Van de jongens die naar Parijs fietsten 

Het is dinsdag. Vaderdag. Morgen is het woensdag. Koningsdag. Ik ren tussen twee hagelbuien door naar de auto. Bij de visboer is het, in tegenstelling tot andere dinsdagen, druk. Een piepklein meisje – bruine, steile haren met een klein schuifspeldje – lacht naar mij. Op haar dunne beentjes wankelt ze naar me toe. Nog zo’n stralende lach. Ik lach terug.

                             *

Met de visjes in mijn hand stap ik weer in de auto. De hagelstenen zijn overgegaan in grote regendruppels waarvan er een achter mijn brillenglas belandt. Scheel kijkend door de druppel rijd ik naar Heemstede. Het is noodweer. Bij mijn vaders flat is een plek vrij naast de deur, een smalle plek maar het lukt mijn piepende auto – alle waarschuwingssystemen werken prima – tussen een sneue Kia en dito Hyundai in te zetten. Ik wurm me met de visjes uit de auto en ren de hal van de flat in. Ik vergat de sleutel van mijn vaders flat en ik glip het gebouw binnen terwijl een aardige dame naar buiten gaat. 

                            *

Boven, bij mijn vaders deur bel ik aan. ‘Anne, hallo!?’, hoor ik. 

‘Ik sta hier, pa!’, roep ik tegen de deur. ‘Ik ben al boven!’ Even staat mijn hart stil. Wat, als hij gevallen is en op de grond ligt, hulpeloos? Ik heb geen sleutel. Achter de deur klinkt geschuif en de deur gaat open. Mijn vader doet open. 

‘Ik hoor niet of je beneden staat of boven’, zegt hij met een verontschuldigend lachje. Hij was dus mijn naam aan het roepen in de intercom. 

‘Ik kon met iemand meeglippen’, zeg ik, ‘Dus ik stond al hier.’ Hij loopt, nee, schuift langzaam, wijdbeens en zonder stok naar de keuken. Ik leg de haringen op het aanrecht. De boterham ligt klaar. Uit de woonkamer klinkt het geluid van de televisie. Ik hoor de tune van het journaal, het is twaalf uur.

                          *

‘Ik heb al thee gezet’, zegt mijn vader terwijl hij minutieus de haring schoonmaakt en netjes op zijn geroosterde boterham legt. 

‘Ik schenk het zelf wel even in’, zeg ik. Ik pak het glas dat ook klaarstaat, haal het zakje uit de inmiddels zwart-getrokken thee en schenk in. Ik hoop dat het water gekookt heeft. Ooit zag ik mijn vader thee zetten met heet water uit de kraan. ‘Dat kan net zo goed’, beweerde hij, ‘Je proeft niet het verschil.’ Gruwelijk. 

                             *

Met mijn thee en het bordje met de boterham loop ik de kamer in. Ja, het journaal staat aan. Ik ga zitten, mijn vader komt langzaam aanlopen. Hij laat zich in zijn stoel zakken voor het raam en zegt dat het een heerlijke stoel is.

‘Je kan zo lekker je benen uitstrekken’, zegt hij en hij doet het voor. Zijn benen tilt hij een beetje op van de vloer. ‘Ja, het lijkt mij een heerlijke stoel’, zeg ik. 

                            *

We kijken naar het journaal. We zien de boot waarop morgen de koning met zijn gezin wordt vervoerd. 

‘Ze zullen het wel koud krijgen morgen’, zeg ik, ‘Op zo’n open boot.’

‘Ze kleden zich erop’, weet mijn vader. De weerman legt uit dat het pokkenweer wordt morgen. Net als vandaag. Langs de grote ramen van mijn vader waait een regengordijn van rechts naar links. Een fietser fietst moeizaam tegen de regen en wind in, hij heeft een zwarte poncho aan. De bomen met jong groen hellen over als riet in het open veld. 

‘Het lijkt wel herfst’, zeg ik.

‘Wat zeg je?’, vraagt mijn vader. 

