De stad

  
 
Het Spaarne

Het Spaarne stroomt,

het Spaarne stroomt,

het Spaarne stroomt voorbij.

                            *

Voorbij de stad waar niets meer wordt geladen,

er liggen voor de waag geen schepen meer.

Ze varen door want de bolders en de kaden

hebben plaatsgemaakt voor het verkeer.

                              *

En het Spaarne stroomt…

Zoals het steeds voorbij zal blijven stromen.

Het water gaat, wat blijft is de rivier.

En wat er ook voor andere tijden komen,

hij stroomt voorbij en blijft toch altijd hier.

                                 *

Het Spaarne stroomt…

Het Spaarne stroomt…

Voorbij de brug, voorbij de laatste huizen,

voorbij de werven en het stoomgemaal.

                              *

Het Spaarne stroomt, maar niet voorbij de sluizen,

het eindigt naamloos in een zijkanaal.
                          ***

Lennaert Nijgh (1945-2002)

Drie kussens steken boven de tuinbank uit. Ze staan fier rechtop en absorberen de zonnestralen met hun diepzwarte kleur. De poes kruipt op het kussen dat op de bank ligt. Hij krult zich op en zijn ogen gaan dicht. Het leven is verrukkuluk.
                         *

Vanochtend op de fiets was het snoeikoud: de aan mijzelf cadeau gegeven peperdure handschoenen hielden de snijdende wind niet helemaal tegen en mijn vingertopjes werden koud onder het zwarte bont dat zo haar best deed.

                         *

De tocht ging naar mijn geboortestad, Haarlem. In de veronderstelling dat ik daar ooit weer wil wonen fietsten we naar een appartement, gecreëerd in een voormalig RK-ziekenhuis. Het ziekenhuis waarin ons oudste kind geboren is, waar we een kaarsje in de kapel opstaken om de weeën te bespoedigen en waar een gezond, piepklein meisje werd geboren met een rood, rimpelig huidje en blond haar. 

Het kaarsje had niet zo goed geholpen maar de weeën- opwekkende middelen die langzaam uit de infuuszak door een doorzichtige slang mijn hand in druppelden deden hun werk. 

                           *

Met wangen, rood en ruwig door 12 kilometer noordenwind, komen we aan bij het nieuwbouwcomplex. Strak aaneengesloten staan de hoge en lage gebouwen tussen gifgroene gazons aan rechte straatjes haaks op elkaar. In de verte schittert het water van het Spaarne, het veroorzaakt goud-glinsterende vlekjes in onze ogen. We zetten onze fietsen in de stevige fietsenklemmen, in ieder straatje staat een rij klemmen, stil en recht als solide soldaten in het gelid.

                            *

Aan onze rechterhand zien we in onze ooghoeken het bordje ‘Open huis.’ Maar we zijn te vroeg. ‘Zullen we een rondje lopen?’, vraag ik en we lopen een rondje.

Aan het water ligt een mooie kade: de rivier glimt en glanst en stroomt langzaam langs de kademuren. Je ziet de stroom niet, maar je weet: er moet een stroming zijn, het is een rivier en rivieren stromen.

                           *

Het appartement hebben we gauw gezien: mooi, maar te klein en geen buitenruimte. ‘Leuk voor een persoon’, zegt mijn man. En ik ben het met hem eens. ‘Wel een persoon die €289.000,- kan betalen en dan heb je nog niet eens een garage erbij. Een garage kost €25.000,- extra’, zeg ik.

‘Zullen we nog even doorfietsen naar de stad?’, en dat doen we. 

                             *

Het is vroeg en de stad is stil. De fietsenstalling oogt leeg, is net open: vanaf 11.00 uur geopend staat met wit krijt geschreven op een bord. Van een 2 is een 1 gemaakt. Ooit was de stalling dus pas om 12.00 uur open. 

                             *

De stad is mooi, de zon schijnt en de wind lijkt hier minder guur. We eten een broodje, drinken koffie, bladeren in boeken en bekijken etalages. Bij de ecologische supermarkt kopen we frietaardappelen – de lekkerste – verse basilicum, tomaat en een bolletje Mozzarella. ‘Ik neem nog een pak mosselen mee en wat coquilles’, zeg ik tegen mijn man. Maar hij is op zoek naar het brood. Vanavond komt het rooiige baby’tje van weleer eten. 

                              *

We eten mosselen met frites en een knapperig stokbrood. ‘Even een kwartiertje op 200 graden in de oven, daarna een kwartier laten afkoelen. Dan heb je het knapperigste brood dat je ooit hebt gegeten’, zegt de aardige man in het Spaanse delicatessen-winkeltje.

‘Doet u ook maar een ons Spaanse ham, welke kan u ons aanbevelen?’ De man straalt en wijst ons op drie hammen. We kiezen de ‘hartige, pikante.’ 

