Het winkelwagentje

  
De telefoon gaat maar drie keer over. ‘Hallo, met mij’, zeg ik.

‘He, hallo!’, zegt mijn vader verrast, ‘Ben je al weer terug?’

‘Ja, we zijn gisteravond thuisgekomen’, antwoord ik. ‘En het ging allemaal goed.’

‘Nou, gelukkig maar’, zegt mijn vader. En hij vervolgt: ‘Er is hier zo veel gebeurd!’

‘O ja?’, vraag ik nieuwsgierig. Ik denk aan al zijn oude vrienden en kennissen, misschien is er iemand overleden. Is hij zelf ziek geweest? 

                          *

‘Ja’, zegt mijn vader, ‘Ik had een nieuwe lamp gekocht, je weet wel, zo’n leeslamp. Die andere is stuk.’ 

Dat weet ik: de kapotte leeslamp stond wekenlang midden in de kamer want ‘Ik ga hem repareren’, aldus de 94-jarige. 

‘Repareren? Kan je niet gewoon een nieuwe lamp kopen?’, vroeg ik. ‘Zoveel kost dat toch niet, een nieuwe lamp?’ Maar nee, de lamp moest en zou gemaakt worden. 

‘Zonde toch, zo’n goede lamp. Ik heb het zo gemaakt.’ Wekenlang stond de lamp in de weg en iedere week zat er iets anders los: een draad, een opengewrikte buis, een uiteengevallen voet. En nu had hij toch maar eieren voor zijn geld gekozen en een nieuwe lamp besteld.

                          *

‘Hoe was de vakantie? Leuk?’, vraagt hij. En ik vertel dat het leuk was. 

                          *

‘En ook nog wat anders: dinsdag voelde ik me zo goed. Ik dacht: ”Ik ga weer eens alleen boodschappen doen.” Maar er was geen plek bij de Dekamarkt, dus ik moest de auto verderop zetten. En ik had heel veel gehaald. Drie tassen vol. Dat viel tegen, die zware tassen. Dus ik dacht ”ik rijd met het karretje naar de auto”. Maar dat was lastig, zeg. Het karretje reed telkens het trottoir af. Toen moest ik de kar ook weer terugbrengen. Ik was kapot. Lens was ik.’ Ik onderbreek de monoloog niet. Ik onthoud mij van commentaar. Iedere week komt thuishulp Maro op donderdag schoonmaken en doet zij de boodschappen. Waarom doet hij dat nu toch zelf? 

‘Ik dacht, ik doe het gewoon een keer zelf dan hoeft Maro het niet te doen.’

                           *

En ik begrijp het. Zo gemakkelijk is het niet. Aanvaarden dat steeds minder kan. Je wereld klein wordt. Je niet meer dan een tasje boodschappen kan tillen. Niet lang kan zitten. Niet lang kan staan, lopen, autorijden.

                             *

‘Ik kom morgen langs, dan kan je zien hoe bruin ik geworden ben’, zeg ik.

‘Ja leuk, ik zie je morgen!’ 

                           *

Als ik de telefoon neerleg denk ik aan de werelden van verschil. De wereld van boodschappen doen bij de Dekamarkt en een kapotte lamp. Tegenover de wereld van reizen, werken, sporten. En dan de derde wereld van nog jonger zijn: ‘Mam, waar bleef je nou, ik sta al zo lang te wachten! Je skiet echt sloom.’ 

                           *

De volgende dag bezoek ik mijn vader, hij zit in zijn stoel bij het raam.

‘Je ziet helemaal niet zo bruin’, zegt mijn vader. ‘Maar ik ben blij dat je terug bent. Het was zo stil.’

En ik ga zitten. Op de beige, hoge bank. Het geschilde appeltje staat voor mij op tafel. We zijn weer thuis.

                         ***

Advertisements

Leave a Reply

Please log in using one of these methods to post your comment:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s