‘Het lijkt wel herfst’, zeg ik wat harder. ‘Ja, zeg dat wel, het klimaat is in de war.’ Mijn vader schudt zijn hoofd. ‘Het is bijna mei en het is…’ Hij schuift naar voren in zijn stoel. Op de salontafel staat een apparaatje waarop hij de temperatuur afleest. ‘7 graden maar’, verzucht hij. 

                             *

Voor de tweede keer verschijnt op t.v. het item van de boot met de oranje kussens voor de koninklijke familie.

‘He, dat hebben we toch al gezien?’, vraagt mijn vader en hij zet de t.v. uit. 

                             *

‘Ik ga nog een paar dagen met Julia naar Parijs’, vertel ik. ‘Volgende week.’

‘O, leuk, wanneer ga je precies?”

‘5 mei’, zeg ik,’ Ik schrijf het wel even op.’ En in de lege agenda schrijf ik op de donderdag ‘Annelie en Julia naar Parijs.’ Op de zondag schrijf ik ‘Annelie en Julia terug.’

Opeens lichten mijn vaders ogen op. ‘Na de oorlog fietste ik met twee vrienden naar Parijs. Je weet wel was ook mee, eeeh, hij is net overleden…’ Ik kom ook zo gauw niet op de naam van de man die ik als klein kind wel eens zag. Een vrolijke man met een groot gebit. ‘Ted Forster’, zegt mijn vader. Ted overleed een week of drie geleden. Mijn vader ontving een rouwkaart. Op de voorkant stond een plaatje van de zee met een wegzeilend schip. Mijn vader zou naar de crematie gaan. Toen ik de volgende dag kwam zei hij: ‘Ik ben er niet naar toe gegaan. Ik ken er niemand.’ 

                              *

‘Wij fietsten via Nijmegen en Maastricht naar Parijs. Wij dachten dat doen we wel even, maar het was heuvelachtig in België!’… Mijn vader wijst met zijn hand de heuvels en dalen van de Ardennen aan. 

‘Als we naar beneden fietsten ging het hard! We hadden allemaal een petje op en door de harde wind woei mijn petje af. Zo in de hand van Ted die achter mij fietste!’ Mijn vader lacht bij dit beeld dat hij alleen ziet. ‘Hoe kan dat, he, dat je zo’n petje vangt!? Maar het gebeurde echt. 

We sliepen onderweg op het land bij een boer in een tentje dat te klein was. Onze voeten staken zo uit de tent.’ Weer gaan zijn benen naar voren. ‘ ‘s Ochtends werden we wakker doordat de koeien aan onze voeten likten.’ Mijn vader lacht weer.

‘Was dat vlak na de oorlog?’, vraag ik.

‘Ja, vlak na de oorlog. In Parijs logeerden we bij een neef van Ted.’ 

                            *

Als ik wegga zegt mijn vader: ‘ Goh, ik heb weer zo’n haartje voor mijn oog, ik kijk er gewoon scheel van.’

‘Ik knip het wel even bij’, zeg ik. Mijn vader bukt en pakt een schaar uit de la. Ik kijk naar zijn grijze, warrige wenkbrauwen. Ik knip heel voorzichtig een paar haartjes weg.

‘Zo kan je weer goed kijken’, zeg ik.

‘Dank je wel’, zegt hij, ‘En bedankt dat je er was.’ 

‘Tot zondag!’, zeg ik,’ en als er wat is dan hoor ik het, he?!’ 

                            *

Ik ga weg en ik laat de man die ooit naar Parijs fietste alleen. 

                           ***

Bijna

  

Blackbird singing in the dead of night

Take these sunken eyes and learn to see

All your life

You were only waiting for this moment to be free

Lennon & McCartney 

Bij het teruglopen van de schuur naar ons huis zie ik een merel. Op de pergola met kale druiventakken zit ze roerloos met in haar snavel een flossig bosje. ‘Voor een nest’, besef ik en ik sta doodstil. De boodschappentas in mijn ene hand, in de andere hand het pond jonge boerenkaas en het zakje met de asperge-paté. 