                              *

Als we thuiskomen na weer een gure tocht zit ons jongste kind op de bank buiten in de zon. We pakken de boodschappen uit, het eten, de verse krant. Even later zit ik op de bank in de zon. Het is warm en stil. Naast mij krult de poes zich op en sluit zijn ogen.

                             *

Ooit gaan we in de stad wonen. Ooit.

                             ***

Advertisements

Guilty pleasures

  
Het zou gaan regenen vandaag maar het blijft grijs en droog. Het gekke is dat het mij teleurstelt. Graag had ik de hele dag binnen gezeten zonder het gevoel te hebben dat ik naar buiten moet ‘nu het nog droog is.’ Nee, ik wil in pyjama de krant lezen, een broodje eten, de katten aaien en The Voice Kids kijken, het programma dat ik opgenomen heb, zonder een man die vraagt: ‘moet jij je burgerkleren niet aantrekken?’ en een kind dat niets vraagt, maar zo nu en dan naar beneden komt om eten te pakken en daarbij zijn wenkbrauwen lichtjes optrekt.

                          *

En ja, dat is wat. Bekennen dat je als volwassen vrouw met een respectabele baan en boeken in de kast kijkt naar een dergelijk programma. Ik twijfelde lang. Zou ik het bekennen? Het ergste is nog dat ik mijn eigen kinderen niet kan betrekken bij deze guilty pleasure. Een is de deur uit, studeert, sport, heeft een vriend en een oppasbaan. Haar krijg ik niet meer iedere week op de bank met kaneelthee, een kruik en twee reclameblokken verder een toastje met kaas van de plaatselijke delicatessen-zaak.

                         *

Het andere kind is vastgeplakt aan zijn bed waarop hij multi-taskt met behulp van verschillende apparatuur-met-beeldscherm. Boeken die hij misschien in zou moeten kijken – wil hij alle tentamens halen volgende week – verdwalen in de chaos van een overvol bureau. Een sleutel, muntstukken, een glas met wat water, een bakje waarin ooit zoutjes zaten, een pen, potlood zonder punt en een halve gum. Nee, ook hij kan niet betrokken worden bij zijn moeders geheime genoegens. Dus kijk ik geheel en al op eigen conto.

                             *

Wat is het toch dat mij trekt in zingende kinderen, artiesten die wel of niet omdraaien, zenuwachtige ouders en opgewonden presentatoren? Wat zie ik toch hierin? Waarom moet ik dit programma kijken en trekt het mij aan als een ijzervijlsel-slurpende magneet?

                             *

Misschien is het de vertedering die de kinderen opwekken: de meesten zijn verlegen en beleefd. Ze zeggen ‘dank u wel’, lachen hun mooie lachjes. En sommigen zingen de onverwachte sterren van de hemel. Dan maakt Marco Borsato een gebaartje met zijn hand, het gebaar dat ooit Gerald Vanenburg maakte bij de goal van van Basten in 1988. Nederland-Rusland 2-0. 

                              *

Nog erger dan bovenstaand plezier is het bekijken van You tube filmpjes met dezelfde strekking als hierboven: filmpjes van volwassenen en kinderen die de jury verrassen met een prachtige zangstem, een ontroerend verhaal plus optreden, zang- en danstalenten ineen. Britain’s got talent, de Amerikaanse Voice, de Duitse Voice Kids, you name it, ik heb het gezien. De twee pubers die onwaarschijnlijk mooi ‘All of me’ zingen van John Legend, tweestemmig, de jury tot tranen toe roerend. Het meisje Laura, 11 jaar, met brilletje en vreselijke moeder in de coulissen die moeiteloos ‘I Will always love you’ zingt, een geluksbeertje hangt uit de zak van haar vest.

                             *

Het Nederlandse meisje Amira dat met een glaszuivere stem opera zingt. Isaac Waddington, Britse puber, die ontroerender dan Billy Joel ‘She’s always a woman’ zingt en daarbij piano speelt. Ik ken ze, allemaal. 

                            *

De schaamte voorbij: ja, ik vind dat leuk. En ik heb nog meer geheime genoegens naast alle respectabele bezigheden als lezen, schrijven en reizen. Mateloos zoeken naar vakantiebestemmingen is er zo-een. Alles weten van de Tweede Wereldoorlog met als specialiteit de Jodenvervolging. Maar het ergste zijn toch wel die You tube filmpjes. 

                           *

En nu ga ik mijn boek uitlezen, ‘Ik zag een man’ van Owen Sheers. Zeer verantwoord, een pleasure but…not guilty.

