Room

  
Een jongetje woont in Kamer. Hij slaapt in Bed en soms, als old Nick komt, slaapt hij in Kast. Het jongetje heet Jack en hij krijgt voor zijn vijfde verjaardag een zelfgemaakte taart. Een ‘5’ staat in het glazuur geschreven. 

                       *

‘Waarom staan er geen kaarsjes op de taart?’ vraagt Jack. 

‘Ik heb geen kaarsjes’, antwoordt zijn moeder.

‘Je had kaarsjes moeten vragen in plaats van een spijkerbroek!’, houdt Jack aan. Hij kijkt met grote ogen naar zijn moeder. Zij ziet er moe uit. Wallen onder haar ogen. Wit. Pukkeltjes op haar huid. 

‘Jack, je had een nieuwe broek nodig. Volgend jaar krijg je kaarsjes.’ 

‘IK WIL NU KAARSJES!’, schreeuwt Jack. 

                        *

De camera draait weg. De kamer is klein: een bed, een bad, een tafel met twee stoelen en een kast. Door een klein dakraam valt daglicht naar binnen. Moeder en zoon zitten opgesloten in Room. En alleen old Nick kent de code.

                       *

Het is stil in de bioscoop. We zitten allemaal in Room. Soms liggen we in Wardrobe. We kijken door de spleten van Wardrobe naar old Nick en luisteren naar zijn stem, de geluiden die hij maakt. We knutselen een slang van lege eierdoppen, we kijken t.v. En ons overvalt dezelfde moedeloosheid als die we zien in de ogen van Jacks moeder. Ogen als knikkers die te lang in de knikkerzak tegen elkaar aan schudden en butsten.

                       *

Ruim twee uur leven wij mee met Jack en zijn moeder. Overdonderd lopen we de filmzaal uit. Meegesleurd door de liefde tussen moeder en zoon, weergaloos acteerwerk en een uitzonderlijke cameravoering. 

                         *

Het is Goede Vrijdag. Over twee dagen is het Pasen. In de stad waar veel mensen zijn wandelt de afgelopen week als een schaduw achter ons aan. 

                         *

De week die ervoor zorgt dat mijn dochter en ik in de bioscoop praten over de kans dat hier iets gebeurt. De week die je in de filmzaal even doet zoeken naar de nooduitgang. Het besef dat we wel heel erg op de achterste rij zitten en er geen andere mogelijkheid is dan – als zich iets voordoet – diep weg te duiken achter de stoelen voor ons. 

                         *

De week die tot gevolg had dat tijdens het tentamen Bestuursrecht – voor zoveel studenten dat de universiteit een zaal huurde in de RAI – gezegd werd dat iedereen rustig moest blijven zitten terwijl politieagenten met honden de tafeltjes langsliepen en de honden alle tassen lieten besnuffelen. ‘Ach, mam, als er echt iets was hadden ze ons wel weg laten gaan.’ 

                         *

De week die tot gevolg heeft dat een Maastrichts ouderpaar de paasdagen doorbrengt in de wetenschap dat hun zoon en dochter – twintigers – dood zijn, een dertienjarig meisje nooit haar moeder terugziet en een peutertweeling alleen met hun vader eieren zoekt in de tuin. 

                        *

We leven net als Jack en zijn moeder in Room. Er zijn old Nicks maar ook is er Liefde. Vrolijke onbezorgdheid in de stad voor een paasweekend. Eten in een nieuw restaurant met een gekke naam. Een verjaardag: ‘Mam, ik kocht zoiets schattigs voor Lin: ik kan het bijna niet weggeven, zo leuk is het.’ 

                         *

Deze week overleed Johan Cruijff. De verlosser. Als er iemand is naar wie we willen luisteren is hij het:

‘Als je niet ken winnen, moet je zorgen dat je niet verliest.’ 

En zo is het.

                      ***

Advertisements

Doolhof

  
Mijn vader bezocht laatst zijn nicht Toetie in Zoetermeer. Daar ging wel wat aan vooraf. 

