De stad

  
 
Het Spaarne

Het Spaarne stroomt,

het Spaarne stroomt,

het Spaarne stroomt voorbij.

                            *

Voorbij de stad waar niets meer wordt geladen,

er liggen voor de waag geen schepen meer.

Ze varen door want de bolders en de kaden

hebben plaatsgemaakt voor het verkeer.

                              *

En het Spaarne stroomt…

Zoals het steeds voorbij zal blijven stromen.

Het water gaat, wat blijft is de rivier.

En wat er ook voor andere tijden komen,

hij stroomt voorbij en blijft toch altijd hier.

                                 *

Het Spaarne stroomt…

Het Spaarne stroomt…

Voorbij de brug, voorbij de laatste huizen,

voorbij de werven en het stoomgemaal.

                              *

Het Spaarne stroomt, maar niet voorbij de sluizen,

het eindigt naamloos in een zijkanaal.
                          ***

Lennaert Nijgh (1945-2002)

Drie kussens steken boven de tuinbank uit. Ze staan fier rechtop en absorberen de zonnestralen met hun diepzwarte kleur. De poes kruipt op het kussen dat op de bank ligt. Hij krult zich op en zijn ogen gaan dicht. Het leven is verrukkuluk.
                         *

Vanochtend op de fiets was het snoeikoud: de aan mijzelf cadeau gegeven peperdure handschoenen hielden de snijdende wind niet helemaal tegen en mijn vingertopjes werden koud onder het zwarte bont dat zo haar best deed.

                         *

De tocht ging naar mijn geboortestad, Haarlem. In de veronderstelling dat ik daar ooit weer wil wonen fietsten we naar een appartement, gecreëerd in een voormalig RK-ziekenhuis. Het ziekenhuis waarin ons oudste kind geboren is, waar we een kaarsje in de kapel opstaken om de weeën te bespoedigen en waar een gezond, piepklein meisje werd geboren met een rood, rimpelig huidje en blond haar. 

Het kaarsje had niet zo goed geholpen maar de weeën- opwekkende middelen die langzaam uit de infuuszak door een doorzichtige slang mijn hand in druppelden deden hun werk. 

                           *

Met wangen, rood en ruwig door 12 kilometer noordenwind, komen we aan bij het nieuwbouwcomplex. Strak aaneengesloten staan de hoge en lage gebouwen tussen gifgroene gazons aan rechte straatjes haaks op elkaar. In de verte schittert het water van het Spaarne, het veroorzaakt goud-glinsterende vlekjes in onze ogen. We zetten onze fietsen in de stevige fietsenklemmen, in ieder straatje staat een rij klemmen, stil en recht als solide soldaten in het gelid.

                            *

Aan onze rechterhand zien we in onze ooghoeken het bordje ‘Open huis.’ Maar we zijn te vroeg. ‘Zullen we een rondje lopen?’, vraag ik en we lopen een rondje.

Aan het water ligt een mooie kade: de rivier glimt en glanst en stroomt langzaam langs de kademuren. Je ziet de stroom niet, maar je weet: er moet een stroming zijn, het is een rivier en rivieren stromen.

                           *

Het appartement hebben we gauw gezien: mooi, maar te klein en geen buitenruimte. ‘Leuk voor een persoon’, zegt mijn man. En ik ben het met hem eens. ‘Wel een persoon die €289.000,- kan betalen en dan heb je nog niet eens een garage erbij. Een garage kost €25.000,- extra’, zeg ik.

‘Zullen we nog even doorfietsen naar de stad?’, en dat doen we. 

                             *

Het is vroeg en de stad is stil. De fietsenstalling oogt leeg, is net open: vanaf 11.00 uur geopend staat met wit krijt geschreven op een bord. Van een 2 is een 1 gemaakt. Ooit was de stalling dus pas om 12.00 uur open. 

                             *

De stad is mooi, de zon schijnt en de wind lijkt hier minder guur. We eten een broodje, drinken koffie, bladeren in boeken en bekijken etalages. Bij de ecologische supermarkt kopen we frietaardappelen – de lekkerste – verse basilicum, tomaat en een bolletje Mozzarella. ‘Ik neem nog een pak mosselen mee en wat coquilles’, zeg ik tegen mijn man. Maar hij is op zoek naar het brood. Vanavond komt het rooiige baby’tje van weleer eten. 

                              *

We eten mosselen met frites en een knapperig stokbrood. ‘Even een kwartiertje op 200 graden in de oven, daarna een kwartier laten afkoelen. Dan heb je het knapperigste brood dat je ooit hebt gegeten’, zegt de aardige man in het Spaanse delicatessen-winkeltje.

‘Doet u ook maar een ons Spaanse ham, welke kan u ons aanbevelen?’ De man straalt en wijst ons op drie hammen. We kiezen de ‘hartige, pikante.’ 

                              *

Als we thuiskomen na weer een gure tocht zit ons jongste kind op de bank buiten in de zon. We pakken de boodschappen uit, het eten, de verse krant. Even later zit ik op de bank in de zon. Het is warm en stil. Naast mij krult de poes zich op en sluit zijn ogen.

                             *

Ooit gaan we in de stad wonen. Ooit.

                             ***

Advertisements

Leave a Reply

Please log in using one of these methods to post your comment:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s