                         ***

 

                          

Plotseling, liefde 

  
Bij de oudste nog in leven zijnde Haarlemse boekhandel vraag ik of ze de nieuwe roman hebben van Aharon Appelfeld. De jongeman die nonchalant achter de computer op een soort barkruk hangt draait zich om.

‘De nieuwe roman van Appelfeld?’, vraagt hij.

‘Ja, de titel is ‘Plotseling, liefde’, zeg ik. Wat een wonderschone titel is.

                          *

Ik verheug me op dit boek. Appelfeld is een van de schrijvers die je ontdekt, ooit, als een parel in de diepte van een zee aan boeken. Schoonheid van schrijven komt je tegemoet bij het omslaan van iedere bladzijde van het boek ‘Het verhaal van een leven.’ Appelfeld, die als klein, Joods jongetje uit een Oekraïens kamp ontsnapt en rondzwerft over akkers en velden, de grijpgrage nazi’s en onbetrouwbare Oekraïense boeren – met ogen die op verraad staan – ontwijkend.

                           *

De zwerftocht van dit jongetje in een wereld van ellende en verschrikking staat in schrille tegenstelling tot zijn kinderjaren voor het als Jood beschouwd worden. Voor de vervolging. De poëtische beschrijving van Transsylvanie waar Appelfeld opgroeide in een cocon van geluk is prachtig. Het leven toen, daar, is zo beeldend beschreven dat je zelf in dat sprookjesachtige landschap ronddwaalt: je ziet Aharon huppelen als jongetje van vijf, zes jaar, omringd door de liefde van zijn ouders en grootouders.

                           *

De jongen op de barkruk kijkt mij aan en zegt: ‘nee, dat boek verkoop ik niet.’

Verbouwereerd kijk ik hem aan. ‘Het zijn prachtige boeken, het laatste is toch net uitgebracht?’ En ik kijk om me heen naar al die boektitels, boekomslagen en kasten vol boeken in deze kwaliteitsboekhandel.

‘Ja, ik heb er laatst een recensie over gelezen’, antwoordt de barkruk, ‘maar de boeken van Appelfeld verkopen niet. Wij hebben ze niet in huis. Ik kan het boek wel voor u bestellen.’

‘Nee, dat hoeft niet’, zeg ik. 

                         *

Ik fiets naar huis. Het is prachtig weer. In de krant lees ik dat een proces gaande is in Duitsland. De 94-jarige Reinhold Hanning wordt verdacht van oorlogsmisdaden, misdaden tegen de menselijkheid. Hanning was bewaker in Auschwitz. Hanning zwijgt. Eerder verklaarde hij in een deel van Auschwitz te hebben gewerkt waar geen mensen werden vergast. Echter, de aanklagers gaan ervan uit dat alle bewakers betrokken waren bij het vergassen van de Hongaarse Joden die in 1944 in grote getale in Auschwitz zijn vermoord. Ook Hanning zou daarbij zijn geweest. Maar Hanning zwijgt. 

                       *

Getuige Leon Schwarzbaum houdt op het journaal een foto omhoog met daarop in sepia-kleuren hijzelf, zijn oom en zijn ouders. Een heel jonge, serieus kijkende twintiger, twee oudere, vriendelijke heren en een knappe vrouw met een kersenmond en net zo’n serieuze blik als haar zoon. Leon overleefde als enige van zijn familie Auschwitz. Twintig jaar was hij toen hij in Auschwitz belandde. Hij is getuige in Hannings proces. Leon, een oude man die op zijn vader is gaan lijken, vraagt zich af: ‘zou hij mijn ouders hebben gezien, daar op het perron?’ 

                        *

Maar Hanning zwijgt. En tijdens het fietsen in de kou met de winterzon op mijn gezicht vraag ik mij af hoe het gaat met Aharon Appelfeld. Dat kleine jongetje wiens leven zo mooi begon en al gauw veranderde in een onbegrijpelijke nachtmerrie. Welke Hanning heeft Aharons vader gezien, daar in dat Oekraïense kamp? Zijn moeder was niet in dat kamp. Zij was al eerder door de nazi’s vermoord.

                          *

Hanning zwijgt. En daarom moeten wij blijven lezen. Het nieuwe boek van Aharon Appelfeld, ‘Plotseling, liefde’. Ik bestel het maar gewoon bij Bol. com. En ik hoop dat het boek wel goed verkocht wordt. Dat de jongen op de barkruk bij boekhandel de Vries ongelijk heeft. Want zolang Hanning zwijgt lezen wij, over alles wat niet meer gebeuren mag en toch gebeurt. In Zuidoost-Turkije. In Aleppo. In Zuid-Soedan en Nigeria. Kleine jongens en meisjes wier leven zo beloftevol begon en nu een gruwelijke nachtmerrie is geworden ontsnappen niet aan nazi’s maar aan withete brandbommen, zij kijken niet in de ogen van hebzuchtige verraders maar ontwijken gerichte kogels van scherpschutters of religieuze fanatici.