‘Gisteren reed ik naar Haarlem, je weet wel, naar de toko, voor wat lekkers. Maar ach, ik was het weer vergeten, maandag is de toko dicht. Wel jammer want morgen ga ik naar Toetie in Zoetermeer.’

‘Hoe gaat het met haar?’, vraag ik. Toetie is laatst hals over kop opgenomen in een verzorgingshuis vanwege dementie. 

                         *

‘Haar huis is verkocht’, zegt mijn vader, ‘Een mooi huis hoor. Groot!’

‘Dat is snel’, antwoord ik, ‘Maar hoe gaat het met haar in het verzorgingshuis? Weet je dat?’

‘Ze had een groot huis, dat was zo weg’, vervolgt mijn vader, ‘Dat gaat snel weer tegenwoordig. 

Het gaat goed met haar, geloof ik. Ze zit wel opgesloten.’ Mijn vader kijkt mij aan. ‘Dat is erg, maar ja, het is voor haar eigen veiligheid. Anders loopt ze weg.’

                         *

Ik ken nicht Toetie niet goed. Vroeger bezochten we wel eens de Indische familie en ik herinner mij vaag de vele achterneefjes en – nichtjes, allerlei kleurtjes door elkaar, van bruin naar mokka naar beige en ook waren er witte kinderen met blonde haren. Heerlijke luchtjes kwamen je bij de voordeur tegemoet: alle tantes namen ran-tangs mee – van die gestapelde pannetjes – met kerrie telor, Indische gehaktballetjes – frikedel – maiskoekjes en ook waren de overheerlijke kaasbolletjes van mijn oma er. De tantes heetten Toetie, Oetjie of Zus, de mannen hadden gewone namen als Henk en Paul. Ze noemden mijn vader Ad Addy, dat was grappig. Maar tante Toetie, ik herinner me haar niet meer.

                         *

‘Hoe ga je erheen?’, vraag ik aan mijn vader tegen beter weten in. 

‘Met de auto natuurlijk’, antwoordt mijn vader, ‘Het is heel gemakkelijk: de A 4 op en dan afslag 7. Je moet trouwens even wat voor mij doen.’ Ik word op slag chagrijnig. Mijn vader rijdt nog auto maar eigenlijk is het gevaarlijk. ‘Mam, ik houd mijn hart vast als we naar de Binnenweg gaan’, zei mijn dochter laatst. ‘Gelukkig rijdt hij langzaam maar we hebben al heel wat fietsers en voetgangers bijna omver gereden.’ En nu wil hij naar Zoetermeer. Met de auto. Naar een adres dat hij niet kent. Met een Tom Tom die hij niet begrijpt. Over de A 4. En dan gewoon afslag 7 nemen.

                         *

Mijn vader staat op en schuifelt naar de kast. Hij pakt de Tom Tom die hij laatst kocht.

‘Ik snap er niks van’, zegt hij. ‘Laatst heb ik het adres erin gezet, maar hoe blijft dat er nu in staan?’ 

Onwillig zet ik het apparaat aan. ‘Je zet het adres erin en dan onthoudt hij dat gewoon.’ 

‘Wacht even, wacht even’, zegt mijn vader, ‘Hoe deed je dat nou?’

Ik laat hem zien hoe ik het deed. 

‘Maar ik wil liever dat je met de Valys gaat. Dat is toch veel gemakkelijker? Je wordt opgehaald en gebracht. Ik vind het niet fijn dat je zelf naar Zoetermeer rijdt.’

Narrig antwoordt hij dat hij best zelf kan gaan. Dat hij heel goed de weg weet. Dat hij een kruk moet meenemen die zijn nicht van hem leende.

‘Een kruk?’, vraag ik.

‘Ja, een soort barkruk. Daar kon zij op zitten terwijl zij kookte. Ik wil die kruk terug.’

‘En die kruk staat bij haar?’

‘Ja, haar zoon zet die kruk bij haar neer en dan neem ik hem mee.’

                       *

Ik zucht. Wat ingewikkeld allemaal. Hoe gaat hij dat doen met een stok in een hand, zo moeilijk lopend?

