Doolhof

  
Mijn vader bezocht laatst zijn nicht Toetie in Zoetermeer. Daar ging wel wat aan vooraf. 

‘Gisteren reed ik naar Haarlem, je weet wel, naar de toko, voor wat lekkers. Maar ach, ik was het weer vergeten, maandag is de toko dicht. Wel jammer want morgen ga ik naar Toetie in Zoetermeer.’

‘Hoe gaat het met haar?’, vraag ik. Toetie is laatst hals over kop opgenomen in een verzorgingshuis vanwege dementie. 

                         *

‘Haar huis is verkocht’, zegt mijn vader, ‘Een mooi huis hoor. Groot!’

‘Dat is snel’, antwoord ik, ‘Maar hoe gaat het met haar in het verzorgingshuis? Weet je dat?’

‘Ze had een groot huis, dat was zo weg’, vervolgt mijn vader, ‘Dat gaat snel weer tegenwoordig. 

Het gaat goed met haar, geloof ik. Ze zit wel opgesloten.’ Mijn vader kijkt mij aan. ‘Dat is erg, maar ja, het is voor haar eigen veiligheid. Anders loopt ze weg.’

                         *

Ik ken nicht Toetie niet goed. Vroeger bezochten we wel eens de Indische familie en ik herinner mij vaag de vele achterneefjes en – nichtjes, allerlei kleurtjes door elkaar, van bruin naar mokka naar beige en ook waren er witte kinderen met blonde haren. Heerlijke luchtjes kwamen je bij de voordeur tegemoet: alle tantes namen ran-tangs mee – van die gestapelde pannetjes – met kerrie telor, Indische gehaktballetjes – frikedel – maiskoekjes en ook waren de overheerlijke kaasbolletjes van mijn oma er. De tantes heetten Toetie, Oetjie of Zus, de mannen hadden gewone namen als Henk en Paul. Ze noemden mijn vader Ad Addy, dat was grappig. Maar tante Toetie, ik herinner me haar niet meer.

                         *

‘Hoe ga je erheen?’, vraag ik aan mijn vader tegen beter weten in. 

‘Met de auto natuurlijk’, antwoordt mijn vader, ‘Het is heel gemakkelijk: de A 4 op en dan afslag 7. Je moet trouwens even wat voor mij doen.’ Ik word op slag chagrijnig. Mijn vader rijdt nog auto maar eigenlijk is het gevaarlijk. ‘Mam, ik houd mijn hart vast als we naar de Binnenweg gaan’, zei mijn dochter laatst. ‘Gelukkig rijdt hij langzaam maar we hebben al heel wat fietsers en voetgangers bijna omver gereden.’ En nu wil hij naar Zoetermeer. Met de auto. Naar een adres dat hij niet kent. Met een Tom Tom die hij niet begrijpt. Over de A 4. En dan gewoon afslag 7 nemen.

                         *

Mijn vader staat op en schuifelt naar de kast. Hij pakt de Tom Tom die hij laatst kocht.

‘Ik snap er niks van’, zegt hij. ‘Laatst heb ik het adres erin gezet, maar hoe blijft dat er nu in staan?’ 

Onwillig zet ik het apparaat aan. ‘Je zet het adres erin en dan onthoudt hij dat gewoon.’ 

‘Wacht even, wacht even’, zegt mijn vader, ‘Hoe deed je dat nou?’

Ik laat hem zien hoe ik het deed. 

‘Maar ik wil liever dat je met de Valys gaat. Dat is toch veel gemakkelijker? Je wordt opgehaald en gebracht. Ik vind het niet fijn dat je zelf naar Zoetermeer rijdt.’

Narrig antwoordt hij dat hij best zelf kan gaan. Dat hij heel goed de weg weet. Dat hij een kruk moet meenemen die zijn nicht van hem leende.

‘Een kruk?’, vraag ik.

‘Ja, een soort barkruk. Daar kon zij op zitten terwijl zij kookte. Ik wil die kruk terug.’

‘En die kruk staat bij haar?’

‘Ja, haar zoon zet die kruk bij haar neer en dan neem ik hem mee.’