                           *

En Hanning? Reinhold Hanning, 94 jaar oud, kijkt naar de grond en zwijgt.

‘Plotseling liefde’, heet het nieuwe boek van Appelfeld. Plotseling, liefde.
                       ***

Lemper & pindakaas

  
Mijn vader staat te strijken in het kleine zijkamertje van zijn flat. ‘Laat mij dat maar doen!’, roep ik direct. Maar mijn dochter is sneller, neemt de strijkbout op – ‘ik ken alle trucs voor overhemden’ – en zij strijkt de drie overhemden die over de leuning van een bureaustoel naast de plank klaarhangen. 

                         *

Mijn vader loopt voor mij uit de huiskamer in die met een gammele schuifdeur van de strijkkamer annex kantoor kan worden afgesloten.

‘Ga zitten, ga zitten’, zegt hij, terwijl hij het vierkante kussen van de bank tegen de leuning plaatst, voor mij. En ik ga zitten. 

                         *

‘Leuk dat jullie er zijn’, zegt mijn vader. Ik kijk hem eens goed aan. Zijn gezicht heeft kleur, hij draagt een overhemd met een V-hals trui erover. De bruine broek, die hij al zo lang heeft, slobbert om zijn dunne benen. ‘Het staat je goed, die trui, pa’, zeg ik. En ik meen het. De trui geeft hem body en kleur. Hij ziet er prima uit. Ook dat zeg ik hem.

‘Ja, ik voel mij ook goed’, zegt hij, ‘vandaag heb ik helemaal geen last van mijn knie.’

‘Nou, dat is fijn!’, zeg ik, ‘er is geen peil op te trekken, he?’ 

‘Nee, ik snap het niet hoor, ik slaap in hetzelfde bed, altijd even lang, doe niets bijzonders en toch heb ik soms wel en soms geen last.’

‘Tja, het is raar’, beaam ik. Ik kijk naar buiten. Het regent. Weer regent het. Auto’s slingeren zich om de rotonde heen, in de vensterbank staan de witte orchideeën die ik hem laatst gaf. 

                         *

Mijn vader is dol op orchideeën. Ze doen hem vast denken aan zijn geboorteland, Indie. Daar groeit en bloeit alles vanzelf, ook orchideeën met tere trossen blaadjes en beloftevolle knoppen die zich langs fragiele stengels omhoog slingeren.

                         *

‘Wat doe je?’, vraagt mijn vader aan mijn dochter vanuit zijn stoel naast het raam. ‘Ik ruim de strijkplank op’, zegt mijn dochter.

‘O, dat doe ik zelf wel’, zegt mijn vader en hij probeert op te staan. ‘Nee, opa, ik heb het al!’ roept mijn kind, ‘ik moet altijd even zoeken naar het hendeltje, maar ik heb het.’ En we horen de klap van de plank waarvan het uiteinde net te zien is langs de rand van de schuifdeur. En dan beweegt het stukje plank langzaam richting slaapkamer.

‘Hij staat achter de deur in de slaapkamer’, instrueert mijn vader.

‘Ja, dat weet ik toch opa.’ 

                         *

Mijn vader staat op. En dat klinkt sneller dan dat het in werkelijkheid gaat. ‘Ik ga wat klaarmaken, wat wil je?’, vraagt hij aan mij.

‘Ik wil wel wat water’, antwoord ik, maar dat vindt hij ongezellig. Ik zie het direct aan zijn gezicht. ‘Nou, doe dan maar wat thee’, zeg ik. Mijn vader schuifelt naar de keuken. Ik sta op, leun met mijn knieën tegen de centrale verwarming en kijk naar buiten. Ik zie niets maar droom weg. 

                             *

Op de achtergrond hoor ik keukengeluiden en de stemmen van mijn dochter en mijn vader, zachtjes en gedempt. Ze keuvelen samen over de thee, welke smaak ze wil, over haar studies, over de appel die geschild moet worden. ‘Mam, wil je ook een lemper?’, vraagt mijn kind. Ze steekt haar hoofd om de hoek van de kamerdeur. ‘Mam?’

‘Ja, lekker, dat wil ik wel’, antwoord ik.

‘Ja opa, ze wil ook een lemper’, hoor ik haar zeggen.

Ze lacht. ‘Je hebt een hele stapel lempers gekocht!?’, hoor ik haar zeggen tegen mijn vader. ‘Ja, iedereen is er dol op, ook de kinderen van Bart lusten ze graag. Ik heb er al veel weggegeven.’ Bart is mijn broer. En zijn jonge kinderen houden ook van lemper.