Maar ik laat de kruk gaan en concentreer mij op het autorijden.

‘Toch wil ik liever niet dat je zelf rijdt. Het is veel te druk op de A 4. Zal ik een afspraak maken met de Valys?’

‘Het is helemaal niet druk’, zegt mijn vader. En ‘Nee, ik kan zelf wel een afspraak maken met de Valys.’ Maar ik zie aan hem dat hij dat helemaal niet van plan is.

                         *

‘s Avonds belt mijn dochter. Ik vertel haar over het autorijden van haar 94-jarige opa. ‘Mam, het is echt gevaarlijk’, zegt ze. ‘Laatst kreeg ik een arrest onder ogen en dat ging over een man die een dodelijk ongeluk had veroorzaakt. Deze man was niet oud maar ziek. Zijn familie wist dat autorijden gevaarlijk was maar ze hielden hem niet tegen. De man en de familie zijn zwaar gestraft.’ Mijn kind studeert rechten, daar heb je wat aan. ‘Mam, je moet het niet toestaan. Kan je broer niet helpen? Hij vindt het toch ook niks?’ En dat is een goed idee. Ik mail mijn broer. En hij meldt dat hij met mijn vader zal spreken. Ik voel me een klikspaan en tegelijkertijd baal ik ervan dat mijn vader niet naar mij luistert.

                         *

Donderdag bel ik mijn vader op. 

‘Hallo met mij. Hoe gaat het?’, vraag ik. 

‘Ja, goed hoor’, antwoordt hij. ‘Waarom bel je?’

‘Je zou toch naar Toetie gaan? Heb je nog hapjes gekocht? En hoe ging het met haar?’

‘O, ik ga morgen pas’, antwoordt mijn vader. En chagrijnig vervolgt hij: ‘Ik ga met die Valys. Weet je wel dat ze niks meenemen? Die kruk nemen ze niet mee.’ 

Opgelucht antwoord ik: ‘Ach je probeert het gewoon. En als ze het echt niet willen dan haal ik die kruk wel op.’ En gelijk denk ik dat ik daar helemaal geen zin in heb. Maar dat zien we later wel. Ik ben allang blij dat hij niet zelf rijdt.

                         *

Zondag informeer ik naar het bezoek aan nicht Toetie.

‘Die man van die Valys reed waardeloos. Hij reed helemaal verkeerd!’, beweert mijn vader. ‘Hij nam niet de A 4, maar reed kriskras door allerlei weilanden.’

‘Nou, dat is toch leuk zo’n ritje door het groen?’, probeer ik.

‘Alles is kaal’, snauwt mijn vader, ‘Er is niks aan. Het was een omweg.’

Ik vraag naar nicht Toetie.

‘Ja, het gaat goed. Maar het is een doolhof daar, een doolhof! Drie liften moest ik nemen. En ik moest een code gebruiken. Dat moet want de bewoners mogen niet weg. Zij krijgen die code niet.’ 

‘Maar hoe ging het met haar, met Toetie?’

‘Goed hoor’, zegt mijn vader. ‘Maar zij vergeet alles. Haar kamer ligt naast de koffiekamer – een grote kamer heeft zij hoor! Erg mooi – maar zij vergeet dat dus. Ik heb het haar gewezen. Maar’, zegt hij mistroostig, ‘Dat weet ze nu niet meer.’

                       *

De hapjes gaf hij aan de verpleging. En de kruk? Ik vraag het hem. ‘Ja, die kruk. Die kon ik natuurlijk niet meenemen. Veel te zwaar, met in mijn ene hand de stok, ik kon die kruk niet tillen.’

Ik zucht. ‘Ik haal die kruk wel op.’

Hij ziet en hoort mijn tegenzin. 

‘Nee’, zegt hij, ‘Ik haal die binnenkort gewoon zelf even op. Met de auto.’