                             *
De merel kijkt om zich heen alsof ze even nadenkt. ‘O ja, ik bouw een nest, daar in de afgeplatte conifeer.’ De conifeer is ooit te enthousiast gesnoeid. Nu heeft de puntige boom een platte vorm. De merel vliegt de den in en ik loop met tas en zakjes naar de achterdeur. Ik til mijn arm op en duw met mijn elleboog op de deurkruk. De deur is dicht. Moeizaam hevel ik kaas en paté over naar de hand met tas. Zo kan ik mijn sleutel pakken. 

                             *
Bij het draaien van de sleutel in het slot zie ik mijn dochter opstaan. Te laat voor mij met mijn tas, zakjes en sleutel.
‘Zag jij ook die merel?’, vraag ik.

‘Ja, schattig, ze is al de hele tijd bezig. Ze maakt een nest in de boom daar.’ En ze wijst naar de conifeer. 

‘Het is geen goede plek met die twee katten van ons’, zeg ik. Beide katten liggen voor Pampus op hun bontkussentje voor het raam. 

‘Saar klimt er zo in’, zegt mijn dochter en somber kijken we naar de afgeplatte conifeer.
‘Wel jammer, het is leuk, een nestje in de tuin’, zegt mijn kind. 

                                 *

Zij houdt van vogels, net als haar vader. Gisteren zag ze, toen ik haar ophaalde van het station, een ijsvogeltje bij de omgevallen boom in de Leidsevaart. ‘Hij zit er! Het ijsvogeltje! Ik zag hem!’ Ik zag het niet want ik reed hard. 

                             *
Vroeger kon ik nog geen mus van een merel onderscheiden. Maar na 23 jaar huwelijk is dat veranderd. Ik weet hoe een ijsvogeltje eruit ziet, een mus, roodborstje en zelfs een gele kwikstaart kan ik herkennen. Onze merel zingt er ieder voorjaar lustig op los in de tuin. En nu bouwt ze een nestje.

                             *
Even later is onze kat buiten. Direct spot ze de merel die onbezorgd verder bouwt. Tot ze Saar in de gaten krijgt. De merel zingt niet meer. Ik denk dat ze weggaat. Jammer. Bijna hadden we een nestje in de tuin, een merelnest.

                            ***

CITO

  
Gisteren zag ik tweets voorbijkomen over de CITO-toets. Iedere basisschool is vanaf dit schooljaar verplicht een eindtoets af te nemen. De school kan kiezen uit drie toetsen. En good old CITO is daar één van. Eenenveertig jaar geleden maakte ik zelf de CITO-toets. Voordat mijn gedachten  – als snelstromend water in een Alpenbeekje – afglijden naar de voorbijvliegende tijd duw ik ze terug naar de CITO in 1974.

                               *

Van de toets zelf herinner ik mij niet veel. Was ik nerveus? Vast. Ik wilde om onduidelijke redenen – noem het intuïtie, een gevoel – naar het categoriale gymnasium in mijn geboortestad. En ik wist dat ik daar een goede score voor moest halen.

                           *

Het hoofd der school, de gewichtige meneer K., sprak Frans op z’n Ollie B. Bommels: ‘Henrrrri esttt uuuun garzzzzon de diezzzzze aaaaans’. Zo begon hij de facultatieve Franse les in de zesde klas. Meneer K. stond niet op goede voet met mijn moeder. Zij gaf les op mijn lagere school als invalster en van de bombastische heer K. had zij geen hoge pet op. Dat droeg niet bij aan mijn populariteit bij de directeur, tevens leerkracht van de zesde klas. Meneer K. gaf trouwens maar een dag les. Ik herinner mij er niet veel van. Alleen die Franse les waar ik mij op verheugd had maar na één les al genoeg van had, staat mij bij. De bombarie die meneer K. om de tienjarige Henri maakte was afschrikwekkend. Het is een wonder dat ik van de Franse taal bleef houden. 