                         *

Ik hoor het tikje van de magnetron en ik besluit maar eens te helpen. Ik draag de drie bordjes met daarop het witte rolletje kleefrijst, gewikkeld in plastic folie als een ingerold drolletje naar binnen. Mijn dochter brengt de stukjes geschilde appel en ik haal de thee. Mijn vader haalt in de keuken een kadetje uit een plastic zak. ‘Ga je ook alvast een broodje eten?’, vraag ik.

‘Ja, lekker een broodje met pindakaas’, antwoordt mijn vader.

Ik pak zijn kopje koffie en loop naar binnen.

‘Opa, kom je?’, vraagt mijn kind.

‘Hij maakt nog een broodje klaar’, zeg ik. ‘Met pindakaas.’ 

‘Hij vergist zich, mam. Meestal zijn we wat later bij hem op zondag, hij denkt vast dat het nu lunchtijd is.’ We kijken op de klok, het is half twaalf. En we glimlachen beiden. 

                         *

Eindelijk keert mijn vader terug uit de keuken. We peuteren alledrie het plastic folie van het dampende rolletje kleefrijst. We zetten onze gebaksvorkjes erin en eten onze lemper: warme kleefrijst, gevuld met kruiden, kip, zo zacht en kleverig als een hartig snoepje dat lekker aan je verhemelte plakt. De orchidee in de vensterbank kijkt toe. En als je je ogen sluit waan je je, nee, als ik mijn ogen sluit waan ik mij even, heel even in Indie.

                              *

De nagloed van de zon

De nagloed van de zon

De adem van het duister 

En boven mij, sereen

Het Zuiderkruis

                         *

Ik zit op mijn balkon
Ik ben alleen, en luister

Naar dromen om mij heen

Hier ben ik thuis

                        *

Ik kwam uit Nederland

En woon er later weer

Vertrouwd gebied

                        *

Maar die volmaakte band

Die godenpracht, die sfeer

Daar zijn ze niet.

                        ***

Drs. P (1919-2015)

Uit: Album van de Indische poëzie, Bert Paasman, Peter van Zonneveld.

Koud 

 Bij het wakker worden of eigenlijk, na het ontwaken, schuif ik de gordijnen open. Een wit laagje versiert het dak van de schuur, de pergola is be-ijsd, de takjes van onze rode-bladeren-boom waar schemerig de knoppen al op doorkomen zijn wit. Wordt het toch nog een beetje winter. Ik droom onder het dubbele dekbed verder over winter, ijs, sneeuw. Over een paar weken ben ik daar, in de Franse Alpen waar dikke sneeuwhopen langs de kant van de weg liggen. Smerig geworden aan de zijkant door opspattend modder van de vele auto’s met daarop grote grafkisten met ski’s, schoenen, helmen, stokken. Het is een gedoe, dat skiën. 

                          *

Ik snap ook niet dat mensen dat doen, dat ik dat doe. Reizen, lang en ongemakkelijk in de auto, korter en ongemakkelijk in een vliegtuig of lang en redelijk gemakkelijk in de trein. Zoeken naar je hotel, pension, huisje of appartement. Boodschappen doen in een tl-verlichte Oostenrijkse of Franse supermarkt, dat laatste is dan al wel weer heel wat beter. Sjouwen in de sneeuw met zware schoenen, en dan echt zwaar, met van die hard-plastic flappen en ijzeren haken die je zo lastig dicht krijgt. 

                         *

Een lang klittenband-lint dat om je schoen slingert als een teugel van een dartel paard wordt drijfnat in de gesmolten modder. Even later moet je deze om je schoen heen vastmaken. Je handen worden nat en vies. Je veegt ze af aan je lime-groene ski-broek. Vage modderveegjes op de zijkant van de broek bedek je met je hippe bomberjack. Eigenlijk niet geschikt om in te skiën, maar het staat wel oké: die lime-groene broek met zwarte bretels en een Bordeaux-rood bomberjack. 

                           *

Je hangt je rugzakje recht op je schouders, die zeer doen van het gesjouw met de ski’s, je sluit moeizaam alle haken op de schoen, sluit het klittenband, je zet je bril op, de helm eroverheen. Je doet je handschoenen aan, van die dikke, zet ze om je stokken, je handen zitten vast in de lussen en je klikt je schoenen in de ski’s. Daarna kijk je op. Voor je doemt de berg op: puntig en wit, afstekend tegen een ijsblauwe lucht. 

                           *

Je hoort het gezoef van de lift: stoeltjes die open- en neergeklapt worden, stokken die tegen elkaar aan slaan. Bij de lift staat een man die meestal norsig kijkt: grote zonnebril, diep gebruind, van dat schoensmeerbruin dat er nooit meer afgaat – een huid van gelooid leer – een gebreide trui met beige wintermotiefjes, als de trui die mijn oma ooit voor mij breide. Je hoort het zachte zoeven van ski’s op sneeuw naast je, de mensen die van de berg afkomen. Ze skiën je voorbij. 