                       ***

Dood

  
Jasper is dood, de hond van Gerbrand Bakker. Gerbrand Bakker, schrijver van ‘Boven is het stil’, schrijft een wekelijkse column in Trouw. Vaak vertelt hij over zijn huis en tuin in de Duitse Eifel. Jasper rent daar rond, snuffelt aan struiken en hekjes en houdt voornamelijk Gerbrand gezelschap.

                         *

En nu is Jasper dood. De hond was uit logeren en toen Gerbrand hem ophaalde was hij zo blij dat hij zijn baas begroette ‘uitzinnig van vreugde, met gejank en gepiep, rare sprongen, waardoor hij zijn kop stootte, want hij was al sinds twee weken blind.’

                         *

Elke avond zei Gerbrand tegen Jasper ‘Lekker maffen’ en daarna ‘Welterusten jongen.’ 

                         *

Bij ons wonen twee poezen. Broer en zus, Moos en Saar. Hun namen kloppen niet met hun verschijning. Het zijn Siberische boskatten, Saar gedistingeerd als een dame uit Amsterdam-Zuid met haar pink omhoog aan de thee in een sjieke tent in de van Baerle-straat. Moos, een witte tijger met de kop van het meest fotogenieke mannelijke model uit de catalogus van ‘Cat-models.’ 

                         *

Hun namen, geschreven in van die kroontjespenletters op de officiële stamboom-formulieren luiden Bijoux en Balthasar. Hun doopnamen passen beter bij hun voorname voorkomen, maar we zagen en vooral hoorden het niet voor ons, ‘s avonds roepend: ‘Bijoux, Balthasar!’ En dan maar rammelen met de rood-blikken pot met droge brokjes. 

                        *

Dus werd het Saar en Moos. Op een gewone dag, werkend aan de eettafel, laat ik ze naar binnen en naar buiten. Voortdurend sta ik op als Saar krabbelt aan de glazen schuifpui, Moos je mistroostig aankijkt. Als ze naar buiten willen miauwen ze beiden luid en zetten ze hun klauwen in het kleed dat bij de achterdeur precies in de rechthoek, uitgesneden in de houten vloer, past. Het ruwe kleed is in de loop der tijd nog ruwer geworden door het getrek van de nagels aan de krullerige structuur. 

                          *

‘s Avonds zitten ze bij ons op de bank. Wie het eerst komt zit het lekkerst. Meestal wint Moos de wedstrijd. Languit ligt hij te spinnen en laat hij met zich sollen, want vaak moet hij zijn comfortabele lighouding wijzigen met drie personen op de bank. Het maakt hem niet uit. Hij krimpt in, schuift op, maar blijft liggen, naast of op de lichamen met warme handen die hem aaien. 

                        *

Saar ligt elders. Zij wil niet naast haar dominante broer liggen. Meestal ligt zij op het nep-bontje dat ik ooit kocht bij de Action. Een groezelig bontje op de Barcelona-voetenbank. Verprutst design.

                        *

Soms ligt Saar eerder op de bank dan Moos. Gisteravond was dat het geval. Moos nam beledigd plaats op de Barcelona-stoel. Hard leer in plaats van een zachte bank en warme handen. 

                         *

Als we gaan slapen vraag ik: ‘Kom, ga je mee?’ Braaf lopen ze mee. Saar op het bontje, Moos in zijn mandje waar hij half uit valt omdat het mandje te klein is voor zijn grote lijf. Als ik de kamerdeur dichttrek zeg ik: ‘Slaap lekker, tot morgen.’ Dan kijken ze mij aan en verbeeld ik mij dat ze hun ogen toeknijpen.

                        *

En nu is Jasper dood. Gerbrand Bakker gaat slapen zonder ‘Lekker maffen’ en ‘Welterusten, jongen.’ 
Ik moet er niet aan denken.

                       ***

Het winkelwagentje

  
De telefoon gaat maar drie keer over. ‘Hallo, met mij’, zeg ik.

‘He, hallo!’, zegt mijn vader verrast, ‘Ben je al weer terug?’

‘Ja, we zijn gisteravond thuisgekomen’, antwoord ik. ‘En het ging allemaal goed.’

‘Nou, gelukkig maar’, zegt mijn vader. En hij vervolgt: ‘Er is hier zo veel gebeurd!’

