Redeloos

  
Angst

Heel argeloos begin je een gedicht.

Een aantal letters, aangenaam van vorm.

Het gaat vanzelf. Er slibben regels dicht.

Ze zwijgen nog. Ze wachten op de storm.

                        *

Uit dode krullen, schreven, lijnen, halen

Ontstaan – geen mens die weet waaraan het ligt –

Schermutselingen tussen de vocalen.

De consonanten brommen mee, ontsticht.

                       *

Pas dan ontpopt zich iets als een bericht.

Een S.O.S uit een ver paradijs.

De voorhang scheurt. Je schrikt van het gezicht.

                         *

Doe dicht je ogen. Raak niet van de wijs.

Tart niet de woordeloze bliksemschicht.

Bepaal je tot je e’s en o’s en ij’s.

Gerrit Komrij (1944-2012)

Achter mij zwelt de rij aan. ‘Heeft u misschien een pen voor mij, iets waarmee ik het eruit kan duwen?’, vraag ik.

‘U krijgt het er niet meer uit’, sombert de dame achter de kassa. Een futloze lok valt schuin over haar gezicht. Zij draagt een fleece-trui. Het ritsje bij de hals deed zij half dicht. Zij legt een schaar in de schuifbak, trekt de hendel naar zich toe en de schaar belandt in een plastic bak aan mijn kant van het glas. 

‘Dit werkt misschien beter dan een pen.’ Ik pulk met de schaar in het plastic hoesje en hopla, het abonnement van heel-wat-jaren-geleden komt tevoorschijn. Triomfantelijk leg ik de schaar in het bakje met het allang verlopen abonnement. 

                           *

De vrouw staart triestig naar het plastic kaartje en tikt mijn naam in op haar computer.

‘U woont op nummer 22?’, vraagt zij.

‘Ja’, antwoord ik ‘en ik wil graag een 10-rittenkaart.’

‘U staat er niet meer in, in de computer, deze kaart is al een keer vervangen.’

                           *

Ik zucht. De rij is gevorderd tot en met de buitendeur.

‘Die mevrouw wil een abonnement’, hoor ik een moeder uitleggen aan haar ongedurige kind.

Ik geef het op: ‘Doet u mij maar gewoon een toegangskaartje.’

Dat kan. De vrouw met het futloze haar lijkt opgelucht. ‘Dat is dan € 6,20,-.

‘Krijg ik nog wel de borg terug van het abonnement?’, vraag ik.

‘Ach ja, dat vergeet ik helemaal’, en zij gooit € 3,- in het zwarte schuifbakje. Schuin achter mij vraagt een heer op krukken of hij erdoor mag zonder kaartje: ‘ik brak mijn been, hier vlakbij in de laatste bocht.’

‘Ach, was u dat?’, de fleecetrui kijkt meewarig op. ‘Ja, dat weet ik nog goed. Gaat u maar door hoor!’

                         *

En ik ga ook. Het poortje door waarop ‘duwen’ staat. Naar zo’n smalle bank in de nattige gang. Ik zie groepen kleurrijke shirts op de achtergrond voorbijflitsen als vrolijke bliksemschichten. En ik ga het doen. Na tijden van angst en diep in de kast verborgen schaatsen stap ik op het ijs. Het ijs dat ik jaren geleden ontdekte. Waar ik op zwierde. Eerst met schaatsen als skischoenen, later met klapschaatsen die professioneel klepperden als je naar de ijsbaan liep. 

                          *

Ik schaatste op de Weissensee met vriendinnen, later met mijn kinderen: tijden van rode wangen, lachende gezichten en Kaiserschmarren -smeuïge stukjes eier-pannenkoek met poedersuiker – op een zonnig terras. Bevroren meren met dennen tegen de bergwanden als een onwerkelijke Japanse prent. IJskoude lucht, en blauw, zo blauw. 

                        *

Tussen mijn oren groeide echter de angst voor het ijs. Het bewust zijn van twee smalle ijzers op het spiegelgladde oppervlak. Hoe kon het dat ik bleef staan? Dit was gekkenwerk: zometeen val ik. Hersenspinsels als spinnenwebben in het hoofd. Het plezier verdween langzaam als de late winterzon achter de bergen in Techendorf am Weissensee.

                           *

Ik zit op het houden bankje. Onder het geklepper van stoere klapschaatsen om mij heen sluit ik mijn ski-schoen-noren. Voorzichtig zet ik de eerste stapjes op het ijs. Mijn hand rust op de plastic opblaasrand langs de baan. Een zetje en daar glijden de smalle ijzers over het gladde oppervlak. De spinnenwebben in het hoofd zijn afgestoft. Weggeveegd in de loop ter tijden. En verbaasd over mijzelf zwier ik voorzichtige rondjes.

                          *

Niet zo hard als de tanige mannen in gele shirts met achterop in cursiefletters ‘De mooie Nel.’ Niet zo mooi en vloeiend als de leden van de Haarlemse ijsclub. Een beetje stijfjes, de knieën licht gebogen. Ik hoor de schaatsjuf zeggen tegen haar leerlingen: ‘vooruit blijven kijken!’ 

En ja, vooruit blijven kijken en gaan.
    Feal the fear and do it anyway.
                       ***

Advertisements

Leave a Reply

Please log in using one of these methods to post your comment:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s