                           *

Je recht de rug. En met een klein zetje van de stokken glijd je naar de ingang van de lift. Hopen dat het poortje open gaat; de skipas zit in de rechterbroekzak, meestal begrijpt het poortje dat. En ja, met een lichte duw van je heup tegen de ijzeren staaf kan je verder, het pad af, naar de vlonderstreep waar je je ski’s tegenaanzet voor het stoeltje tegen je billen klapt. 

                              *

Zo droom ik even door. De realiteit is dat ik een half uur later dik ingepakt naar het kleine fitness-zaaltje fiets verderop in het dorp. Ik heb het niet koud, maar mijn adem maakt wolkjes. De lucht is ijsblauw. We fietsen langs de psychiatrische instelling. Voor een van de huizen staat een groepje mannen te wachten. 

‘Daklozen zijn het’, vertelt mijn man, ‘zij worden ‘s avonds gebracht en ‘s ochtends weer opgehaald met een busje.’ We fietsen langs een man met krukken, holle ogen en een baard van twee dagen. 

                         *

Daarvoor staat een groepje van drie. Een van hen met een tas zoals vroeger mijn wiskundeleraar om de schouder droeg, zo’n beige, rechthoekige schoudertas. ‘Dat is de begeleider’, zegt mijn man. En ik moet denken aan de scène uit ‘One flew over the cuckoo’s nest’. De prachtige film, vol humor en verdriet, met een weergaloze Jack Nicholson die met zijn sardonische lachje de boel op stelten zet in de psychiatrische inrichting uit de jaren ’50. Hij neemt zijn mede-patiënten op een dag mee in de bus, die hij wegkaapt voor een boottochtje op zee. Daar staat hij, Jack, op het dek van het gejatte jacht met zijn mede-patiënten. ‘Who are you?’, vraagt een achterdochtige jachthavenbeheerder.

‘Professor Dr. Matthews’, antwoordt Jack en en hij stelt de anderen voor met klinkende doctor-titels en dubbele namen. Ze buigen of knikken minzaam. 

                         *

Wie is de gek?

                         *

We fietsen door en ik zie de man op krukken voor me. Zodirect strompelt hij door de straten van Haarlem, Amsterdam, Hillegom…Vanavond wordt hij weer opgehaald en kan hij warm eten en slapen. 

                         *

Het is winter en even ijzig koud. 

                        ***

Makkie

  
Het regent. De ruitenwissers zwiepen heen en weer en brengen een rillerig geluid voort, als krassende nagels over een schoolbord. Hoe ik de wissers ook afstel het maakt niet uit. Kchchchc, kchchch, een gelijkmatig ritme over glas begeleidt de tocht naar huis.

                         *

Vanuit de auto bel ik mijn vader. Het is 17.30 uur en ik rijd naar huis, verlangend naar de warmte van de huiskamer, mijn man-met-oranje-schort, zoon-met-laptop en geurige boerenkool.

                         *

‘Hallo!’, klinkt het luid en duidelijk in de auto.

‘Ha pa, met mij’

‘Ja?’, klinkt het vragend. Ik bel mijn vader niet zo vaak buiten de twee- wekelijkse visites om.

‘Ik bel even om te vragen of het is gelukt met Netflix. Kon je het vinden?’

                         *

De dag ervoor installeerde ik Netflix op zijn televisie. Het was ons cadeau voor zijn 94-e verjaardag, het kleine Apple tv-rechthoekje en een abonnement op Netflix. Het installeren verliep niet zonder slag of stoot. Allereerst ontbrak een kabel. Hiervoor reed ik op zondag naar de Media Markt. Een HDMI-kabel kopen op zondag in de Media Markt is wat je kan noemen: een uitdaging. Ondanks een met vette letters aangekondigde BTW-actie, veel bezoekers en nog meer verkopers hield ik het hoofd koel en kocht ik een HDMI-kabel. Een zwarte kabel met koperkleurige uiteinden, netjes beschermd door een rechthoekig plasticje.

                         *

‘Dat is €24,94, mevrouw.’

En ik rekende het eigenaardige bedrag af. Was dat vanwege de BTW-actie? Niet goedkoop, zeg, zo’n kabel. 

Gewapend met de kabel deed ik bij mijn vader thuis een poging Netflix op te starten. Mijn dochter ging mee. We stuitten echter al snel op het fenomeen ‘Apple Id.’

‘Pa, wat is jouw Apple Id?’

‘Apple Id? Heb ik dat?’