‘O ja?’, vraag ik nieuwsgierig. Ik denk aan al zijn oude vrienden en kennissen, misschien is er iemand overleden. Is hij zelf ziek geweest? 

                          *

‘Ja’, zegt mijn vader, ‘Ik had een nieuwe lamp gekocht, je weet wel, zo’n leeslamp. Die andere is stuk.’ 

Dat weet ik: de kapotte leeslamp stond wekenlang midden in de kamer want ‘Ik ga hem repareren’, aldus de 94-jarige. 

‘Repareren? Kan je niet gewoon een nieuwe lamp kopen?’, vroeg ik. ‘Zoveel kost dat toch niet, een nieuwe lamp?’ Maar nee, de lamp moest en zou gemaakt worden. 

‘Zonde toch, zo’n goede lamp. Ik heb het zo gemaakt.’ Wekenlang stond de lamp in de weg en iedere week zat er iets anders los: een draad, een opengewrikte buis, een uiteengevallen voet. En nu had hij toch maar eieren voor zijn geld gekozen en een nieuwe lamp besteld.

                          *

‘Hoe was de vakantie? Leuk?’, vraagt hij. En ik vertel dat het leuk was. 

                          *

‘En ook nog wat anders: dinsdag voelde ik me zo goed. Ik dacht: ”Ik ga weer eens alleen boodschappen doen.” Maar er was geen plek bij de Dekamarkt, dus ik moest de auto verderop zetten. En ik had heel veel gehaald. Drie tassen vol. Dat viel tegen, die zware tassen. Dus ik dacht ”ik rijd met het karretje naar de auto”. Maar dat was lastig, zeg. Het karretje reed telkens het trottoir af. Toen moest ik de kar ook weer terugbrengen. Ik was kapot. Lens was ik.’ Ik onderbreek de monoloog niet. Ik onthoud mij van commentaar. Iedere week komt thuishulp Maro op donderdag schoonmaken en doet zij de boodschappen. Waarom doet hij dat nu toch zelf? 

‘Ik dacht, ik doe het gewoon een keer zelf dan hoeft Maro het niet te doen.’

                           *

En ik begrijp het. Zo gemakkelijk is het niet. Aanvaarden dat steeds minder kan. Je wereld klein wordt. Je niet meer dan een tasje boodschappen kan tillen. Niet lang kan zitten. Niet lang kan staan, lopen, autorijden.

                             *

‘Ik kom morgen langs, dan kan je zien hoe bruin ik geworden ben’, zeg ik.

‘Ja leuk, ik zie je morgen!’ 

                           *

Als ik de telefoon neerleg denk ik aan de werelden van verschil. De wereld van boodschappen doen bij de Dekamarkt en een kapotte lamp. Tegenover de wereld van reizen, werken, sporten. En dan de derde wereld van nog jonger zijn: ‘Mam, waar bleef je nou, ik sta al zo lang te wachten! Je skiet echt sloom.’ 

                           *

De volgende dag bezoek ik mijn vader, hij zit in zijn stoel bij het raam.

‘Je ziet helemaal niet zo bruin’, zegt mijn vader. ‘Maar ik ben blij dat je terug bent. Het was zo stil.’

En ik ga zitten. Op de beige, hoge bank. Het geschilde appeltje staat voor mij op tafel. We zijn weer thuis.

                         ***

Emotiewerk

  Trouw, woensdag 9 maart 2016

Op het bankje in de zon zitten twee dames van de Trouw-lezersgroep. Ze genieten. Hun ogen zijn dicht. Als het poezen waren konden we ze horen spinnen. De groep zeventigers die samen met ons en een ander stel in dit berghotel verblijven dankt hun naam aan het feit dat ze dagblad Trouw lezen. Daar praten ze over. Een van de heren bekende laatst bij het diner soms een uitstapje naar de Volkskrant te maken: ‘Maar dat is een flink linkse krant’, meende het soms on-Trouwe heertje. 
                         *

De Trouw-groep bestaat uit vijf mannen en zes vrouwen. De mannen skiën, de vrouwen wandelen en zitten op het bankje naast het hotel in de zon. Ze drinken koffie, lezen wat en ‘s ochtends aan het ontbijt wordt druk overlegd wie wat doet en wie wanneer wie wegbrengt met de auto naar de gondel, het wandel-startpunt, het dorp verderop.

