Koud 

 Bij het wakker worden of eigenlijk, na het ontwaken, schuif ik de gordijnen open. Een wit laagje versiert het dak van de schuur, de pergola is be-ijsd, de takjes van onze rode-bladeren-boom waar schemerig de knoppen al op doorkomen zijn wit. Wordt het toch nog een beetje winter. Ik droom onder het dubbele dekbed verder over winter, ijs, sneeuw. Over een paar weken ben ik daar, in de Franse Alpen waar dikke sneeuwhopen langs de kant van de weg liggen. Smerig geworden aan de zijkant door opspattend modder van de vele auto’s met daarop grote grafkisten met ski’s, schoenen, helmen, stokken. Het is een gedoe, dat skiën. 

                          *

Ik snap ook niet dat mensen dat doen, dat ik dat doe. Reizen, lang en ongemakkelijk in de auto, korter en ongemakkelijk in een vliegtuig of lang en redelijk gemakkelijk in de trein. Zoeken naar je hotel, pension, huisje of appartement. Boodschappen doen in een tl-verlichte Oostenrijkse of Franse supermarkt, dat laatste is dan al wel weer heel wat beter. Sjouwen in de sneeuw met zware schoenen, en dan echt zwaar, met van die hard-plastic flappen en ijzeren haken die je zo lastig dicht krijgt. 

                         *

Een lang klittenband-lint dat om je schoen slingert als een teugel van een dartel paard wordt drijfnat in de gesmolten modder. Even later moet je deze om je schoen heen vastmaken. Je handen worden nat en vies. Je veegt ze af aan je lime-groene ski-broek. Vage modderveegjes op de zijkant van de broek bedek je met je hippe bomberjack. Eigenlijk niet geschikt om in te skiën, maar het staat wel oké: die lime-groene broek met zwarte bretels en een Bordeaux-rood bomberjack. 

                           *

Je hangt je rugzakje recht op je schouders, die zeer doen van het gesjouw met de ski’s, je sluit moeizaam alle haken op de schoen, sluit het klittenband, je zet je bril op, de helm eroverheen. Je doet je handschoenen aan, van die dikke, zet ze om je stokken, je handen zitten vast in de lussen en je klikt je schoenen in de ski’s. Daarna kijk je op. Voor je doemt de berg op: puntig en wit, afstekend tegen een ijsblauwe lucht. 

                           *

Je hoort het gezoef van de lift: stoeltjes die open- en neergeklapt worden, stokken die tegen elkaar aan slaan. Bij de lift staat een man die meestal norsig kijkt: grote zonnebril, diep gebruind, van dat schoensmeerbruin dat er nooit meer afgaat – een huid van gelooid leer – een gebreide trui met beige wintermotiefjes, als de trui die mijn oma ooit voor mij breide. Je hoort het zachte zoeven van ski’s op sneeuw naast je, de mensen die van de berg afkomen. Ze skiën je voorbij. 

                           *

Je recht de rug. En met een klein zetje van de stokken glijd je naar de ingang van de lift. Hopen dat het poortje open gaat; de skipas zit in de rechterbroekzak, meestal begrijpt het poortje dat. En ja, met een lichte duw van je heup tegen de ijzeren staaf kan je verder, het pad af, naar de vlonderstreep waar je je ski’s tegenaanzet voor het stoeltje tegen je billen klapt. 

                              *

Zo droom ik even door. De realiteit is dat ik een half uur later dik ingepakt naar het kleine fitness-zaaltje fiets verderop in het dorp. Ik heb het niet koud, maar mijn adem maakt wolkjes. De lucht is ijsblauw. We fietsen langs de psychiatrische instelling. Voor een van de huizen staat een groepje mannen te wachten. 

‘Daklozen zijn het’, vertelt mijn man, ‘zij worden ‘s avonds gebracht en ‘s ochtends weer opgehaald met een busje.’ We fietsen langs een man met krukken, holle ogen en een baard van twee dagen. 

                         *

Daarvoor staat een groepje van drie. Een van hen met een tas zoals vroeger mijn wiskundeleraar om de schouder droeg, zo’n beige, rechthoekige schoudertas. ‘Dat is de begeleider’, zegt mijn man. En ik moet denken aan de scène uit ‘One flew over the cuckoo’s nest’. De prachtige film, vol humor en verdriet, met een weergaloze Jack Nicholson die met zijn sardonische lachje de boel op stelten zet in de psychiatrische inrichting uit de jaren ’50. Hij neemt zijn mede-patiënten op een dag mee in de bus, die hij wegkaapt voor een boottochtje op zee. Daar staat hij, Jack, op het dek van het gejatte jacht met zijn mede-patiënten. ‘Who are you?’, vraagt een achterdochtige jachthavenbeheerder.

‘Professor Dr. Matthews’, antwoordt Jack en en hij stelt de anderen voor met klinkende doctor-titels en dubbele namen. Ze buigen of knikken minzaam. 

                         *

Wie is de gek?

                         *

We fietsen door en ik zie de man op krukken voor me. Zodirect strompelt hij door de straten van Haarlem, Amsterdam, Hillegom…Vanavond wordt hij weer opgehaald en kan hij warm eten en slapen. 

                         *

Het is winter en even ijzig koud. 

                        ***

Advertisements

Leave a Reply

Please log in using one of these methods to post your comment:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s