‘Ja opa’, zei mijn dochter, ‘die heb je toch? Je gebruikt deze ook op de computer. Ik heb hem zien staan op een van die papiertjes met wachtwoorden.’

                         *

Mijn vader loopt moeizaam naar het bureau waarop de Apple-computer staat. Hij pakt een A-4 waarop alle wachtwoorden zijn uitgetypt. Een paar losse velletjes en overschrijvingen dwarrelen bij het zoeken naar de wachtwoorden neer op de grond. Maar jawel, op de A-4 staat zijn Apple Id: gebruikersnaam en wachtwoord. Als we het hele Netflix-menu hebben doorlopen -‘wat een leuk geluid’ – zegt mijn vader bij iedere apart aangeklikte letter van zijn Id – blijkt de Id niet geldig. Mijn dochter opent zuchtend via I-tunes mijn vader’s gegevens. ‘Opa, je credit-card is verlopen. Wat is je nieuwe nummer?’

‘Ja’, zegt mijn vader, ‘dat is waar ook! Ik wacht al weken op mijn nieuwe credit -card. Ik heb deze nog steeds niet ontvangen.’

‘Mam, kan jij jouw nummer er niet inzetten?’, stelt mijn kind voor. Ja, dat kan, maar ik heb mijn creditcard niet bij me.

                         *

‘Pa, dinsdag installeer ik Netflix voor je met mijn kaart.’

‘Och, dat hoeft niet, hoor’, antwoordt mijn vader. ‘Ik krijg vast gauw die nieuwe credit-card.’

‘Nou, we kijken wel.’ En we zeggen gedag. Mijn vader Netflix-loos achterlatend.

                         *

Dinsdag doe ik opnieuw een poging. 

‘Je hoeft niet een Apple Id te hebben voor een Netflix-account’, beweert mijn zoon. ‘Ik heb zelf gewoon een account met mijn bankpas aangemaakt. Dat kan ook.’ Bij mijn vader maak ik zo’n account aan. En dat lukt. Helaas vraagt Netflix wel om een Apple Id. Ik word er wanhopig van. ‘Ik snap dat niet hoor’, zegt mijn zoon als ik hem bel, ‘maar ik stap nu net de trein in, doei!’

                          *

Ik zeg het bankpas-account onder hevige belangstelling van mijn over- mijn-schouder-meekijkende vader af. ‘Dat dat zo snel kan worden afgezegd’, zegt hij ongelovig. 

                        *

En nu heb ik er genoeg van, maar opgeven is geen optie. Vele handelingen verder lukt het eindelijk. Ik schrijf stap voor stap op een blaadje uit wat mijn vader allemaal moet doen. Wat vreselijk ingewikkeld is. Na drie keer oefenen, waarbij ik telkens roep als mijn vader met zijn dikke vinger op ‘enter’ drukt: ‘menu’, pa, met ‘menu’ keer je terug!’ moet ik echt naar huis.

‘Ik heb je vreselijk opgehouden he?’, vraagt mijn vader bij het weggaan.

‘Nee hoor, dat geeft niets,’ antwoord ik, terwijl ik probeer uit te rekenen hoeveel tijd dat hele Netflix mij heeft gekost. 

                         *

Rijdend naar huis in de stromende regen wil ik weten of het hem is gelukt.

‘En, heb je al Netflix gekeken? Lukte het allemaal?’, vraag ik.

‘Ja, het ging goed. Ik heb de hele middag gekeken. Wat staat er veel op!’

‘Wat heb je gekeken?’, vraag ik. Bij het uitproberen samen drukte hij op de film ‘Verliefd op Ibiza’ en keken we een stukje natuurfilm. 

‘Ik keek naar, ja, hoe heet het ook al weer? Die film over dansen. Je weet wel.’ 

                         *

Ik pijnig mijn hersens: een film over dansen? Kchchchch, kchchch, de ruitenwissers slepen zich voort over de voorruit. Druppels slaan van links naar rechts. 

‘Is het die film met die overleden acteur?’, vraag ik. Het begint me te dagen. Hoe heet dat joch ook al weer?

‘Dirty dancing?’ Is het Dirty dancing?’

‘Ja’, roept mijn vader, ‘Dirty dancing’ heb ik gekeken. Maar wat staat er veel op, op dat Netflix!’

‘Ja, je hebt voldoende keus’, antwoord ik. Ik ben bijna thuis.

                         *

‘Maar nu krijg ik de gewone tv niet meer goed’, zegt mijn vader. ‘Het geluid doet het niet.’

Vijf lange minuten instrueer ik hem hoe de volumeknoppen van BEIDE afstandsbedieningen hoger gezet moeten worden. Het lukt maar niet.

‘Zal ik maar even langskomen?’, vraag ik.