                         *

‘Kan jij ons zo rijden?’, vraagt een heer uit de groep aan een forse dame. ‘Dan rijden we vandaag met drie auto’s.’

De forse dame antwoordt ferm: ‘ik zeg het maar eerlijk, ik vind het eng om te rijden, vooral die laatste bocht. Ja, ik zeg het maar eerlijk’, herhaalt ze. Het wordt even stil. Maar iedereen begrijpt het en al rap vindt de groep een oplossing voor het rijprobleem. De heren stappen op om zich klaar te maken voor de ski-tocht, de dames drinken nog een kopje koffie.

‘Wat een heerlijke koffie, he?’, zegt de dame aan het hoofd van de tafel. Wij hebben ontdekt dat zij de vrouw is zonder man. De anderen beamen dat de koffie heerlijk is.

                           *

Ik neem ook nog maar een slok van de inderdaad heerlijke koffie en ik vraag mij af of ik nog een gekookt eitje zal pakken. Of een bakje joghurt met muesli en een gepeld mandarijntje. Die zijn ook lekker, de mandarijntjes.

                         *

Ik kijk naar de forse dame die het rijden hier in de bergen eng vindt en he, zie ik het goed? De dame huilt. Dikke tranen glijden over haar bolle wangen naar beneden. Ze trekt haar schouders onder de wollen poncho onhoog. De dame naast haar vraagt: ‘Wat is er Jenneke?’ Jenneke! Dat is een passende naam voor de poncho-dame. Jenneke snikt’ ‘Ik vind het zo vervelend dat ik alles in de war schop omdat ik niet durf te rijden. Ik voel me zo schuldig.’ 

                         *

Nou breekt mijn klomp. Het kwam er juist zo ferm uit: ‘Ik zeg het maar eerlijk, ik durf hier niet te rijden.’ Zo duidelijk en kordaat. En nu wordt alles teniet gedaan door tranen en schuldgevoel. 

‘Dat is toch helemaal niet erg?’, troost de dame naast haar en ze slaat een arm om haar snikkende buurvrouw heen. ‘Het is toch allemaal opgelost?’

‘Jaha’, hikt de vrouw, ‘maar toch voel ik me er heel rot over.’ 

                         *

Ik ga toch maar voor een eitje. Ik loop naar de grote buffetkast waar twee mandjes op staan met eieren: ‘oeufs durs’ staat op het bordje bij het rechter-mandje. Ik kies een ei uit het linkermandje. Daarin liggen de zachte eitjes, de ‘oeufs mollets.’ 

                         *

Ik knipoog naar mijn zoon, die een hap neemt van zijn tweede croissantje. We genieten nog even na van het ontbijt, kijken naar het dikke pak sneeuw buiten en we zien door onze oogharen de felle zon die de bergtoppen als witte piramides doet schitteren.

                         *

De vrouwen zijn klaar met de koffie, het brood en de eitjes. Ze stappen op. Even later zien we ze in ganzenpas voorbij het raam lopen met in hun handen de onvermijdelijke nordic-walking-wandelstokken. 

                         *

En het is waar. Het stond ‘s ochtends in de krant, in Trouw. Vrouwen zijn emotiewerkers. Tijd-en energievretende emoties die nergens toe dienen verpesten een deel van de vrije tijd van vrouwen. De Trouw-mannen skiën lekker al een uurtje zorgeloos rond in het hagelwitte landschap. Niks geen last van tranen en schuldgevoelens. 

                        *

‘Snap je dat nou?’, vraagt mijn zoon. ‘Wat een onzin dat je huilt omdat je niet wil rijden.’ 