                             *

De uitslag van de CITO herinner ik mij goed. We kregen een envelop mee naar huis met daarin de uitslag. Ook het schooladvies zat erbij. Thuis maakte mijn moeder de envelop open. De buikpijn van toen voel ik bij deze woorden opborrelen, nu, ruim veertig jaar later. Meneer K.’s advies luidde ondanks de goede CITO en al mijn mooie schoolresultaten van de jaren ervoor HAVO/VWO. Het gymnasium smolt in mijn gedachten weg als een schuimpje in de zon. Bittere tranen weende ik. Maar het kwam goed. Ik doorliep het gymnasium en ja, ook mijn studies daarna verliepen voorspoedig. Ik kwam goed terecht. 

                             *

Mijn oudste kind werd veertien jaar geleden door juf B. op de Christelijke dorpsschool in het ‘slechte rekengroepje’ geplaatst. ‘Falco zit in het slechte reken- én taalgroepje, hij moet steeds wisselen van plaats’, aldus mijn achtjarige kind. Ik ziedde van woedde die middag, rijdend in de auto met achterin mijn argeloze kind. Zij veranderde van school. En na een waanzinnige eindspurt in de twee laatste klassen van de Vrije School behaalde zij haar VWO-diploma. Met wiskunde. Vorig jaar startte zij met haar tweede studie, naast de eerste wel te verstaan. Voor de statistiekvakken haalt ze ruime voldoendes.

                             *

Ik lees een oude column van Wim Boevink over zijn dochter en de CITO. De titel luidt: ‘Een punt in een tabel’. 

“Als jij dit zwarte puntje bent”, zei de meester en wees met zijn pen een punt aan op een lijn, “dan hebben vijftien kinderen gemiddeld over het hele land genomen lager gescoord dan jij. En vierentachtig kinderen hebben hoger gescoord.”

Dat was haar percentiel.

Vierentachtig kinderen hadden hoger gescoord. En het meisje dat acht jaar lang in dit gebouw had lesgehad, had geknipt en geplakt en getekend, en werkstukken gemaakt en taakjes volbracht, en spreek- en boekenbeurten gehouden, over Bibi Dumon Tak en Neil Gaiman – dat meisje was een kleine, zwarte punt in een tabel geworden.’
                             *

Hoe mooi is het al dat meten en weten? Hoe betrouwbaar zijn grafieken, tabellen en testen? Wat zeggen deze over inzet, plezier, doorzettingsvermogen en ambitie?

Wijzelf en onze kinderen zijn geen punt in een tabel maar sterren die hoog aan de hemel stralen. Soms vallen ze in een boog schuin naar beneden en laten ze een oplichtende streep na in de oneindigheid.
                             *

Laat sterren stralen, vallen en weer opstaan. En laten we een lange neus maken naar de CITO, alle meneren K. en juffen B. 

                           ***

Mataglap

  

Vrijdag moest ik naar Den-Haag. En opeens realiseerde ik mij dat Zoetermeer vlakbij Den-Haag ligt. In Zoetermeer staat de barkruk van mijn vader die hij ooit uitleende aan zijn nicht Toetie. ‘Daar kon ze tijdens het koken even op gaan zitten. Maar nu wil ik de kruk terug.’ 
                             *

Nicht Toetie verblijft in een woon-zorgcentrum in Zoetermeer. 

‘Je moet daar allerlei codes intoetsen’, aldus mijn vader, ‘Anders lopen ze weg. De verzorgers vertellen gewoon de code aan je hoor, – ‘2002’ was de code- de bewoners vergeten dit toch meteen.’ 

Hoe vreselijk kan het leven eindigen? Nou, zo dus: achter een code wonen die iedereen weet en jij niet onthoudt.

                             *

Ik vraag aan mijn vader of de kruk bij zijn nicht staat, zoals hij had afgesproken met haar zoon.

‘Ja, de kruk staat daar. Maar ik kon hem niet meenemen, met de stok in mijn ene hand en…’ Ik onderbreek hem en dring aan:

‘Maar heb je de kruk daar zien staan?’