‘Het lukt niet’, zucht mijn vader. Maar bij de zesde instructie – ‘ook op de andere afstandsbediening moet je het volume activeren, pa’ – klinkt het opeens opgelucht: ‘ja, hij doet het weer!’

Ik draai onze straat in. Ik voel de warme kamer, ruik de boerenkool.

                         *

‘Nou pa, fijn dat het gelukt is. Ik vind het knap dat je Netflix vanmiddag gevonden heb en het weer terugzette.’

‘Nou, zo moeilijk is het niet, hoor’, antwoordt mijn vader.

Nee, zo moeilijk is het niet. 

                       ***

Pussycam

  
De kat van ome Willem 

De kat van ome Willem is op reis geweest 

Op reis geweest, op reis geweest 

De kat van ome Willem is op reis geweest 

Waar ging die dan naar toe, hee 

Hij is voor zeven maanden naar Parijs geweest Parijs geweest, Parijs geweest 

Zodat ‘ie nou alleen maar Franse kranten leest 

Bonjour en voulez vouz 

                      (…)

A.M.G. Schmidt (1911-1995)

Iedereen is weg. Het huis is stil en verlaten. Zelfs de poezen zijn vertrokken. Ongetwijfeld zijn ze in de buurt maar dat denken alle poezenbaasjes. Dat het niet zo is bewezen Engelse wetenschappers die in een oer-Engelse buurt alle poezen een zendertje en camera – ‘pussycam’ – omhingen. * Fluffy en Doody, Sam en Sarah, allemaal kregen ze een halsband met zender om hun poezelige nekjes. Hun baasjes en bazinnetjes werd gevraagd: ‘weet je wat jouw kat buiten doet? Waar gaat hij, denk je, heen?’ De meesten dachten dat hun poes in de buurt bleef van het huis. Hooguit wandelden ze rond in de poort achter de huizen, de avonturiers onder de buurtpoezen zouden wellicht naar het veldje verderop lopen. Volgens de baasjes dus. 

                         *

De zendertjes en camera’s wezen echter uit dat de schatjes de hele buurt afstruinden, met elkaar vochten, kilometers ver liepen, naar het bos aan de rand van het dorp.

                         *

De allerliefste Fluffy bleek een vechtjas te zijn, de huiselijke Sarah struinde iedere avond naar dat verre bos en de slome Sam terroriseerde alle buurtkatten. Alle katten ontliepen Sam die thuis schattig bij iedereen op schoot bivakkeerde, lief kopjes uitdelend aan de bewoners. De Engelse  baasjes waren verbijsterd. Het beeld dat ze hadden van hun schatteboutjes moest compleet worden bijgesteld. In verwarring bleven ze achter, het bazinnetje van Fluffy, de baasjes van Sam en Sarah.

                          *

Onze katten zijn ook van die ondoorzichtige types: Moos, in huis sloom en lui en altijd in voor een knuffel is, zodra hij een pootje buiten de deur zet, de buurt-terrorist. Geen kat is veilig, iedereen wordt besprongen en verjaagd. Hij zwerft overal en nergens rond. Tot onze verbijstering troffen we hem eens aan tippelend langs de Leidsevaart, wandelend in het tegenover gelegen ‘Tranendal’ (70-er jaren buurt met flink percentage gescheiden ouders) en schijnheilig huppelend vóór, op straat. En hij mag niet vóór, op straat, want daar rijden auto’s, er fietsen fietsers, kortom overal op straat loert gevaar.

                             *

Saar is onze nuffige dame. Thuis komt zij nooit zomaar op schoot zitten. Smeken moet je: ‘kom, Saar, wil je lekker bij me zitten?’ Stoïcijns kijkt ze je aan. Nee, ze komt niet. 

                            *

Buiten blijft Saar in de buurt. Ze verschuilt zich onder de hortensia: de grote witte Annabellen. Ze vangt zo nu en dan een kikkertje, speelt met een zieltogende vlinder of duwt een naaktslak voort op het pad met venijnige tikjes van haar pootje. Saar wacht niet goedmoedig bij de buitendeur als ze naar binnen wil tot wij haar binnenlaten. Nee, zij staat direct op de rand van de tuinbank, miauwt luid en duidelijk en zet haar pootjes tegen het raam waarbij zij fijne modderstrepen op de glazen schuifpui krabbelt. Precies op ooghoogte is het zicht op de tuin vanuit huis vertroebeld door opgedroogd zand en modder. 

                             *

Maar wie weet is Saar in werkelijkheid een ruziezoekende Fluffy, een zwerver als Sam of een kleine terrorist. We zullen het niet weten. En juist dat is zo leuk. Katten, ondoorgrondelijk zijn ze. 
Het zijn, eh, net mensen.

                       ***
*The secret life of the cat, BBC http://youtu.be/clj3dlRyaWo