Nee, ik snap dat niet. Nou ja, een beetje schuldgevoel is mij niet onbekend. Maar het is zo zinloos. ‘Kom joh, we gaan lekker skiën!’, zeg ik en ik hijs mijn verstijfde lichaam uit de stoel. Niet denkend aan het werk, de mail, de gemiste afspraken, mijn man die thuisbleef, mijn dochter die hem ongevraagd gezelschap houdt, de poezen, of zij genoeg geaaid worden en gekamd…Wat zullen ze eten, mijn man en dochter, vanavond? 

‘Kom je nou?’, vraagt mijn zoon. ‘Ja, ik kom’, mompel ik.  

                         *

En ik denk niks meer. Niks.  

                       ***

Sloom

  
Na een comateuze wintersport-slaap zie ik door de open streep tussen de gordijnen een strookje berg met besneeuwde dennen, daarboven een diepblauwe lucht. Kaiserwetter in Les portes du soleil. Het uitzicht dwingt tot handelen, dat is waar een wintersportvakantie sowieso uit bestaat: veel, heel veel handelingen. 

                         *

Ook afzien, – soms een beetje, soms wat meer, – is een ingrediënt. Dit keer bestaat het afzien uit een verrekte spier in het onderbeen, veroorzaakt door een buiteling op de eerste ski-dag in de poedersneeuw na een overmoedige aanzet tot een snelle afdaling. 

                         *

‘Gaat het?’, vraagt de zoon die lacht om zijn besuikerde moeder die hij nog nooit zag vallen maar die nu zelfs haar ski kwijtraakt en nog een keer onhandig wegglijdt op één ski en één schoen. ‘Ja hoor!’, roep ik blijmoedig en ik voel mij als het schoolkind dat ooit op haar knie viel, om zich heen keek of iemand de val had gezien en manmoedig opstond. ‘Niks aan de hand!’ En met een bebloede knie liep het kind verder, de pijn verbijtend tot thuis, tot na de dichtgeslagen voordeur.

                         *

En alles leek verder goed te gaan na de val op twee beknelde grote tenen na, maar de lieve man in de sportwinkel had onze voeten opgemeten en daar was toch echt deze maat schoen uitgekomen. Doorzetten maar.
                           *

‘s Avonds blijkt de schade een manke tred vanwege de verrekte spier en twee blauw-kleurende grote-teennagels. ‘Mijn schoenen zijn te klein’, mopper ik en mijn zoon trekt zijn wenkbrauwen op. ‘Altijd wat’, zeggen de wenkbrauwen en ik houd op met zeuren. De wintersport-coma slaat toe en ondanks de verrekte spier en blauwe tenen slaap ik diep en droom ik mooie dromen. 

                         *

Ik ga over tot handelen, de dag is te mooi. Ik strompel naar de badkamer en weer terug naar de kledingkast voor het aantrekken van alle laagjes: hemd, shirt, trui, skisokken en de skibroek. Ik pak de rugzak in: zonnebrand, handschoenen, water, een skibril en een boek want met die tenen en de onwillige spier…wellicht is even lezen op een terras vandaag zo gek nog niet.

                          *

In het wonderschone ski-gebied van Pré la joux is het mooi maar koud: we rillen in de stoeltjeslift ondanks al onze laagjes. Het vriest en een snijdende wind waait door al onze hemdjes en shirtjes heen. We zitten doodstil in de zwevende stoeltjes. Van de reuzendennen waait een mist van sneeuw het dal in. Een mager zonnetje probeert de wolken te verdrijven en ik moedig haar aan. Met zon zal de bittere kou beter te verdragen zijn. 

                         *

Nu is het van belang warm te worden door vlot naar beneden te skiën en dat doen we. Iets voorzichtiger door de val, de onwillige spier en de blauwe tenen ski ik naar beneden. Zo nu en dan sta ik stil. Dan staar ik naar de dennen met de dikke lagen sneeuw. De zon die nu echt doorkomt en het oudere echtpaar dat rustig voorbij skiet. Hij wacht halverwege de berg op zijn vrouw, ik zie het. Dan skiën ze samen verder. Lief.