                       *

Ik zucht. Wat ingewikkeld allemaal. Hoe gaat hij dat doen met een stok in een hand, zo moeilijk lopend?

Maar ik laat de kruk gaan en concentreer mij op het autorijden.

‘Toch wil ik liever niet dat je zelf rijdt. Het is veel te druk op de A 4. Zal ik een afspraak maken met de Valys?’

‘Het is helemaal niet druk’, zegt mijn vader. En ‘Nee, ik kan zelf wel een afspraak maken met de Valys.’ Maar ik zie aan hem dat hij dat helemaal niet van plan is.

                         *

‘s Avonds belt mijn dochter. Ik vertel haar over het autorijden van haar 94-jarige opa. ‘Mam, het is echt gevaarlijk’, zegt ze. ‘Laatst kreeg ik een arrest onder ogen en dat ging over een man die een dodelijk ongeluk had veroorzaakt. Deze man was niet oud maar ziek. Zijn familie wist dat autorijden gevaarlijk was maar ze hielden hem niet tegen. De man en de familie zijn zwaar gestraft.’ Mijn kind studeert rechten, daar heb je wat aan. ‘Mam, je moet het niet toestaan. Kan je broer niet helpen? Hij vindt het toch ook niks?’ En dat is een goed idee. Ik mail mijn broer. En hij meldt dat hij met mijn vader zal spreken. Ik voel me een klikspaan en tegelijkertijd baal ik ervan dat mijn vader niet naar mij luistert.

                         *

Donderdag bel ik mijn vader op. 

‘Hallo met mij. Hoe gaat het?’, vraag ik. 

‘Ja, goed hoor’, antwoordt hij. ‘Waarom bel je?’

‘Je zou toch naar Toetie gaan? Heb je nog hapjes gekocht? En hoe ging het met haar?’

‘O, ik ga morgen pas’, antwoordt mijn vader. En chagrijnig vervolgt hij: ‘Ik ga met die Valys. Weet je wel dat ze niks meenemen? Die kruk nemen ze niet mee.’ 

Opgelucht antwoord ik: ‘Ach je probeert het gewoon. En als ze het echt niet willen dan haal ik die kruk wel op.’ En gelijk denk ik dat ik daar helemaal geen zin in heb. Maar dat zien we later wel. Ik ben allang blij dat hij niet zelf rijdt.

                         *

Zondag informeer ik naar het bezoek aan nicht Toetie.

‘Die man van die Valys reed waardeloos. Hij reed helemaal verkeerd!’, beweert mijn vader. ‘Hij nam niet de A 4, maar reed kriskras door allerlei weilanden.’

‘Nou, dat is toch leuk zo’n ritje door het groen?’, probeer ik.

‘Alles is kaal’, snauwt mijn vader, ‘Er is niks aan. Het was een omweg.’

Ik vraag naar nicht Toetie.

‘Ja, het gaat goed. Maar het is een doolhof daar, een doolhof! Drie liften moest ik nemen. En ik moest een code gebruiken. Dat moet want de bewoners mogen niet weg. Zij krijgen die code niet.’ 

‘Maar hoe ging het met haar, met Toetie?’

‘Goed hoor’, zegt mijn vader. ‘Maar zij vergeet alles. Haar kamer ligt naast de koffiekamer – een grote kamer heeft zij hoor! Erg mooi – maar zij vergeet dat dus. Ik heb het haar gewezen. Maar’, zegt hij mistroostig, ‘Dat weet ze nu niet meer.’

                       *

De hapjes gaf hij aan de verpleging. En de kruk? Ik vraag het hem. ‘Ja, die kruk. Die kon ik natuurlijk niet meenemen. Veel te zwaar, met in mijn ene hand de stok, ik kon die kruk niet tillen.’

Ik zucht. ‘Ik haal die kruk wel op.’

Hij ziet en hoort mijn tegenzin. 

‘Nee’, zegt hij, ‘Ik haal die binnenkort gewoon zelf even op. Met de auto.’

                       ***

Advertisements

2 thoughts on “Doolhof

Leave a Reply

Please log in using one of these methods to post your comment:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s