‘Eh, nee, ze heeft een grote kamer, die heb ik wel gezien.’

‘Maar stond jouw kruk daar?’

                             *

Dat weet mijn vader niet. Of niet meer. 

‘Nou, dan bel ik haar zoon wel op. Heb je zijn nummer?’

Mijn vader staat op, loopt naar de andere kamer en rommelt in een stapel papieren op zijn bureautje. 

                             *

‘Ja, hier heb ik het!’ Mijn vader schuifelt de zitkamer in en houdt een papiertje in zijn vrije hand. ‘Het lag op de grond, vandaar dat ik het niet zo snel vond.’ Ik noteer het telefoonnummer van de onbekende achterneef. Dat is vast een van de springerige jongetjes die ik vroeger wel eens tegen ben gekomen op een selamatan van de Indische tak van de familie. 

                             *

Ik bel de achterneef en spreek zijn voicemail in. Ik sms hem en stuur een app. Het is kort dag en ik hoor niks. ‘s Avonds krijg ik eindelijk een appje. ‘Annelie, mijn moeder zit in WZH-Oosterheem in kamer 3.41. De stoel staat in haar kamer links achter de plant.’ 

                             *

Vrijdag reis ik af naar Zoetermeer. Eindeloos dwaal ik rond in blokken nieuwbouw. De navigatie heeft het zoeken opgegeven. De Florence Nightingalelaan eindigt in het niets. Op de navigatie dan. Na twee rondjes om de verkeerde wijk heen en drie keer vragen vind ik het woon-zorgcentrum. Het ligt verstopt tussen een expeditie-ruimte en een winkelcentrum. Alle gebouwen zijn bruin. Nieuw baksteenbruin.

                             *

Er is geen receptie in het woon-zorgcentrum. Ik neem de lift naar de derde verdieping, een gokje gebaseerd op de 3 van kamer 3.41. Ik beland in een gang. Glimmend linoleum blinkt me tegemoet. Ik kijk naar rechts en zie door een raam bewoners in een kring bij elkaar zitten. De deur is dicht. Naast de deur hangt een bordje. ‘Huiskamer 3.0’ lees ik. Een verzorgster ziet mij turen door het glas en komt naar me toe. ‘Ik ben op zoek naar kamer 3.41, naar mevrouw J.’, zeg ik. 

                           *

De aardige dame wijst naar rechts. ‘Dan loopt u deze gang uit en aan het einde gaat u naar links. Daar vindt u net zo’n huiskamer als hier en daar is mevrouw J.’ 

Ik loop de gang uit, sla linksaf en ik stuit op een dichte deur met ernaast een rechthoekje met cijfertoetsen. De code, wat is de code? Ik denk aan het gesprek met mijn vader. 2002, ja, dat is de code. Ik toets de cijfers in en duw de deur open. Deze blijft dicht. Nog een keer toets ik de code in en duw. Niks. Geen beweging. Een drietal schoonmakers achter de deur kijkt mij glazig aan.

                           *

Ik loop weer terug. De aardige dame ziet mij en komt eraan. 

‘De deur is dicht, ik heb een code nodig.’ De dame loop mee, drukt 2002 in en #. 

‘Na 2002 een hekje, dan gaat de deur open.’ 

‘Hartelijk dank!’, zeg ik en ik loop de volgende gang in. Langs de schoonmakers. 

‘Goedemorgen’, zeg ik. ‘Goedemorgen’, zeggen ze in koor terug. Hun ogen prikken in mijn rug. Daar is de volgende huiskamer, identiek aan de vorige. 

                           *

Grove, lichthouten stoelen, een stevige tafel. Bewoners om de tafel. Twee verzorgsters daar omheen. Ik realiseer me opeens dat ik niet weet hoe mijn tante eruit ziet. 

