt een plastic zak eruit met paastakversierselen. Een wit plastic eitje met een geel lusje hobbelt langzaam de trap af. Uit een andere tas piepen een oranje haarband met pluche hazenoren en een hoge, oranje hoed. Ik prop ze terug. 

                         *

En wat het ergste is? Ook ik heb het liefste mijn auto voor de deur staan.

                       ***