                         *

De fel-oranje broek van mijn kind is uit het zicht. Ik moet gaan. En rustig ski ik naar beneden. ‘Mam, wat ski je sloom. Ik wacht hier al heel lang.’ Ik kijk hem aan. Slungel van 18. Zijn ogen staan helder in zijn nog wat bleke gezicht. Hij geniet van het skiën, het buiten zijn. Thuis ligt hij veel en graag op bed. Hier is hij actief en fanatiek. Thuis is hij langzaam en…eh sloom. Maar dat zeg ik niet. Dat denk ik.

                        *

‘Ik ga zo even op een terras zitten lezen’, zeg ik. ‘Dan ga je even alleen skiën in je eigen tempo.’ Op het terras zit ik met mijn boek uit de wind in de winterzon. Ik lees. En ik kijk. Op het hek landt een vogeltje. Een kwiek geval, het hipt heen en weer, net naast de sneeuwlaag op het hek. Ja, ik word sloom met skiën. Langzamer. Meer spierpijn. Blauwe tenen. 35 jaar verschil, het is niet te ontkennen, het lijf wordt ouder. Ik denk aan mijn vader. Een jonge geest in een 94-jarig lichaam. Hij wil veel en doet veel. Ik wil ook veel en doe veel. Maar toch.., het wordt anders. Minder. Niet minder goed, maar anders goed. Een ouder echtpaar op ski’s. Een vogeltje op een besneeuwd hek. Zon op de reuzendennen. 
                         *

Sloom. Het is even wennen.
                        ***

Poya

     
Het sneeuwt en sneeuwt. Vlokken als plukjes wattenbol, die langzaam naar beneden worden gegooid, kleuren het dorp wit. Halverwege de berg kringelt een cirkel van mist om fiere dennetjes. 

                            *

We inhaleren de scherpe, droge lucht, onze schoenen worden nat, sokken zompig van het lopen door zacht-gelopen kleddersneeuw.

                          *

Mijn kind drinkt La Chouffe. Ik een rode huiswijn. We laten het ons welgevallen, dit vriendelijke hotel, de aardige bediening – ‘ik heet Hidde’ -het eten van Raf de kok die goochelt met groenten, structuren en smaken. 

‘Kijk mam, zie je, ze hebben hier weer die lekkere olie.’ En ja, de olie met rozemarijn waar we het boerenbrood in dippen, uiensoep met vetoogjes en drie krokante bolletjes met daarin druipende Savoie-kaas. 

                           *

‘Welke pas willen jullie?’, vraagt de vriendelijke hoteleigenaar. ‘Ik adviseer de pas van het hele gebied, dan kan je een beetje uitmikken waar het mooi weer is.’ 

En dat doen we. 

‘Morgenochtend liggen de passen bij het ontbijt klaar’, zegt de man en hij staat langzaam op, komt omhoog uit zijn gebogen houding. 

                             *

Hij loopt naar het tafeltje naast ons. Achter het hoofd van mijn zoon zie ik door het grote raam de vlokjes wild dwarrelen in het buitenlicht. Sneeuw ligt als een dikke laag witte chocopasta op de leuning van de buitentrap.

‘Eigenlijk zouden we nog een wandelingetje moeten maken’, opper ik. Maar ik denk intussen aan mijn natte voeten van vanmiddag. In van die nat-benauwde sokken die je kent van vroeger toen je sokken op kamp zo viezig doorweekt raakten in je kaplaarzen. 

                             *

Ik krijg geen antwoord en het is goed. We verlangen naar het bed met de donzige dekbedden en het strakgetrokken overtrek. In het boekje van het hotel lees ik dat het beddengoed historische waarde heeft: ‘Je ziet hierop de klassieke ‘Poya’ afgebeeld, ofwel de jaarlijkse trek van de koeien naar de hoger gelegen alpenweiden.’ 

                             *

En dat is mooi. Poya. De jaarlijkse trek naar hoge alpenweiden. 

                          *

We zijn er. In de Haute Savoie. Waar het sneeuwt en sneeuwt. 

                         ***