‘Haar kamer ligt naast de huiskamer. Een grote kamer is het!’ Ik hoor de stem van mijn vader, loop een stukje verder en kijk naar het bordje naast de deur: 3.41. Onder het bordje hangt een foto: mevrouw J. Ik zie een dame met een rond gezicht en wit haar. Een bloempotkapsel. Ik loop terug naar de huiskamer en stap naar binnen.

                             *

De verzorgsters kijken mij hartelijk aan. Ik kijk rond en zie mijn tante. Voor haar ligt een bord op tafel met twee witte boterhammen. 

‘Ik kom voor mevrouw J. Ik ben de dochter van Ad Jonquiere.’ Tante Toetie kijkt mij verschrikt aan. 

‘Ad, Addy’, verduidelijk ik. 

‘Ja, die ken ik’, zegt ze aarzelend. 

‘Ik ben zijn dochter, Annelie.’

                            *

‘Wat gezellig, mevrouw J.!’, roept de verzorgster vrolijk. ‘Nu u familie op bezoek krijgt is het misschien leuk dat u even naar uw kamer gaat. Dan eet u zo wel een broodje.’ Tante Toetie heeft net zo’n rond gezicht als mijn vader. Dezelfde kleur huid. Bruin. Grote, bruine ogen. De ogen van mijn oma zie ik. Mijn vaders ogen. 

                             *

‘Nee hoor, dat hoeft niet’, zeg ik gauw. ‘Mijn tante kent mij alleen van toen ik zo klein was.’ En ik houd mijn linkerhand zo’n 1.20 meter boven de glimvloer. Mijn grootte van 45 jaar geleden.

                               *

Opgelucht zegt tante Toetie: ‘Ja, dat weet ik niet meer, zo lang geleden!’ En ze voegt eraan toe: ‘En zeker nu niet meer, nu ik een beetje mataglap ben.’ Ik hoor de zelfspot, de tongval. De Indische dikke letter l.  

‘Ik kom alleen even een kruk van mijn vader ophalen die in uw kamer staat.’ Ik geef tante Toetie een hand en in een klap ben ik terug in de geur van kerrie telor, pisang goreng en nasi rames. De hand is zacht en warm. Het is mijn oma’s hand, de hand van mijn vader.

                             *

‘Ik haal de kruk op uit uw kamer dan kunt u lekker uw broodje eten’, zeg ik. Toetie kijkt naar de twee onbelegde boterhammen op het plastic bord. Ze steken iets uit over de rand.

‘Eet smakelijk allemaal!’, zeg ik en vijf, zes paar oude ogen kijken mij aan. Niemand zegt wat. De verzorgsters zijn weer begonnen met redderen. ‘Dag mevrouw!’, zeggen ze beiden.

                             *

Ik loop naar kamer 3.41. In de hoek staat een plant. Daarachter zie ik de kruk. Bij het raam staat een ziekenhuisbed met een kleurig sprei erop. Op de houten kast zie ik het portret van een oudere man. Dat zal mijn overleden oom zijn. Ik herken hem niet. Snel loop ik weg. De deur uit, de gang in, de code, 2002 #, de lift en ik sta buiten. De zon schijnt in de Florence Nightingalelaan.

                             *

Als ik mijn vader bel en hem vertel dat ik zijn kruk heb opgehaald is hij blij. 

‘Heb je gezien hoe groot haar kamer is?’, vraagt hij.

Ik geef geen antwoord. Ik zie alleen de ogen van mijn oma. En twee witte boterhammen. Met niks.

                         ***

De trein naar Sobibor 

  
Er rijdt door mijn hoofd een trein

vol joden, ik leg het verleden

als een wissel om (…) **


Jules Schelvis is dood. De zachtmoedige overlevende van zeven kampen, waaronder Sobibor en Auschwitz, werd 95 jaar.

                              *

Als Jules sprak over zijn vrouw Chel werden zijn ogen nat. Chel werd op 20-jarige leeftijd vermoord in Sobibor, tegelijk met haar ouders en alle medereizigers in de wagon, na een reis van vier dagen met in de volgepropte wagon een ton water en een ton voor de behoeften. 

                             *

In een interview vertelt Jules over de donkerste dag in zijn leven, 3 juni 1943.

‘Op donderdag 3 juni bereikten we de Poolse grens. We reden in de richting van Auschwitz, maar de trein ging voorbij Czestochowa oostwaarts. Ik zei tegen mijn vrouw: bereid je maar op het ergste voor, veel goeds zullen ze niet in de zin hebben. Ze lachte flauwtjes en zei: ‘Weet je dat je een baard hebt? Je lijkt wel een rabbi.’ 

                              *

Op 3 juni 1943 was Jules Schelvis 22 jaar. 

Op 3 juni 1943 was Rachel Schelvis-Borzykowski 20 jaar. Twee jaar jonger dan mijn dochter. Twee jaar ouder dan mijn zoon.

Op 3 juni 1943 werd Rachel vermoord.

                            *

Jules Schelvis is dood. Zijn verhaal over Sobibor, waar meer dan 34.000 Nederlandse Joden vermoord zijn, leeft voort. 

                             *

(…)

 Ik telde

 de veewagons met de grendels:

 vijftig wagons,

 in elke wagon vijftig mensen;

 gevangenen van elkander

 in de duistere houten kooi

 in de waanzin van deze wereld.


**Bert Voeten (1918-1992)
                         ***

Slapen enzo

  
Berçeuse Nr. 2

Slaap als een reus

 slaap als een roos

 slaap als een reus van een roos

reuzeke

rozeke

zoetekoeksdozeke

doe de deur dicht van de doos

Ik slaap



Paul van Ostaijen (1896-1928)

Ruim twee weken geleden kocht ik een nieuw matras. Ik bezocht daarvoor een zaak aan een doorgaande weg in dat deel van de stad waar ik nooit kom. Ik spreek van een zaak want zo is het: een stokoude beddenspeciaalzaak waar wij ooit, jaren geleden, ons als verwende kinderen het cadeau van mijn schoonvader lieten aanleunen: twee matrassen, twee sets beddengoed en twee overtreksets. Dat waren nog eens tijden. 

                            *

Als ik de zaak betreed zie ik bedden: hoge, lage en vooral lelijke bedden. Het ruikt naar hout en beddengoed dat net uit de knisperende verpakking is gehaald. Opeens komt een verkoper tevoorschijn. Een oudere heer die zigzaggend door het beddendoolhof vriendelijk lachend op mij toeloopt.

                            *

‘Goedemorgen!’, zegt de heer monter, ‘Waarmee kan ik u van dienst zijn?’

‘Een aantal jaar geleden kochten wij bij u twee matrassen. Deze lagen heerlijk. Maar ik krijg een beetje last van mijn rug, ik denk dat het ligt aan mijn matras.’

Het mannetje glundert. ‘Ja, dat zou goed kunnen.’ En hij start een verhandeling over oude matrassen en zere ruggen. Ik luister half en ik hoop dat precies hetzelfde matras voor een schappelijke prijs nog voorhanden is. 

                            *

Ik onderbreek de verhandeling: ‘Mijn oude matras was een latex matras. Heeft u dat nog?’

‘Misschien heb ik nog wel uw gegevens’, mompelt de oude heer en hij loopt naar de kassa waar een computer staat. ‘Wat is uw naam en adres?’ En ik noem de naam en het toenmalige adres van mijn gulle schoonvader. ‘Ja!’, glimt het mannetje, ‘Hier heb ik de gegevens.’ En hij lepelt de matras- en beddengoed-kenmerken op van – naar nu blijkt – twaalf jaar geleden. 

                            *

‘Dat matras verkopen we niet meer’, vertelt de verkoper, ‘Ik zal u er niet mee lastig vallen maar het liep niet zo lekker met de fabrikant en onze zaak.’ Opeens oogt hij vermoeid. 

‘Wij hebben wel een zeer goed alternatief.’ Zijn ogen lichten op. ‘Loopt u maar even mee.’ En ik loop achter de man aan, door het beddendoolhof. ‘Dit is hem!’ En de man slaat op het matras als een slagwerker op zijn favoriete bekken. 

                             *

‘Een top-matras, mevrouw!’ En ik mag het matras uitproberen wat een bijzondere situatie oplevert. Midden in een zaak met de jas aan liggen op een matras alsof je gaat slapen. Van enige ontspanning is geen sprake. 

Ik hop snel van het matras af en zeg dat het mij een prima matras lijkt. ‘Het is dus de opvolger van dat eerdere matras?’, vraag ik nog. En ja, dat is zo. Ik slik even als ik het bedrag hoor van deze aankoop. Dat zou een week Griekenland kunnen zijn. Inclusief vliegreis en autohuur. Maar alla, nachtrust is belangrijk, zo’n matras gaat weer jaren mee en ik besluit het te kopen.

                           *

Thuis gekomen, ietwat beduusd van de aankoop, moet ik uitleggen waarom ik mijn matras inruil. ‘Maar dat ligt heerlijk!’, zeggen mijn kinderen verbaasd. ‘Jullie matrassen zijn heel zacht en liggen geweldig!’ Verbaasde ogen kijken mij aan. En ik denk aan mijn goede, oude matras. Zacht en omhullend als een moederschoot. Altijd weer fijn om op te gaan slapen, vooral na vakanties met allerlei bedden, soms goede soms minder goede, maar met het vooruitzicht: mijn eigen bed, het zachte matras. Het matras dat staat voor jaren dromen, koorts, liefde en nachtrust. Ik ruil het in voor een peperduur, nieuw matras. Het voelt als verraad en een sprong in het diepe.

                            *

Na drie weken komt het nieuwe matras. Een jongen met een busje tilt het looiige matras naar boven, haalt het plastic er geroutineerd af, neemt het oude matras mee en sjouwt het onverschillig naar beneden. Ongetwijfeld smijt hij het oude matras in zijn busje, maar dat zie ik niet want ik blijf boven staan en staar naar mijn nieuwe matras. Dik, zwaar en wit ligt het daar. Het voelt alsof ik wat te overwinnen heb. En ik begin maar met het opmaken van het bed. 

                            *

Na een week bel ik naar de zaak van het matras en ik krijg de oude heer aan de telefoon. Ik vertel dat ik laatst bij hem een nieuw matras kocht, hij weet het direct. ‘En, bevalt het?’, vraagt hij.

‘Daar bel ik voor’, zeg ik, ‘Ik slaap niet goed, ik heb last van mijn rug en ik word daar zelfs ‘s nachts wakker van.’

Ik zeg het beschroomd want het is wat: toegeven dat het geen goede koop was, ik zie de ogen van mijn huisgenoten op ‘zie je wel, dat andere matras was nog goed genoeg’ staan.

Maar ‘Dat is heel gewoon’, zegt het mannetje, ‘uw lichaam wordt nu goed ondersteund en daar moet het aan wennen.’ Er volgt een verhaal over doorgezakte matrassen, ruggen en vooral ouder geworden lichamen die veranderen en dus moeten wennen aan…

                              *

‘Ik snap het’, zeg ik, ‘Ik moet dus wat geduld hebben.’ En dat heb ik. Nog een paar nachten slecht slapen en dan komt het goed. Ik wil het geloven.

                              *

Na een week bel ik nogmaals. Ik krijg een andere verkoper aan de telefoon. En weer volgt een verhaal over wennen, geduld en eventueel het matras ‘opnieuw laten vullen’. Ook kan ik een handdoek onder het matras leggen, deze na een paar nachten weghalen en dan ‘is uw lichaam blij met het matras.’ Ik zucht en besluit het nog een nacht of twee aan te kijken. 

                              *

Vanochtend word ik later dan gewoonlijk wakker. ‘Hoe heb je geslapen?’, vraagt mijn man. 

‘Ja, goed’, antwoord ik.

En met een onbegrijpelijk geluksgevoel verschoon ik het bed en sla ik een helderwit hoeslaken om het matras. 
                           

                           ***